Dalen in Oorlogstijd

Tijdens zijn rede, gehouden op Koninginnedag 1994 in De Spinde voor de gedecoreerden van de gemeente Dalen, wees burgemeester N. Meerburg op het grote belang van de in 1945 herwonnen vrijheid. De verhalen uit de Tweede Wereldoorlog moesten voor het nageslacht bewaard blijven, betoogde hij. Maria Bos opperde naar aanleiding hiervan het idee ter gelegenheid van de vijftigjarige herdenking van de bevrijding een boek over de Daler oorlogsgebeurtenissen te laten verschijnen. Een redactie commissie, die zich ten doel stelde alle facetten van de oorlog in Dalen te belichten, werd samengesteld. Interviews met mensen, die ’t allemaal meegemaakt hadden, werden gehouden.
Oorlogsliteratuur werd geraadpleegd en bijdragen van algemene aard werden geleverd. De vier redactieleden trokken er op uit om de interviews op te nemen, meestal twee aan twee. Ze adviseerden bij de weergave van de verhalen en controleerden de teksten. Hoofdredacteur Huib Minderhoud bewerkte alle hoofdstukken.

“Dalen in oorlogstijd” ligt nu voor u. Wij hebben ernaar gestreefd verhalen weer te geven van mensen met zeer verschillende achtergronden. Verhalen van verzetslieden en onderduikers, maar evenzeer van N.S.B.ers en landwachters. Van gewone mensen en van mensen, die zich onderscheidden. Er waren informaten, die hun naam niet vermeld wilden zien en uiteraard werd geheimhouding door ons toegezegd.

We zijn er ons van bewust, dat niet alle verhalen van vijftig jaar volledig waarheidsgetrouw weergegeven zijn en het spreekt dan ook vanzelf, dat ze wat de eigen beleving betreft, voor rekening van de vertellers komen. Ze geven echter zeker een juist beeld van wat zich vijftig jaar geleden in Dalen afspeelde. Als zodanig zullen ze voor het nageslacht een waarschuwing kunnen zijn en een terugblik op een periode met veel tekortkomingen, ook van de kant van de Daler burgers. Misschien zullen hierdoor in de toekomst niet meer dezelfde fouten gemaakt worden.

“Moet dat nu allemaal weer opgerakeld worden?”, werd ons soms wat geërgerd gevraagd. Wij vinden inderdaad, dat dat moet. Niet in de laatste plaats, omdat er een objectief beeld van de oorlogstijd moet ontstaan, waardoor mensen elkaar weer kunnen vinden. Nog steeds is door sommigen van de oudere generatie het verleden niet verwerkt. Er was niet alleen onrecht gedurende de oorlog, maar ook na de bevrijding. En er was geen sprake van een voorbeeldige en moedige houding van de “goede” Dalenaars in het algemeen ten aanzien van de verdrukten en vervolgden. Echte moed was slechts weinigen gegeven!

Wij hopen, dat dit boek aan veler verwachtingen zal voldoen. Dat het gelezen zal worden. Met instemming en ontsteltenis, met herkenning en verbazing, met belangstelling en met de bereidheid tot zelfonderzoek en verzoening. Want we moeten samen verder. In een vreedzaam Dalen!

De redactiecommissie.

Huib D. Minderhoud
Maria Bos
Kars H. van Tarel
Harm Veldhuis

Moeilijke tijden

De N.S.B. haalde in onze provincie bijna 12% van de stemmen.

’t Waren moeilijke tijden, de dertiger jaren. De wereld was in een ongekende economische crisis geraakt, waarvan in Dalen vooral de boeren de gevolgen ondervonden. Hun oogsten leverden veel te weinig op en ook hun vee werd steeds minder waard. het kwam veel voor, dat een boer, die biggen naar de markt bracht met meer dieren thuis kwam, dan hij had meegenomen. Biggen waren vaak onverkoopbaar en het loonde in elk geval de moeite een of meer van die druktemakers op een andere wagen te zetten. Dat scheelde weer voer!. Er waren ook Dalenaars werkeloos. Die konden soms in de werkverschaffing en moesten dan wegen aanleggen of heidevelden ontginnen. Alles met de hand en de schop natuurlijk. En als er helemaal niets te doen was, kregen ze “steun” van de gemeente. Dat was niet veel, zo’n tien gulden in de week en daarvoor moesten ze zich ook nog elke dag melden bij het gemeentehuis. Anders zouden ze misschien stiekem werken en dan hadden ze geen recht op het steunbedrag. Maar er werd geen honger geleden in Dalen. Iedereen had wel een tuin, waar groenten en aardappels verbouwd konden worden en men hield vaak kippen en een varken. De mensen bezaten ook nog niet zo veel. Van televisie hadden ze nog nooit gehoord en maar enkelen bezaten een radio. Er waren geen wasmachines, geen gastoestellen, geen centrale verwarmingsinstallaties, geen stofzuigers. Alleen de rijke Dalenaars hadden een auto en dat waren er maar heel weinig.

Veemarkt op het plein voor de kerk

Door de lage steunuitkeringen en de slechte verdiensten werd de ontevredenheid onder de gewone mensen steeds groter. Vooral onder de boeren, die elke dag hard moesten werken en soms helemaal geen inkomsten hadden. Velen van hen sloten zich aan bij de Drentse Boerenbond, die wilde, dat de regering geen graan en andere landbouwproducten uit het buitenland meer zou toelaten. Dat ging echter moeilijk, want men vond, dat de handel vrij moest blijven. Nederland voerde immers zelf ook veel goederen uit en die zouden dan wel eens bij de grens geweerd kunnen worden. De Drentse Boerenbond sloot zich in 1933 bij de landelijke boerenorganisatie “Landbouw en maatschappij” aan. Misschien zou deze meer kunnen bereiken, dacht men.

In datzelfde jaar was in Duitsland Adolf Hitler aan de macht gekomen. Hij beloofde een einde aan de misstanden te maken. Bovendien streefde hij ernaar Duitsland tot het machtigste land van de wereld te maken. Alle partijen, behalve die van hem, werden verboden en Hitler werd de “Fuhrer”, de leider en dictator; die alles te beslissen had en die alles ook het beste wist. Bijna alle Duitsers geloofden dat tenslotte.

Duitsland was er ook alleen maar voor de Duitsers, zei Hitler. Voor andere mensen zoals joden en zigeuners was er geen plaats meer. Zij moesten uitgeroeid worden, want zij hadden Duitsland in het ongeluk gestort. Alleen de raszuivere edelgermanen, zoals Hitler de Duitsers graag noemde, Zouden Duitsland weer sterk en oppermachtig maken.

In Nederland kwam ook een man naar voren, die graag leider van ons volk wilde worden en die het helemaal met Hitler eens was. Dat was Anton Mussert, die al in 1931 de N.S.B. (de Nationaal Socialistische Beweging) gesticht had. Zijn volgelingen droegen zwarte uniformen en marcheerden vaak met veel vertoon door de straten. Maar veel invloed kreeg de N.S.B. niet; de meeste Nederlanders doorzagen de ware bedoelingen van Anton Mussert al snel.

Maar..in Duitsland ging het goed! Hitler ging een sterk leger vormen en er kwamen dus veel nieuwe wapenfabrieken. Verder liet hij een heel net van brede autowegen aanleggen. Veel arbeiders kregen hierdoor weer werk. De Duitse boeren kregen het ook veel beter, want Hitler zorgde er wel voor, dat hun producten in eigen land voorrang hadden.

Natuurlijk juichten de boeren van Landbouw en Maatschappij de maatregelen van Hitler van harte toe en de N.S.B.ers waren er als de kippen bij om te zeggen, dat zij het ook zo wilden. Verschillenden van hen werden nu bestuurslid van de boerenorganisatie en toen er in 1935 verkiezingen werden gehouden, raadde Landbouw en Maatschappij haar leden aan toch vooral op de N.S.B. te stemmen. Heel veel Drenten deden dat inderdaad en de partij van Mussert behaalde in onze provincie bijna twaalf procent van de stemmen. De N.S.B. kreeg nu ook meer leden. Men zag alleen de financiële voordelen voor arbeiders en boeren. Rassendiscriminatie en dictatorschap nam men op de koop toe.

Het aantal N.S.B.ers in de gemeente Dalen was vrij groot. Vooral in Dalerveen en dat was geen wonder, want daar woonden veel kleine boeren. In Dalerpeel waren heel weinig N.S.B.ers; de mensen waren hier heel kerkelijk en beschouwden de beweging als een goddeloze partij. Bovendien hadden de Dalerpelers van oudsher een hekel aan ’t gezag van één persoon. Achteraf gezien hadden ze groot gelijk!

Toen Hitler de Duitse Joden ging vervolgen en heel veel leden van andere partijen in kampen op liet sluiten, bedankten ook in Dalen verschillende mensen als lid van de N.S.B. Mussert probeerde immers alles wat Hitler deed goed te praten. Toen daarna ook nog het Duitse leger Oostenrijk inlijfde en Tsjecho-Slowakije bezette, moesten toch voor ieder Hitler’s bedoelingen steeds duidelijker worden. Hij wilde de macht in Europa met alle gevolgen van dien.

In september 1939 vielen de Duitsers Polen binnen. Engeland en Frankrijk verklaarden Duitsland daarop de oorlog. In februari 1940 veroverden Hitler’s soldaten Denemarken en Noorwegen. Dat waren neutrale landen, die niet aan de oorlog mee wilden doen. Nederland was ook neutraal, maar hoe lang zou het nog duren, voor ons land aan de beurt was? Dat vroegen ook veel Dalenaars zich af.

Duitsland was immers vlakbij en het Nederlandse leger zou op de duur nooit tegenstand kunnen bieden. De meeste hadden angstige voorgevoelens; een kleine minderheid echter, de felste N.S.B.ers hoopte op een Duitse inval. Dan zou immers alles beter worden, dachten ze.

Daler soldaten
Opstaan, aankleden, gevechtsbepakking om en marcheren!.


In Rotterdam
Hendrik Mulder, in 1919 in Dalerveen geboren, werd in het voorjaar van 1929 dienstplichtig soldaat en ingedeeld bij de infanterie. Samen met zijn dorpsgenoten Jan Meppelink en Rieks Oost werd hij gelegerd in de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem. ’t Was wel even wennen daar, maar gelukkig waren ze met hun drieën en samen met de andere “plattelanders” voelden ze zich goed opgewassen tegen “de jongens uit de stad”, die graag de baas wilden spelen. Na het “scherpzetten” van enkele kribben en het door rondvliegende laarzen verwijderen van de spullen op hun kasten verging het de stedelingen de lust tot overheersen snel.



Hendrik Mulder uit Dalerveen.

Het dragen van het uniform werd aanvankelijk ook niet als prettig ervaren. Het rimpelloos rondraaien van de “poeties” (beenwindsels) om de kuiten verliep niet zonder problemen en de hoge kraag “stief tegen de kin” zat bar ongemakkelijk. Maar het wende wel, tenslotte. Met de onderofficieren hadden ze weinig problemen. Er was wel een dienstklopperige korporaal, een zekere Van de Mark, maar ook deze beroepsmilitair werd snel tot rede gebracht. Toen hij eens op een avond fluitend in de kazerne kwam, hadden zijn soldaten een emmer water boven op de openstaande deur gezet. Wat er gebeurde, toen de korporaal de deur openduwde, laat zich raden. “Een hoop lawaai”, de boosdoeners diep onder de dekens en niemand, die de euveldaad begaan had! Van de Mark was voortaan een stuk rustiger.

Er werd veel geoefend met lange afstand marsen en alleen tijdens de ingelaste pauzes mocht de knoop van de kraag even los. De soldaat behoorde er onder alle omstandigheden keurig uit te zien; tenslotte droeg hij het uniform van Hare Majesteit. Tijdens de veldoefeningen moesten de jongens veel kruipen en af en toe wat hardlopen, maar over ’t algemeen waren de lichamelijke inspanningen niet al te zwaar. De tucht was niet erg streng en het soldatenleven viel eigenlijk best te dragen.

Een keer per maand mochten de soldaten vrij reizen. Ze konden op vrijdagmiddag vertrekken en de Dalerveners spoorden dan naar Coevorden. Vrienden en familieleden zorgden bij het station voor fietsen en zo konden ze snel de ouderlijke woningen bereiken. Op zondagmiddag werd de terugreis weer aanvaard.

Er werd f 1,96 per week aan soldij uitbetaald, maar dan moest je niets kwijt zijn en ook niets “uitgevreten” hebbe. Anders ging er weer wat van het zuurverdiende geld af. De kots was goed.

 “Rats (erwtensoep), kuch (bruin brood) en bonen” waren, voor de Dalerveners althans, goed te verteren.

Hendrik zou in maart 1940 afzwaaien, maar daar kwam niets van terecht. De algehele mobilisatie was inmiddels afgekondigd en hij werd al in de herfst van 1939 met zo’n vijftig lotgenoten overgeplaatst naar Hoorn. Hier werden ze ondergebracht in een schoolgebouw en behalve wat marcheren deden ze hier niets. Oh ja, af en toe gingen ze zwemmen, maar die kunst verstond Hendrik niet en dus stond hij erbij en keer ernaar.

Vanuit Hoorn werden de soldaten verdeeld over posten ergens in het land. Met een groep van negen man kreeg Hendrik de taak toebedeeld een brug bij Olst te bewaken. Jan en en Rieks waren daar niet meer bij. De groep kreeg onderdak bij een fruitteler en beurtelings stonden de soldaten op wacht. Zij, die vrij waren, hielpen hun gastheer met appels plukken. Later gingen ze naar Lemelerveld, waar een draaibrug hen wachtte. Het ging vriezen en het ijs eromheen moest voortdurend weggekapt worden. Er ging een bijl kapot en de ongelukkige dader meldde zich niet. Hij zou de bijl dan immers zelf moeten betalen.

Zijn kameraden dekten hem natuurlijk en Hendrik, bij de luitenant in de commandopost geroepen, verklaarde van niets te weten. “Ik heb niets gezien”, zei hij. “Ik was ook aan ’t kappen!”  De luitenant maakte een rapport op en las zijn verklaring hardop voor. Bij de zinsnede: “De soldaat Mulder was druk aan het kappen!” merkte Hendrik op: “Laat dat “druk” er maar af, luitenant!”

Inderdaad, want druk hadden de jongens het zeker niet. ’t Was een gouden tijd in Lemelerveld. Ze waren ingekwartierd bij een bakker en kwamen niets te kort.

Dat veranderde, toen eind april Hendrik’s onderdeel ingedeeld werd bij de reservetroepen, die overal ingezet konden worden. Met een paar honderd man werden ze ondergebracht in een pas gereedgekomen fabriek in Veenendaal. Er moest geslapen worden op strozakken op de kale fabrieksvloer en aan de verzorging mankeerde nogal wat.

Op donderdagavond 9 mei was de stemming in de fabriek wat uitgelaten, want het gerucht deed de ronde, dat “’t verlof weer los was!”. Dat betekende, dat men voor het eerst in maanden, weer eens een paar dagen naar huis zou kunnen. De ontnuchtering was groot, toen er de volgende morgen om vier uur groot alarm gegeven werd.

Opstaan, aankleden, gevechtsbepakking om en marcheren! In een lange colonne, richting Grebbeberg! Onderweg komt een nieuw bevel. De reserve moet naar Rotterdam, want daar zijn parachutisten geland. Vrachtwagens laden de soldaten in en een lange stoet zet zich in beweging. Onderweg is er op verschillende plaatsen langdurig oponthoud. Duitse vliegtuigen komen herhaaldelijk laag overvliegen en de vrachtwagens schuilen onder de bomen aan de kant van de weg om aan luchtaanvallen te ontkomen. De spanning in de wagens is af en toe om te snijden. Een jonge soldaat kan zich niet langer beheersen en barst in snikken uit!

Gelukkig gebeurt er niets en tegen de avond komen ze behouden in Rotterdam aan. De groep van Hendrik moet zich ingraven bij het Maasstation en de hele nacht zitten de soldaten daar in schuttersputjes. Er wordt gevochten; geweerschoten fluiten en granaatinslagen dreunen. Maar waar de vijand zich bevindt, is onbekend. In angstige spanning gaat de nacht voorbij, maar er komen geen Duitsers opdagen. De volgende morgen zien ze, dat het Maasstation geraakt en flink toegetakeld is.

Ze worden afgelost en ondergebracht in de stad. De volgende morgen patrouilleren ze door de verlaten straten, er vooral op lettend, dat ramen en deuren gesloten zijn. Verhalen over Duitse parachutisten en N.S.B.ers, die als sluipschutters de stad onveilig maken, zijn de aanleiding voor hun voorzichtigheid.

Er wordt voortdurend gevochten aan de Maas en de Nederlandse tegenstand is zo fel, dat de aanvallers geen stap verder komen. ’s Avonds moet de groep van Hendrik, negen man sterk, deel gaan nemen aan de verdediging. Ze worden gelegerd in een betonnen kazemat aan de Maas, aan de westzijde van de stad.

Ze beschikken over een mitrailleur en acht geweren. Maandag de dertiende mei, gaat zonder noemenswaardige gebeurtenissen voor hen voorbij. De negen mannen, min of meer afgezonderd in hun kazemat, horen wel het oorlogsgeweld, maar zien geen enkele vijand in hun schootsveld verschijnen. Laat in de avond komt er een boot over de rivier aanvaren en de sergeant geeft het bevel er op te vuren. Met alles wat ze hebben, schieten ze, maar er gebeurt niets. Dan blijkt, dat het vaartuig stuurloos en onbemand de Maas afdrijft!

De volgende middag, om half twee precies, breekt de hel los boven Rotterdam. Ruim honderd Duitse Heinkel-bommenwerpers verschijnen in een aanvalsgolf boven de stad en laten hun bommen vallen. De Duitse legerleiding heeft besloten, dat de tegenstand van het Nederlandse leger door een vernietigend bombardement op weerloze burgers gebroken moest worden. Terwijl Duitse onderhandelaars tijden de al op gang gebrachte overgavebesprekingen beloofd hebben met een eventuele luchtaanval tot twintig over vier te wachten!


Als verlamd zitten Hendrik Mulder en zijn kameraden in hun kazemat. De donderende inslagen van de bommen doen de grond heen en weer gaan en ’t lijkt wel of de betonnen muren meeschudden. De luchtaanval duurt ongeveer twintig minuten, maar ’t lijkt wel een eeuwigheid. Als het lawaai van de laatste inslag wegebt en er een doodse stilte intreedt, wagen ze zich uit de kazemat. ’t Is of ontzetting hen de keer dichtsnoert. Rotterdam is een puinhoop! Stofwolken stijgen op en daartussen laaien de vlammen van de brandende huizen en gebouwen. In de ruïnes van een nabij gelegen gebouw hangt het lichaam van een gesneuvelde Nederlandse soldaat. Die dag verliezen negenhonderd burgers het leven;  vijfentwintigduizend huizen zijn in een klap verwoest.

Het Nederlandse leger geeft zich over en de groep van Hendrik krijgt opdracht naar Hilligersberg te gaan. Links en rechts zijn brandende puinhopen. Voortdurend voegen zich anderen bij hen; iemand, die de stad goed kent, wijst de weg. Al lopend ontdoen de verbitterde verdedigers zich van hun uitrusting; ook de geweren worden weggesmeten. Ze zijn verslagen zonder verslagen te zijn. Door een laf bombardement op een “open” verklaarde stad zonder luchtdoelgeschut.

Op de verzamelplaats in Hilligersberg komen ze bij elkaar. De volgende morgen al brengen vrachtwagens hen terug naar Veenendaal, naar de fabriek. Hendrik heeft geen Duitser gezien!.

In Dalerveen wacht Hendrikje Tijben, zijn meisje, op een levensteken van hem. Er wordt verteld, dat Hendrik omgekomen is, maar ook, dat ze hem in Hardenberg gezien hebben. Dan komt bakker Luuk ter Haar langs en zegt, dat ze bij Mulder officieel bericht hebben, dat Hendrik in leven is. Hendrikje is gerust. Ze gaat niet naar de familie Mulder, want ze komt nog niet bij Hendrik thuis en dat geeft dan geen pas.

Begin juni krijgt Hendrik twee dagen verlof. Hij is nog steeds met zijn onderdeel in Veenendaal gelegerd. De commandant heeft gezegd, dat hij voorgoed naar huis mag, als hij van de burgemeester een bewijs meekrijgt, dat hij als landbouwer onmisbaar is. Burgemeester ten Holte zorgt onmiddellijk voor een officiële verklaring en Hendrik krijgt bij terugkomst in Veenendaal groot verlof. Hij komt een dag later al terug naar Dalerveen. Na een jaar trouwt hij met Hendrikje en “trekt met haar in” bij zijn schoonouders, de familie Tijben.

Op de Grebbeberg


Als Wolter Tijben, de broer van Hendrikje, 1933 achttien jaar wordt, besluit hij zich op te geven voor de zogenaamde Vooroefening voor de dienstplicht. Hij zal dan straks maar zes weken in plaats van dertien maanden onder de wapenen moeten. De vooroefening vindt plaats in Dalen en omgeving en duurt twee jaar.

Elke zaterdagmiddag en donderdagavond komen twaalf jongemannen in landmacht uniform bijeen om onder leiding van sergeant Pals uit Nieuw-Amsterdam opgeleid te worden. Ze oefenen hoofdzakelijk op het Grootveld (het huidige sportterrein), dat dan nog woest gebied is. Ze kruipen er door de hei en bestijgen het daar speciaal opgerichte klimrek.

Touwklimmen doen ze bij Mans de Boer en een keer per maand wordt een mars met volle bepakking gehouden. Ze krijgen ook geweren, die ze uit elkaar moeten kunnen nemen en waarmee ze, uitsluitend met losse flodders, mogen schieten. Na twee jaar doen ze twee dagen lang examen in Kampen. Wolter slaagt en gaat in 1935 zes weken in militaire dienst. In het Infanterie Schietkamp in de Harskamp mag hij dan een keer met scherpe patronen schieten.

Als de Nederlandse regering op 28 augustus 1939 de algehele mobilisatie afkondigt, moet ook Wolter opkomen. Hij moet zich melden in Deventer en komt na enkele overplaatsingen terecht in Nude, tussen Wageningen en de Grebbeberg. Hier wordt hij met een sectie van dertig man ingekwartierd bij een boer. Berend IJdens uit Dalen, eveneens in Deventer opgekomen, is er ook. Natuurlijk trekken Wolter en Berend veel met elkaar op.

De dienst is vrij eentonig. Elke morgen moeten ze om acht uur aantreden en marcheren dan naar de Grebbeberg, waan ze hun eigen loopgraven en stellingen aanleggen. Er worden gangen en gaten gegraven, waarvan de wanden gestut worden met houten palen. De Grebbe moet een onneembare vesting worden!
Wolter en Berend behoren tot het Negentiende Regiment Infanterie, dat boven op de berg de reserve-eenheid vormt. Het Achtste Regiment graaft zich in aan de voet en ligt in de eerste lijn. Alleen als de toestand kritiek wordt, verblijven de militairen op de berg en de sectie van Wolter en Berend wordt dan gelegerd in enkele tabaksschuren achter de stellingen. In normale tijden marcheren ze ’s middags terug naar de boer in Nude. Ze hebben het er best en vooral op “de boerenjongens” is de familie zeer gesteld. Die komen ’s avonds gezellig in de keuken, terwijl de “stadse jongens” meestal uitgaan.

Als de sectie op maandag 6 mei opnieuw in de stelling bezig is, komt het bevel, dat ze weer in de schuren moeten blijven. Op vrijdagmorgen in alle vroegte beseffen ze plotseling, dat het deze keer ernst wordt. Groot alarm! Overvliegende Duitse luchteskaders! Uitreiking van scherpe patronen! Dit is oorlog!!

Maar eerst is er ander werk aan de winkel. De soldaten krijgen opdracht om te gaan helpen bij de evacuatie van alle burgers in het voorterrein. Het schootsveld moet vrij zijn van bewoners. Iedereen moet vertrekken, ook de boeren met hun koeien en ander veel. Wolter’s gastheer is er ook bij.

In de Rijn liggen boten met bestemming Rotterdam en daar moeten ze allemaal mee. ’t Is het minste werk, dat er is. Ouden van dagen, invaliden, moeders met huilende kinderen! Hun woning, hun huisraad, hun speelgoed, bijna alles moeten ze achterlaten. “Ze reerden allemaol, dat ze weg mosten!”, herinnert Wolter zich. Als de soldaten laat in de middag terugkomen, lopen er nogal wat honden rond. Ze zijn van niemand en ze doen niets. Maar er wordt gezegd, dat landverraders ze losgelaten hebben. Als er gevochten wordt, zullen ze gaan blaffen en dan weet de vijand precies, waar de stellingen zijn! De honden worden de een na de ander doodgeschoten.

De volgende morgen, zaterdag 11 mei, ontbrandt de strijd in het voorterrein. Mitrailleurvuur, geweerschoten en inslagen van de vijandelijke artillerie veroorzaken een oorverdovend lawaai. Het Achtste houdt zich goed; de jongens vechten als leeuwen en de vijand komt er niet doorheen. De verdedigers van het Negentiende zitten in hun loopgraven en wachten in spanning op de dingen, die komen gaan. De hele dag, de hele nacht en de morgen daarop. Plotseling, tegen de middag, verschijnen Stuka’s, Duitse jachtbommenwerpers boven de stellingen. Met het beruchte angstaanjagende snerpende motorgeluid storten ze zich omlaag. Weggedoken in hun onderkomens vrezen de soldaten het ergste. De bommen suizen omlaag en de stelling van Wolter en Berend krijgt twee voltreffers.

Wonder boven wonder wordt niemand van de sectie geraakt, maar dat geldt niet voor de anderen. Het hele stellingsysteem is ontwricht; de verbindingen zijn verbroken en paniek grijpt om zich heen.

Als het donker wordt en de meeste soldaten zich hebben hervonden, komt het bevel de eerste linie te gaan versterken. Het Achtste heeft zwaar geleden; er schijnen verschrikkelijk veel doden gevallen te zijn en de vijand heeft terreinwinst geboekt. De sectie trekt door Rhenen en ziet, hoe de vijandelijke bommenwerpers hier huisgehouden hebben. Totaal verwoeste huizen en gebouwen doemen op in het duister en overal liggen hopen puin. Het is angstaanjagend.

Ze naderen het riviertje de Grebbe. Daar ligt een noodbrug. De eerste groep gaat er met het geweer in de aanslag overheen en dan ineens staat er een hoge officier, een majoor, bij de brug. “Iedereen terug!”, beveelt hij. “We trekken terug op de achterste stellingen!”. De soldaten gehoorzamen en sjokken terug, opnieuw door Rhenen, opnieuw de Grebbeberg op. Maar in het donker raakt de colonne uit elkaar, de geluiden van de oorlog, de schoten en de inslagen doen opnieuw paniek ontstaan. Wie is vriend, wie is vijand? In het duister is niemand te herkennen!

Wolter Tijben en een toevallige kameraad, soldaat Lohuis, duiken een roggeveld in. Pas de volgende morgen komen ze er weer uit en verlaten, samen met overal vandaan komende lotgenoten, op eigen houtje de Grebbeberg. Onder hen is gelukkig ook Berend IJdens. In fort Honswijk bij Veenendaal verzamelen ze zich; tenslotte zijn daar vijfduizend man bijeen.

De Duitse overwinnaars nemen hen hier gevangen. De geweren worden aan rotten gezet, de helmen en bajonetten in rijen neergelegd, de patroonhouders op een hoop gesmeten. De Duitsers marcheren hen af – een lange rij verslagen krijgsgevangenen in haveloze, verfomfaaide uniformen.

Opnieuw over de Grebbeberg naar Wageningen, langs oude stellingen en die van het Achtste Regiment. “Bulten gesneuvelde Nederlanders” zien ze liggen. Geen Duitsers meer, die zijn al weggehaald. Bijna vierhonderd Nederlandse militairen zijn op de Grebbeberg gesneuveld. Het aantal Duitse gevallenen is niet bekend, maar is minstens even hoog geweest. Ze komen ook langs de boerderij in Nude, die veranderd is in een grote ruïne. De prachtige boomgaard is “aan flarden” geschoten; er staat maar een boom meer!

De krijgsgevangenen slapen onder de blote hemel op de Wageningse berg en marcheren de volgende dag naar Zevenaar. Onderweg staan er rijen mensen te kijken en de gevangenen stoppen hen briefjes toe. Ook Wolter. “Goed gezond, krijgsgevangen!”, zet hij er op en het adres van zijn meisje: “Aaltje Keen, Dalerveen”.

In Zevenaar staat een trein klaar en de soldaten worden in veewagons geladen. Zo bereiken ze Meppen. Vlakbij de Nederlandse grens! ’t Is een bittere ervaring voor Wolter en Berend; zo dicht bij huis en toch gevangen!” Maar je was verslagen en je liet het over je komen!”. In Meppen verblijven ze vijf dagen in een kamp en daarna gaan ze opnieuw de veewagons in. In de buurt van Berlijn, in Luckenwalde, betrekken ze een groot krijgsgevangenenkamp. Ze worden ondergebracht in tenten en slapen op planken. Elke dag krijgen ze een stuk zwart soldatenbrood en een kom koolsoep. Dat neemt af en na een week zakken er tijdens de appels ’s morgens vroeg al verschillenden in elkaar. Wolter valt maar liefst vijfentwintig pond af! De bewakers, meestal oudere Duitse soldaten, zijn hen over het algemeen goed gezind. Ze laten de krijgsgevangenen de Duitse kranten lezen, die verslag doen van de strijd aan de Grebbeberg. De moed en de vastberadenheid van de Nederlandse verdedigers worden uitvoerig geprezen, maar daar hebben ze weinig aan. Of toch wel?

Begin juni betreden enkele hoge Duitse officieren het kamp. De vijfduizend gevangenen moeten aantreden en horen een brallende toespraak aan, die door een tolk vertaald wordt. Fuhrer Adolf Hitler heeft besloten alle Nederlandse militairen vrij te laten. Hij is diep onder de indruk van hun moedige en eervolle optreden tijdens de oorlogsdagen! Niemand gelooft het verhaal; ’t zal wel een propagandastunt zijn. Dat ongeloof wordt nog versterkt, als ze de volgende morgen hun lepels en kommen moeten inleveren en die ’s avonds weer terugkrijgen!

Maar op 9 juni gebeurt het wonder toch. ’s Avonds moeten ze opnieuw de kampspullen inleveren en de volgende morgen gaat de poort open. Ze marcheren af, ieder voorzien van een grote metworst. Voor onderweg en als bewijs van de “genoten verzorging!”.

Weer per veewagon bereiken ze Arnhem, waar Wolter en Berend met een grote groep opgevangen worden in gebouw Muses Sacrum. Ze kunnen douchen en worden onderhanden genomen door “een heel koppel kappers”. Ze krijgen eindelijk weer eens genoeg te eten. Het is ongekend! Als ze toonbaar zijn, worden ze ingekwartierd bij burgers.

De andere dag al krijgt Wolter een schriftelijke vergunning, waarin staat, dat hij naar huis mag. Berend nog niet, maar die is gauw over zijn teleurstelling heen. “Ga maar weg”, zegt hij, “ik kom morgen wel!”. Wolter neemt de trein naar Zwolle, maar er is geen aansluiting naar Dalen meer. Er staan mensen op het perron, die hem aanbieden bij hen te overnachten. De volgende morgen stapt hij om negen uur de deur uit en wie doet hetzelfde twee huizen verder? Juist, Berend IJdens! Hoe is het mogelijk!

Samen reizen ze naar Dalen. Op de fiets van Berend’s vader bereikt Wolter Dalerveen. Daar wacht hem Aaltje, die via ’t gemeentehuis zijn overlevensbericht ontvangen heeft. De mensen, die hij indertijd zijn briefje overhandigd heeft, hebben dat afgegeven bij hun gemeentebestuur. Vandaar is de secretarie in Dalen in kennis gesteld.

Nog steeds heeft Wolter Tijben contact met de boerenfamilie in Nude en nog steeds komt een aantal eens hier gelegerde “jongens” bij elkaar. Af en toe droomt Wolter er nog van, van de oorlogsverschrikking op de Grebbeberg!

Aan de IJssellinie


Albert Lamberts uit Dalen had het niet gemakkelijk op zijn boerderij tijdens de mobilisatie van 1939. Jan, zijn broer, was opgeroepen en lag aan de IJssellinie bij Zwolle. Gelukkig had Albert hulp van een arbeider, maar ’t bedrijf was groot en bovendien was hij lichamelijk wat gehandicapt. En dan was er ook nog een paard gevorderd voor het leger en ’t viel niet mee een vervangend paard terug te kopen.

Om de dagelijkse werkdruk wat te verlichten, liet Albert een aantal pas geboren kalveren bij de moederdieren lopen. Dan behoefden die koeien tenminste niet gemolken te worden. Toen kort daarna de besmettelijke runderziekte mond- en klauwzeer uitbrak, bleken veel dieren aangetast. Ze moesten afgemaakt worden. De bij de koeien zogende kalveren bleven echter allemaal van de ziekte gevrijwaard. Zo bleek Albert’s beslissing achteraf nog de redding van een deel van zijn veestapel ten gevolge te hebben.

Tijdens de strenge winter van 1939/1940 bevatte de put bij de boerderij te weinig water voor het op stal staande vee. Gelukkig bracht de pomp op het stationsterrein tegenover de boerderij uitkomst, maar omdat Albert maar over een klein tankje beschikte, moest er heel wat heen en weer gereden worden. Tenslotte liet hij een nieuwe put op het erf slaan, maar dat was niet goedkoop. Nee, ’t viel Albert niet mee alleen op de boerderij.

Jan lag met zijn groep van negen man onder leiding van een sergeant bij een zelf gegraven  stelling aan de IJsseldijk. De weg ernaast kon afgesloten worden met behulp van cementen putringen die met beton volgestort waren. De groep was ondergebracht bij boer Dunning in de onmiddellijke nabijheid van de stelling. Jan en zijn vriend, soldaat Meilink uit Anerveen, ook een boerenzoon, hielpen Dunning vaak bij het dagelijkse werk. Ze werden eigenlijk kind aan huis en het onderlinge vertrouwen was zo groot, dat Dunning Jan er eens op uitstuurde om op de markt in Zwolle enkele van zijn koeien te verkopen.

Op de eerste dag van de Duitse aanval verblijven de soldaten in hun stelling. Er gebeurt echter niets. Wel sijpelen er berichten binnen, dat de vijand bij Zutphen over de IJssel gekomen is en dus naar alle waarschijnlijkheid vanuit het zuiden zal aanvallen. maar de schietgaten van de stellingen zijn bij de aanleg over de rivier naar het noordoosten gericht!

Op de eerste dag van de tiende op de elfde mei zoeken veel “wakkere” verdedigers alvast een goed heenkomen. Van de groep, die bij boer Dunning ingekwartierd was, zijn er ’s morgens maar twee meer over. Dat zijn soldaat Lamberts en soldaat Meilink. Ze voelen zich op een ergerlijke manier in de steek gelaten en besluiten er nu ook maar vandoor te gaan. Samen de stelling blijven bemannen heeft geen enkele zin.

Ze vinden onderdak bij een boer, die echter eist, dat ze hun uniformen uittrekken. Anders wordt het hem veel te gevaarlijk. Ze krijgen elk een overall en begraven de uniformen. Hun geweren gooien ze in een sloot. Intussen trekken Duitse troepen vanaf Zutphen langs de IJssellinie. De cementen ringen worden opgeblazen en vanuit de moeitevol opgeworpen stellingen wordt geen enkele weerstand geboden.

In de nu volgende nacht slapen de twee gevluchte soldaten in de kelder van de boerderij. Een plaats, waar men hen niet zo gauw zal kunnen vinden, denkt de boer. De volgende morgen lopen ze in hun overalls naar het inmiddels bezette Zwolle en kopen daar ieder voor f 12,50 een fiets. Ze nemen afscheid van elkaar en zoeken elk hun eigen weg.

Als Jan ’s avonds in Dalen arriveert, staat de stal vol met inderhaast door de Duitsers gevorderde paarden. Ondanks de vermoeiende tocht gaat hij toch nog even bij buurman burgemeester Ten Holte langs om te zeggen, dat hij terug is. De volgende morgen laten enkele treinmachinisten bij het Daler station twee locomotieven met opzet tegen elkaar botsen. Een eerste daad van verzet!

Gerrit Ridderman en Albert Lohuis keerden niet terug. Gerrit sneuvelde op 10 mei 1940 te Wessem in Limburg. Albert op 13 mei 1940 te Rotterdam.


Soldatengraf in Dalen.

Sluis Knol

De Duitsers trekken via Sluis Knol en Reindersdijk richting Dalen.


Oorlog bij Sluis Knol.

Alidus Knol was dertien jaar oud, toen hij van school kwam. Hij was opgegroeid in het huis bij Sluis I aan het Stieltjeskanaal, waar zijn vader als sinds 1914 sluiswachter was. Omdat vader Knol hier al zo lang werkte, werd de sluis altijd Sluis Knol genoemd. Alidus moest na schooltijd maar meteen aan ’t werk, want er waren zeven kinderen thuis en er moest dus geld verdiend worden.
’t Was 1938. Hij kwam terecht bij een boer in de buurt en verdiende daar f 2.50 per week. Als de aardappels van het land moesten, kon hij nog meer verdienen. Dan gaf de boer f 45,00 voor “het krabben” van een hectare. Op de knieën en met de schop werden de aardappelplanten een voor een gerooid en als Alidus hard werkte, kon hij per dag drie roe (drie are) boven de grond krijgen. Voor één roe kreeg hij dan f 0,45; dat was per dag dus f 1,35 en per week (zes dagen!) f 8,10.

De boer was N.S.B-er, maar wel een van de goedmoedige soort. Alidus mocht hem graag plagen door af en toe te roepen “Oranje boven en de poepen (Duitsers!) d’r onder!”. De boer lachte dan maar wat om die kwajongen. ’t Werd anders, toen in 1939 de oorlog tussen Duitsland, Engeland en Frankrijk uitbrak en er af en toe soms groepen vliegtuigen hoog overvlogen. Dan zei de boer uitdagend tegen Alidus: “Daor komt de oenzen weer an!”. Daarmee de Duitsers bedoelend. Alidus, niet op zijn mondje gevallen, antwoordde dan steevast: “Nee, dat bent de oenzen!”. Waarmee hij de Nederlandse oorlogsvliegtuigen bedoelde. ’t Waren maar onschuldige plagerijtjes tussen de boer en arbeider en geen van beiden meenden ze ’t ernstig. Dat zou echter plotseling veranderen!

’s Morgens om half zes, op vrijdag de tiende mei 1940, kom over de weg aan de andere kant van het kanaal grauwe soldaten te paard aanrijden. Plompe helmen op het hoofd, het geweer voor de borst. De bewoners van de brugwachterswoning zijn allang wakker. Het gedreun van overvliegende bommenwerpers en de harde knallen van de in de lucht vliegende bruggen in de omgeving hebben iedereen gewekt. Bij Sluis Knol is ook springstof onder de brug aangebracht; er komen echter geen Nederlandse soldaten om haar te vernielen. De brug bij Sluis Knol wordt vergeten!

Alidus en zijn vader hebben toch nog gauw even de koeien gemolken en als ze klaar zijn, zijn dochter Tine met haar man en twee kinderen bij de sluis aangekomen. Ze zijn uit Coevorden komen lopen, want daar dreigt het meeste gevaar.

“De Duutsers komt’r an!”, roept vader Knol en ja hoor, daar komen ze. Juist hier, recht op de brug aan. De paardenhoeven bonken op het brugdek, de ruiters stijgen af en vragen op hoge toon water. Ze drenken de paarden uit de regenput en lopen vol machtsvertoon het huis binnen om zelf ook te drinken. Vader Knol ziet het aan en maakt zich kwaad. Maar hij zegt niets.

De jonge Alidus koestert dezelfde gevoelens. Woede, haat tegen die brute vijanden, die zo maar het huis binnenstampen op hun zware laarzen. Die gevoelens zullen ze nooit meer vergeten.

De Duitsers trekken verder, over de Reindersdijk, richting Dalen. Er zijn ook enkele karren met paarden bij en daarna daveren er nog motorrijders en enkele kleine vrachtwagens over de brug. Dan wordt het weer stil bij Sluis Knol. De oorlog is begonnen voor Alidus!

Hij wil eigenlijk niet meer terug naar zijn N.S.B.boer; die hoort nu bij de vijand. Maar omdat er geld verdiend moet worden, gaat hij er toch maar een paar dagen heen. Daarna kan hij scheepsjager worden. Vader heeft een paard voor hem gekocht, waarmee hij schepen door de kanalen kan trekken.

Een prachtig vrij en zwervend bestaan wordt het. Alidus doet zijn werk goed en hij krijgt vaste klanten onder de schippers, die op hem rekenen en die altijd een beroep op hem kunnen doen. Vaak vertrekt hij al om drie uur ’s morgens met zijn paard om zo’n vaste schipper op te halen in Zwartemeer. Om acht uur is hij daar dan, maakt het turfschip vast en komt om zeven uur ’s avonds weer bij Sluis Knol aan.

Na het schutten trekt hij het schip nog naar Coevorden en gaat dan naar huis. ’s Nachts boomt de schipper zijn vaartuig zelf om de stad heen en de volgende morgen om zes uur is Alidus alweer present om het schip naar Vriezenveense wijk in Overijssel te brengen. In die twee dagen verdient hij dertig gulden. Dat is nog eens wat! Als hij geluk heeft, kan hij nog een leeg turfschip mee terugnemen. Naar Zwartemeer!

Bij Sluis Knol blijft het rustig die eerste oorlogsjaren. Op een nacht echter kladderen N.S.B.ers de brug vol met hakenkruizen (het Duitse oorlogssymbool). Alidus, zijn broer Jan en een paar buurjongens schilderen daar de volgende dag overheen: “Oranje zal bloeien en nooit vergaan. Leve de Koningin!”. Een N.S.B.er waarschuwt de politie, want de koningin en het woord Oranje mogen in bezet Nederland niet meer genoemd worden. De commandant van de marechaussee in Coevorden komt persoonlijk kijken. Hij heeft zelf ook een hekel aan N.S.B.ers en Duitsers en zegt: “Prachtig, prachtig!”. En daarna: “Maar je moet ’t maar niet meer doen!”. Jan en Alidus maken de brug weer schoon en verwijderen de hakenkruizen.

Jan wordt sluiswachter in de plaats van zijn vader, want dan hoeft hij niet naar Duitsland. De Duitsers roepen alle jongemannen op om daar in de fabrieken te gaan werken. Alidus, die in januari 1944 negentien jaar wordt, krijgt ook een oproep. Hij wil niet. “‘k heb d’r geen land liggen, ‘k ga d’r niet hen!”, besluit hij in stilte. Om drie uur ’s middags moet hij met de trein vanuit Coevorden naar Hamburg met bestemming “Nordmark, station Hamburg” vertrekken. Om één uur vertrekt hij al, een koffertje met kleren achterop de fiets. Een meisje uit de buurt, dochter van een N.S.B.er, is bij het vertrek van de opgeroepen jongens aanwezig, want ze vindt, dat ze belangrijk werk in Duitsland gaan doen. Ze mist Alidus en meldt de Landwacht (gewapende N.S.B.ers) dat hij niet meegegaan is. Diezelfde avond wordt er bij de familie Knol huiszoeking gedaan, maar Alidus wordt niet gevonden. Hij is ondergedoken!

Hij is in één ruk naar Dedemsvaart gefietst, waar zijn zuster en haar man met hun schip op de scheepswerf liggen. Hier blijft hij aan boord, tot het echtpaar vertrekt en dan gaat hij naar een boer in Dedemsvaart, waar hij als knecht kan gaan werken. Dat gaat heel goed, tot op een nacht de boer alarm slaat en schreeuwt: “D’r uut! D’r komt landwacht an!”. Alidus schiet een overall aan en rent naar buiten, het land op, waar met loof toegedekte aardappelbulten staan. Hij kruipt onder het loof en blijft stil liggen. De landwachters zoeken urenlang, maar vinden hem niet. ’s Morgens vroeg komt hij totaal verkleumd weer op de boerderij terug. De boer is doodsbang en niet zonder reden. Alidus’ aanwezigheid is verraden en een paar nachten later is er weer een overval. Alidus kan zich nu redden door zich tussen het wasgoed op de zolder te verstoppen.

Hij besluit nu niet langer te blijven en fietst naar zijn ouders terug. Wel wat erg overmoedig, maar een kat in het nauw maakt soms rare sprongen. Hij kan hier natuurlijk ook niet blijven en gaat daarom de volgende dag al weer naar De Krim. Via Hoogeveen komt hij nu samen met nog enkele andere onderduikers terecht bij een boerenechtpaar met één zoon in Nieuw-Balinge. ’t Is maar een kleine keuterboer, maar wel een heel moedige. Er zijn ook nog twee Joodse kinderen ondergebracht en de verzetsgroep van het dorp komt er vaak bijeen. Soms zitten er wel dertien mensen tegelijk te eten. De verzetsmensen hebben overal wapens verstopt en Alidus slaapt met handgranaten onder zijn kussen. De groep overvalt in Duitse uniformen de gevangenis in Assen en bevrijdt daar door de Duitsers gearresteerde gevangenen. Eén lid van de groep wordt daarbij doodgeschoten. Alidus en de andere onderduikers helpen zoveel ze kunnen. Ze maken wapens schoon en nemen deel aan “droppings”, waarbij midden in de nacht door geallieerde vliegtuigen wapens uitgeworpen worden. Met lantaarns in een grote kring staand, geven ze dan het afwerpterrein aan.

Al in de tweede nacht van zijn verblijf hier is er alarm. “D’r uut, d’r komt auto met landwacht!”, roept Albert Lowijs, de boer. Iedereen stormt de boerderij uit en onderduikers, verzetsmensen en de kinderen duiken in een droge sloot. Er is gelukkig niets aan de hand; de auto blijkt een wagen met kunstmest te zijn.

Maar ’t gaat niet altijd zo voorspoedig. Als Duitsers en landwachters een “razzia”, een klopjacht, in de hele omgeving houden, bivakkeren ze allemaal in een bos. Elke dag brengt Albert Lowijs eten. Als de kust weer veilig is, gaan ze terug naar de boerderij en Albert fietst naar Sluis Knol om te zeggen, dat alles goed gegaan is. Berichten over razzia’s worden ook in de kranten vermeld en Alidus’ ouders zijn dus op de hoogte van het gevaar, waarin hij verkeert.

Er gebeurt ook nog een ongeluk. Alidus en een mede-onderduiker spelen op een dag met wat wapens zonder dat ze beseffen dat er één geladen is. Er gaat een schot af en Alidus krijgt een kogel door zijn been. Gelukkig niet door het bot, “Maar ’t bloed loopt hem in de klompen!”. hij kan natuurlijk niet naar een dokter en met eindeloos geduld wordt de vleeswond op de boerderij verzorgd. Gelukkig geneest Alidus weer.

Bij Sluis Knol wordt het leven inmiddels ook steeds spannender. Doordat Engelse en Amerikaanse vliegtuigen de Duitse verjaagd hebben, houden ze elke dag vluchten boven Nederlands bezet gebied en schieten op elk varend schip. Zo’n schip kan immers ook belangrijke goederen voor de Duitsers vervoeren! Daarom wordt er uitsluitend ’s nachts gevaren en dus ook ’s nachts geschut. Bij Sluis Knol gebeurt er van alles. Er wordt turf geruild tegen spek en rogge, korven vlees gaan de ruimen in en “bergen” turf veranderen van eigenaar. Sommige schippers komen met een halve lading aan. De rest is overboord geraakt, verklaren ze. Veel van de zo verkregen levensmiddelen worden zwart, voor veel te hoge prijzen, verkocht.

Tot begin april blijft Alidus in Nieuw-Balinge. Als hij hoort dat Coevorden bevrijd is, wil hij naar huis, maar Albert Lowijs vindt, dat hij toch nog even moet blijven. “Wij hebt nog een zwien van driehonderd pond en dat mut je nog even helpen slachten!”, beslist hij. Een varken slachten in de schuur is verboden en dus moet het stil gebeuren. Met een stok en een touw wordt het zwien de keel dichtgedraaid en dan steekt Albert toe. Zo kan ’t arme dier geen lawaai maken. Teruggekomen bij Sluis Knol blijkt de brug in de lucht gevlogen te zijn. Vluchtende Duitsers op gestolen fietsen hebben haar op 5 april tijdens hun terugtocht vernield. De familie heeft bijtijds het sluiswachtershuis kunnen verlaten, maar de woning is ernstig beschadigd. De stukken ijzer zijn tot ver in de omtrek terechtgekomen. Alidus gaat naar het inmiddels bevrijde Coevorden, maar kan dan niet meer terug. Dalen is nog niet vrij en de B.S.(Binnenlandse Strijdkrachten-burgermilitairen) laten niemand door. Alidus sluit zich bij hen aan en krijgt een pistool als wapen. De B.S. gaat N.S.B.ers arresteren, die in een pand in Coevorden opgesloten worden. Enkele gevangenen dragen klompen, die ze bij het betreden van hun nieuwe onderkomen netjes voor de deur zetten. Een Coevordenaar komt langs, ziet de klompen staan en kiest het beste paar uit. “Die komt toch niet terug, die past mij wel!”, zegt hij, terwijl hij het aantrekt en zijn eigen afgesleten paar voor terug zet. Op 9 april worden de laatste Duitsers bij de Oosterhesselse brug verjaagd en Dalen is vrij. Samen met andere B.S.ers gaat Alidus de N.S.B.ers van Stieltjeskanaal arresteren.

Verscheidene van hen zijn op hun beurt nu ondergedoken en verschuilen zich in de buurt van de Katshaar. Als de B.S.ers in de lucht schieten, komen ze met de handen omhoog tevoorschijn. Ze worden afgemarcheerd naar Dalen en paar dagen later gaan ze te voet naar Zweeloo en vandaar naar het voormalige Joodse gevangenenkamp in Westerbork.

Langzaam herneemt het gewone leven zijn loop bij Sluis Knol. Er worden weer schepen geschut, maar ’t duurt nog heel lang voordat de brug hersteld is. Alleen voetgangers kunnen via enkele planken, die over de sluisdeuren gelegd worden, passeren. Een komt er een boer, die met ’t zwien naar “de beer” (een mannetjesvarken) wil. Als hij echter al midden op de planken is, maakt het varken een onverhoedse beweging en valt in ’t water, net buiten de sluisdeur. De omloop, de onderaardse buis, die om de sluis heenloopt, staat open. Door de hierdoor ontstane stroming wordt het zwien de buis ingezogen en komt er wonder boven wonder aan de andere kant weer levend uit. Zo wordt ’t beest toch nog gered, “Maar ’t beren was over!” aldus Alidus van Sluis Knol.

Gevecht bij de brug


Met een daverende knal werd de brug vernield.

Het is doodstil bij de Oosterhesselerbrug op die tiende mei, ’s morgens even na zeven uur. Zo juist is met een daverende knal de brug vernield en nu wachten alle mensen in de buurt in angstige spanning op de dingen, die komen gaan. Aan de overkant van het kanaal liggen ruim dertig Nederlandse soldaten in stelling; twee groepen in betonnen bunkers, één groep in een loopgraaf en één groep bij een kanon achter een aarden borstwering. De huizen en boerderijen vlak bij de brug zijn op bevel van de Nederlandse commandant allemaal ontruimd.

Voor de Dalenaars, die aan de Oosterhesselerweg wonen, geldt dit bevel niet. Zij zijn dus nog allemaal aanwezig. Hendrik Schepers, Harm Abbing, Hendrik Blaauw en zijn zoon Hilbrand lopen achter in het land aan de westkant van de weg en turen richting Dalen. Plotseling roept Hilbrand: “Daar komen ze!”. Inderdaad, voorafgegaan door een open terreinwagen komt een colonne Duitse motorrijders de Oosterhesselerweg af. De dreunende motoren verscheuren de stilte en opgeschrikt komen de vrouwen en kinderen van Blaauw en Schepers de huizen uit. Als lamgeslagen staan ze toe te kijken, hoe het grauwe geweld langsrijdt. De Duitse officier, die rechtop in de terreinwagen staat, gebaart gebiedend, dat ze naar binnen moeten gaan. De vrouwen gehoorzamen onmiddellijk, trekken de kinderen mee en verdwijnen achter het huis van de familie Blaauw. Gelukkig maar!



De brug met de versperrende betonringen.

De Nederlandse commandant, luitenant de Vroome, staat achter de borstwering bij het kanon. Hij laat de Duitsers tot zo’n tweehonderd meter naderen. Dan geeft hij het bevel: “Vuur!” en het kanon braakt zijn eerste granaat uit. Tegelijkertijd veegt een hagel van mitrailleurkogels uit de oostelijke bunker over de weg.

De verassing is compleet! De gevechtswagen wordt vol getroffen en de rechtopstaande officier wordt aan hoofd en arm gewond. De motorrijders, voor zover niet geraakt, zoeken dekking in de bermsloten. De vrouwen vluchten met hun kinderen in de op het land staande rogge. De mannen zien hen wegrennen en voegen zich bij hen. Kruipend door de sloten ontkomen ze ongedeerd en vinden onderdak bij de familie Kiers in de Sombroeken.

Het gevecht bij de brug gaat voort. Nog tweemaal vuurt het kanon en dan stort het schietgat in de borstwering in en het is onbruikbaar geworden. De geweerschutters in de loopgraaf en de mitrailleurs in de bunker blijven echter onverminderd schieten en de Duitsers komen geen stap verder. Ze krijgen echter versterking. Het ruiter-eskadron, dat inmiddels door Dalen getrokken is, komt op het gevechtsterrein.

De Duitsers rukken nu op, al kruipend en schietend door het terrein naast de weg. Enkele lichte kanonnen, die de ruiters meegevoerd hebben, houden de bunker onder vuur. Toch blijven de Nederlanders doorschieten, maar ze kunnen niet voorkomen, dat de vijand het kanaal bereikt. Bij het oversteken van de weg langs het kanaal wordt de Duitse eskadroncommandant, die voorop gaat, dodelijk getroffen.

In de Nederlandse loopgraaf zakt plotseling soldaat Van der Voort in elkaar; hij is gesneuveld. Het zet zijn kameraden alleen maar aan tot nog fellere tegenstand. Toch kunnen ze de ongelijke strijd niet volhouden. Een Duitse stoottroep van geharde soldaten sloopt een paar honderd meter ten oosten van de brug de baanderdeuren uit de boerderij van Albert Oosting. Ze gebruiken ze als vlotten en steken ongezien het kanaal over.

Nu vallen ze de Nederlanders van opzij en in de rug aan en tegen dit onverwachte geweld zijn de dappere verdedigers niet opgewassen. Vierentwintig Nederlandse militairen geven zich over en worden krijgsgevangen gemaakt. Twee uur lang hebben ze de Duitse overmacht tegengehouden. Een aantal van hen is gevlucht; één soldaat heeft zijn leven gegeven voor het vaderland. Aan Duitse zijde zijn tientallen doden en gewonden gevallen. Onder hen ook de commandant.
Om een uur of vier die middag komen de families bij hun huizen terug. Er is veel schade; de meeste ruiten zijn aan gruizels en overal zijn kogelgaten. “Otien” (oma) Wessels, die in het brugwachtershuisje woont, ontdekt bij het binnenkomen van haar woning, dat het er wemelt van de Duitse soldaten. Ze wordt woedend. “D’r oet! Allemaol d’r oet!”, schreeuwt ze. En…de verbouwereerde Duitsers gaan!

De familie van Dalen, die in het café vlakbij de brug woont, krijgt de volgende morgen vroeg weer opdracht het huis te verlaten. De Duitsers willen met een springlading de klep van de brug, die nog steeds schuin omhoog staat, laten vallen. Opnieuw doet een daverende ontploffing de omgeving daveren. Het is voorlopig het laatste oorlogsgeweld. Met behulp van planken wordt de brug eerst op eenvoudige manier hersteld. Later zal er een nieuwe komen.

Landbouw en Maatschappij
Na de inval van de Duitsers veranderde Landbouw en Maatschappij sterk.


De boerenorganisatie Landbouw en Maatschappij ontstond eigenlijk tijdens een toevallige ontmoeting in een wachtkamer in Groningen. De jonge boeren Hamming en Dieters maakten hier kennis met Jan Smid, referendaris bij het Departement van Landbouw in Den Haag. Smid was van mening, dat de boeren zich eindelijk eens moesten organiseren, omdat hun bedrijven tot nu toe onbeschermd waren. In alle andere beroepsgroepen waren de beoefenaars samengebracht in verenigingen of bonden. De timmerlieden, de schilders, de ambtenaren enz. trokken samen op, als het om gemeenschappelijke belangen ging en de boeren stonden nog altijd alleen. De drie gesprekspartners in de wachtkamer gingen na een langdurige gedachtenwisseling uiteen, maar de twee jonge boeren namen de woorden van Jan Smid zeer ter harte.

Ze nodigden enkele directeuren van landbouwscholen uit voor een gesprek met Smid in Assen. Dit had tot resultaat, dat men besloot de boeren te gaan voorlichten door in verschillende dorpen spreekbeurten te gaan houden. Hier bleek als snel, dat de tijd rijp was voor de stichting van een boerenorganisatie. De Landbouwer De Lange uit Wijster; die goed van de tongriem gesneden was, werd gevraagd als propagandist op te treden.

Hij trok ’s avonds de provincie in en hield voornamelijk lezingen voor plaatselijke landbouwverenigingen. Het resultaat was verbluffend. Er ontstond een “Drentsche Boerenbond” en in bijna elk dorp werd een afdeling opgericht. Drenthe werd verdeeld in vijf districten en elke plaatselijke afdeling vaardigde een lid af naar het districtsbestuur. Uit de vijf besturen werd een hoofdbestuur voor heel Drenthe geformeerd.

In 1933 sloot de Drentse Bond zich aan bij de landelijke organisatie “Landbouw en Maatschappij”. Jan Smid werd algemeen adviseur en het schoolhoofd. W. Otterman uit Wachtum werd voor Drenthe landelijk bestuurslid. Hij nam tal van spreekbeurten voor zijn rekening. Dorpsschoolmeesters waren veelal heel actief in Landbouw en Maatschappij. Ze bezaten immers vaak een landbouwakte en gaven na schooltijd les aan boerenzonen, waardoor ze erg betrokken waren.

Ook in Dalen, Dalerveen en Wachtum werden afdelingen van Landbouw en Maatschappij opgericht. Niet alleen boeren sloten zich aan, maar ook middenstanders en zelfs de burgemeester en de dominee werden lid. Ook landelijk groeide Landbouw en Maatschappij. Op een vergadering in Assen in Zaal Bellevue kwamen zelfs meer dan tweeduizend bezoekers. De jaarlijkse landdagen in de openlucht op de Brink in Rolde werden vooral door de jeugd bezocht. Hier werden films vertoond of werd er een toneelstuk opgevoerd met een sterk propagandische inhoud.

Landbouw en Maatschappij was een begrip geworden. Ook in Dalen. Zo zelfs, dat restauranthouder W. Udema van “Cornelis” een groothandel in koffie en tabak begon, waarbij genoemde producten in wikkels verpakt waren, waarop veel reclame gemaakt werd voor Landbouw en Maatschappij. Van de opbrengst schonk hij een percentage aan de organisatie. Tot ver buiten Drenthe werden de koffie en tabak verkocht.

Na de inval van de Duitsers veranderde Landbouw en Maatschappij sterk. De naam van de organisatie werd veranderd in “Landstand” en de plaatselijke afdelingen moesten voortaan “boerenraden” genoemd worden. De voorzitters werden “boerenleiders”. De nationaalsocialistische ideeën werden steeds meer gemeengoed binnen de Landstand en het gevolg was, dat velen hun lidmaatschap opzegden. Niet alle goedwillende boeren deden dat overigens. Toen de radio’s ingeleverd moesten worden, werden de leden van de N.S.B. en die van de boerenraden van deze maatregel vrijgesteld. Zo dus ook een Daler boer, die lid van de Landstand was gebleven. Toen smid Scholten uit Wachtum eens bij hem op bezoek kwam en de radio zag staan, dacht hij, dat hij N.S.B.er was. Een paar maanden later werd van hogerhand bepaald, dat allen, die geen lid waren van de N.S.B. hun radio alsnog in moesten leveren. De boer wilde geen lid worden en bracht zijn radio dus weg.

Een Joods meisje ontsnapt
Alle dorpsbewoners, ook de N.S.B.ers, gingen gewoon met de Zilverbergs om.


Suze Zilverberg was de dochter van de Daler huisschilder Hartog Zilverberg en zijn vrouw Suzanna ten Brink. Het gezin, dat twee dochters en een zoon telde, woonde in de Westerwijk. Suze werd geboren in 1921 en ging in Dalen naar de lagere school. Daarna bezocht ze de Vakschool in Coevorden.

Het gezin Zilverberg was een van de vijf Joodse families, die voor de oorlog in Dalen woonden. In tegenstelling tot de andere drie gezinnen Bierman en het gezin ten Brink, waren de Zilverbergs geen vrome Joden. De sabbatsheiliging werd niet of nauwelijks in acht genomen en de synagoge in Coevorden werd zelden bezocht. Wel werden Joodse feestdagen gevierd en kwam Rabbi David Krammer regelmatig over de vloer om de kinderen les te gev in de Hebreeuwse taal en in de gewoonten van de eredienst. Suze stak daar overigens weinig van op.

Vader Hartog Zilverberg was een man van aanzien in Dalen. Hij bezat een goed lopend bedrijf, was lid van de handelsvereniging en hij stond met verschillende Daler notabelen, waaronder ook burgemeester Ten Holte, op vriendschappelijke voet. Het gezin was volledig opgenomen in de Daler samenleving en van enige discriminatie, in welke vorm dan ook, was geen sprake. Suze was lid van een toneelvereniging en ging, toen ze wat ouder was, gezellig met andere jongeren uit Dalen dansen.
Op de vakschool voelde ze zich thuis. Ze had er een “sloot vriendinnen”, waar ze heel plezierig mee omging en dat de eveneens Joodse Meta Krammer haar hartsvriendin werd, had niets met lotsverbondenheid te maken. De oorlogsgebeurtenissen en de schandelijke behandeling van de Duitse Joden gingen volledig aan haar voorbij. Ze stond er niet bij stil; ze genoot van haar jeugd.
In 1938 ging Suze van school en ze kreeg een betrekking in de manufacturenzaak van de naamgenoot van haar vader, Hartog Zilverberg, in Coevorden. Een bijzonder mens; fractieleider van de S.D.A.P. en van 1927 tot 1931 wethouder. Bovendien een bekend dirigent van muziekgezelschappen en o.a. oprichter van “Volharding” in Dalen. Hoewel eveneens van “Joodschen bloede” bestond er tussen de beide Hartog’s geen directe verwantschap.

Na de Duitse inval veranderde er aanvankelijk weinig in het leven van Suze Zilverberg. Toen echter in 1940 alle Joodse rijks- en gemeente ambtenaren ontslagen werden en in januari 1941 de bioscopen “voor Joden verboden” werden verklaard, sloeg een stille angst toe. Die werd nog vergroot, toen kort daarop naar aanleiding van plunderend en vernielend optreden van N.S.B.ers in de Jordaan honderden Amsterdamse Joodse jongemannen werden opgepakt en weggevoerd. Die hierop volgende “Februaristaking” stak wel een hart onder de riem, maar door de harde Duitse tegenmaatregelen werd de dreiging weer verder versterkt.

Vader Zilverberg praatte zichzelf en zijn gezin moed in. “Ze doen ons niks!”, zei hij herhaaldelijk. “Wie zou ons nou wat moeten doen? Iedereen kent ons toch in Dalen en burgemeester Ten Holte is een vriend van mij!”. En inderdaad, in Dalen gebeurde niks. Alle dorpsbewoners, ook de N.S.B.ers, gingen gewoon met de Zilverbergs om; ze hoorden er nog steeds bij. Dat gold voor alle Joodse gezinnen: de weduwe Eva Bierman met twee zoons, haar derde zoon Izak met diens vrouw en drie kinderen, het kinderloze echtpaar David en Jet Bierman, de weduwnaar Izak Bierman en de Zilverbergs.

Er kwamen steeds meer landelijke beperkingen. Het bezoek aan openbare gelegenheden, aan parken en zelfs aan cafe’s werden voor Joden verboden. Overal kwam het vervloekte bord, dat dit verbod uitdrukkelijk vermeldde, voor de ramen te hangen. Behalve hier in Dalen, waar een vastbesloten en onvervaarde Ten Holte het wist te verhinderen. Hier woonden immers haast geen Joden!

Maar aan het dragen van de gele Davidsster met het woord Jood erop konden de Zilverbergs en de andere Daler Joden toch niet ontkomen. Op Duits bevel en met medewerking van de Joodse Raad werd het dragen van de ster op de bovenkleding in mei 1942 verplicht gesteld. Suze haatte de ster. Hij dwong haar apart te zijn en belemmerde haar in haar vrijheid. Daarom deed ze hem af als ze naar (een voor haar verboden!) dansavond in zaal Huizing ging en daarom in Coevorden bij haar vriendin of bij de Zilverbergs overnachtte. Als er Dalenaars in de zaal waren, werden deze na afloop door Coevorder vrienden aangesproken. “Denk erom dat je je mond houdt over Suze!”. En dat deden ze dan ook! Niet zo zeer voor de mensen in Dalen, maar vooral voor vader Hartog, die zich streng aan de regels hield en dus niets van het danszaalbezoek en het verwijderen van de ster mocht weten.
Begin september vertrok Suze naar Assen. De familie Nathans, zeer bevriend met haar tante daar, had hulp nodig en Suze die eindelijk wel eens op eigen benen wilde staan, besloot hier het huishouden te gaan doen. Haar vader was het er niet mee eens, maar wilde haar ook niet tegenhouden. Wel had hij gewaarschuwd: “Denk erom, als je eruit gaat, ga je voor minstens een jaar! Je kan niet zomaar terugkomen!”. Suze had doorgezet, maar kreeg na drie weken toch heimweegevoelens en besloot weer naar Dalen te gaan. Thuisgekomen mocht ze overnachten, maar de volgende morgen moest ze “per kerende tram” weer terug. Het zou de laatste keer zijn, dat ze haar vader, moeder, broer en zuster zag. Ze werden in de nacht van twee op drie oktober 1942, samen met de andere Joodse gezinnen op Duits bevel en door Daler politiemensen gearresteerd en daarna per bus naar Westerbork gebracht. David en Jet Bierman doken onder in Oosterhesselen.
In de avond van de tweede oktober 1942 wordt er bij de familie Nathans hard en herhaald aangebeld. Suze doet open en staat oog in oog met een drietal politiemensen, die naar binnen willen. Ze lopen door de gang naar de huiskamer, waar alle gezinsleden bij de tafel zitten. Suze volgt hen tot de deur en loopt dan door. Ze weet genoeg. Overal worden immers de laatste tijd Joden opgepakt. Er is voor haar maar een oplossing nu. Door de achterdeur naar buiten! Weg!

Nog maar nauwelijks op straat loopt ze Geert van Wijk, de bakkersknecht, die altijd bij de Nathans brood bezorgt, tegen het lijf. Geert is bezig zijn Joodse klanten te waarschuwen, maar hij is hier net te laat. Nu dus niet! “Mond houden!” zegt hij tegen Suze. “Vlug weg! Ik breng je naar mijn huis, naar de witte de Withstraat. We doen net of we een vrijend paartje zijn!”. En hij slaat zijn arm om haar heen.

Er zijn veel N.S.B.ers en politiemensen op straat en telkens als er een paar in de buurt komen, verliezen “de gelieven” zich in elkaar. Enkele keren worden ze met zaklantaarns beschenen en er worden wat opmerkingen gemaakt. Maar.. ze worden ongemoeid gelaten; de list werkt uitstekend. Behouden komen ze aan in het huis waar Geert met zijn ouders woont. Hier blijft Suze een week. Hier hoort ze, dat ook in Dalen de Joden zijn weggevoerd. Vader, moeder, haar zusje en haar broer zitten gevangen in kamp Westerbork!

Na een week wordt ze door iemand opgehaald en naar Emmen gebracht. Zonder Davidsster en met een hoofddoek om fietst ze met haar onbekende begeleider dwars door het Drentse land naar de familie Dorsman aan de Parallelstraat. Hier wordt ze opgeborgen op een bovenkamertje; ze moet er zoveel mogelijk blijven en kan niet naar buiten. Alleen Geert van Wijk komt bij haar op bezoek. Hij zorgt voor bonkaarten en houdt haar op de hoogte. Hij vertelt haar ook, dat haar vader, die bij zijn arrestatie als gezondheidsklachten had, op 9 november overleden is en begraven op de Israëlitische begraafplaats in Assen.

Anderhalf jaar blijft ze bij de familie Dorsman, anderhalf jaar zit ze opgesloten. Alweer via Geert hoort ze, dat haar moeder, broer en zusje weggevoerd zijn naar Duitsland. Ze hebben een briefje uit de trein gegooid, dat Geert bij zich heeft. “We zitten in de trein. Op transport. Waar Suze is, weten we niet. Alle mensen bedankt voor wat ze voor ons gedaan hebben!”, zo luidt de tekst. Later, pas na de oorlog, zal Suze vernemen, dat ze alle drie in kamp Sobibor vergast zijn.

Na anderhalf jaar gaat ze dus weg. Het is niet langer vertrouwd hier. Ze gaat naar Emmercompascuum en komt bij de familie Moorlag, op een grote boerderij. Hier heeft ze meer vrijheid. Ze moet wel binnenblijven, maar als ze vroeg opstaat, mag ze buiten even helpen. Daarna, na ongeveer een jaar, wordt ze ondergebracht bij slager Bliede in Nieuw-Dordrecht. Ze is er maar heel kort en nu gaat ze naar de familie Meester in Klazienaveen, die een textielzaak en een houtstek heeft.

Het is een gastvrij gezin, waarin ze opgenomen wordt. Ze mag af en toe, als alles veilig is, naar buiten en ze gaat een enkele keer mee naar de kerk. De familie is trouw meelevend Nederlands Hervormd. Om niet op te vallen (ze heeft ravenzwart haar!) draagt ze een hoofddoekje en een bril. De kerk interesseert haar en ze wil meer weten van het Christendom. Daarom krijgt ze catechisatielessen van meneer Prins. Zoon Jan, die kerkorganist is, geeft haar orgelles. Haard godsdienstig besef wordt niet weinig versterkt, als er bij de familie een overval door de Gestapo plaats vindt. Ze zijn allemaal aanwezig, ook Suze. De Duitsers staan voor hen in de kamer en iedereen denkt: “Nu is het afgelopen!”.

Niemand zegt iets; de spanning is te snijden! Ineens draait de commandant van de groep, een beruchte S.S.er, zich om en zegt: “Weg!”. En ze gaan! Ze zijn er allemaal kapot van en Suze gaat om bij te komen een paar dagen naar wijkverpleegster Wesselink in Nieuw-Dordrecht. “Ik heb dit altijd gezien als God’s weg, een Godswonder!”, zegt ze nu nog.

Jan en Suze raken verliefd op elkaar. Moeder Meester vindt dat maar niks, maar Jan trekt zich er weinig van aan. Suze wel, want ze wil geen onvrede in het gezin. In de afgelopen drie jaar heeft ze geleerd zich te schikken naar de wensen van hen, die gastvrijheid verlenen. Tenslotte wagen zij hun leven!

Op 11 april 1945 komt de bevrijding. Suze mag zich vrij bewegen; ze mag zo maar de straat op! ’t Is een onbeschrijflijk gevoel – de mensen, die haar begroeten en niet van haar bestaan afweten – de vreugde en tegelijk de eenzaamheid. Want ze beleeft dit allemaal alleen, zonder haar ouders, zonder haar broer en zus. Ze klampt zich vast aan Jan. Hij is de enige die ze nog heeft.

Kort na de bevrijding gaat ze terug naar Dalen, samen met Jan’s moeder. Die wil graag eens zien waar Suze gewoond heeft. Het ouderlijk huis blijkt door andere mensen bewoond te zijn, maar ze wordt er gastvrij ontvangen. De hele buurt loopt uit, blij en opgewonden. Suze Zilverberg is terug! Burgemeester Ten Holte laat vragen of ze naar het gemeentehuis wil komen. Hij ontvangt haar als een verloren dochter en vertelt haar, dat hij bij de bus persoonlijk afscheid van haar ouders en haar broer en zus. Als een vriend! “Als ik je ergens mee kan helpen, dan kan je op mij rekenen!”, verzekert hij haar. Als ze teruggaan naar Klazienaveen, is moeder Meester omgedraaid als een blad aan een boom. Wat een mooi huis en de mensen hebben zoveel goeds over haar en haar familie verteld!

Suze blijft de eerstkomende tijd in Klazienaveen. Ze verkoopt al heel snel haar huis aan de Westerwijk. Ze wordt officieel Hervormd, laat zich dopen en doet belijdenis. En ze trouwt natuurlijk met Jan. Als hij in Rotterdam gaat studeren, gaat ze met hem mee. Ze komen terug naar Klazienaveen en dan komt na vier jaar Jan bij een verkeersongeluk om het leven.

Weer staat Suze er helemaal alleen voor. Nu met twee kleine kinderen, voor wie ze moet zorgen. Ze begint een hoedenzaak, die uitgroeit tot een bloeiende winkel in dames- en herenlingerie. Dank zij haar opgewekte natuur, maar vooral dankzij God’s weg in haar leven, redt ze het. Daar is ze rotsvast van overtuigd!

Van de vijf Joodse gezinnen, die in 1942 in Dalen woonden, keerden alleen Suze Zilverberg en David en Jet Bierman terug. Dertien Daler medeburgers werden op afschuwelijke wijze vermoord!


Aanvullende opmerking van lezer Dick ten Heuvel.

Op de site van herdenking Dalen bij een joods meisje heb ik een opmerking. Er wordt geschreven in het vluchtverhaal dat zij in Klazienaveen bij de familie Meester kwam.

Dit is volgens mij niet helemaal juist. Zij kwam bij de familie Heldring die daar een houtstek had en mijn tante Aleid Meester had naast het houtstek een winkel in manufacturen.

Dat werd Meester genoemd omdat er in Klazienaveen nog een winkel was die Heldring heette. Mijn tante had daar een winkel aan de ene kant van het houtstek omdat Heldring rijk was en aan de ander kant nog een mooi huis had.

Mijn oom Jaap Heldring had een drank probleem en daarom kreeg hij van de familie een baan op het kantoor van de houthandel. Later zijn ze nog gescheiden en in 1950 opnieuw getrouwd.

Mijn tante was zeer gelovig bij het dweperige af. Dus dat NH komt wel goed uit. Zij was onderwijzeres aan een christelijke school. Zeer tegen de zin van haar vader.

Toen de latere mevrouw Menkveld van hier in stad op de kweekschool was, in de derde klas, vroeg haar vader of ze ook aan het christelijk onderwijs wilde gaan lesgeven en het antwoord van tante Mannie was ja, toen moest ze direct van school af. Dit is nog gebeurt in Nw. Pekela nog voor 1918.

In 1918 kwamen ze met de hele familie in Coevorden wonen. Café de Blauwe Vaan (Friesestraat) hadden ze toen gekocht.

Demeter in oorlogstijd
In 1940 telde de vereniging honderdtachtig leden en donateurs.


Demeter was de Vereniging van Oud-leerlingen van Landbouwcursussen en -scholen in de gemeente Dalen, die opgericht was in 1931. De naam was ontleend aan de Griekse godin van de landbouw. In 1940 telde de vereniging honderdtachtigleden en donateurs en haar werkgebied strekte zicht uit over Dalen, Dalerveen, Stieltjeskanaal en Wachtum. Het doel van Demeter was de uitbreiding van kennis van haar leden op het gebied van de akkerbouw en de veeteelt. Hiertoe werden vergaderingen met deskundige sprekers belegd, gewassen en graslandkeuringen georganiseerd en stalvoedercontroles uitgeoefend. Ook werd een proefveld aangelegd.

Demeter bestond uit jonge boeren met hart voor hun beroep. Het actieve bestuur liet zich adviseren door Daler deskundigen als dierenarts F. Mulder en de beide landbouwleraren J. van Delden en G. de Haan. Al met al vertoonde de vereniging bij het uitbreken van de oorlog een rooskleurig beeld.

Dat zou al gauw veranderen, doordat vooral de N.S.B.boeren uit Dalerveen, die leden van Demeter waren, meer politieke medestanders in het bestuur wilden. Bovendien eisten zij, dat de vereniging nauw zou gaan samenwerken met de door de N.S.B. ingestelde Boerenraad en de voorzitter hiervan, de zogenaamde boerenleider. Het bestuur probeerde de vrede te bewaren en belegde daarom een vergadering in Dalerveen. Daar ging het echter hard tegen hard en er werd aan de N.S.B. verlangens niet toegegeven. Een half jaar later bedankte het Dalerveense bestuurslid.

Dat er nu moeilijkheden zouden komen, lag voor de hand. De N.S.B. probeerde immers op elk maatschappelijk gebied beslissende invloed af te dwingen. Toen Demeter dan ook in het begin van 1942 een filmavond wilde organiseren, eiste de boerenleider de leiding van de bijeenkomst op. Dat mislukte. Nu moest voortaan voor elke te houden vergadering vergunning gevraagd worden aan de Landstand, het overkoepelende orgaan van de boerenraden. Omdat de Landstand, alvorens een beslissing te nemen, altijd advies vroeg aan de boerenraad in de desbetreffende gemeente, kreeg Demeter geen toestemming meer om bijeenkomsten te beleggen. Tenzij de boerenleider of een lid van de boerenraad de vergadering bijwoonde om te controleren of er ook zaken besproken werden, die strijdig waren met de belangen van de N.S.B. of de Duitse bezetter.

Het bestuur wilde niet op deze voorwaarde ingaan en hierdoor ging een inmiddels op 30 maart 1942 vastgestelde bijeenkomst niet door. Het voortbestaan van Demeter had nu geen zin meer en het bestuur besloot de vereniging dan maar op te heffen. Omdat men wel besefte, dat de N.S.B. nu de activiteiten zou willen voortzetten, schreef de secretaris in alle haast het notulenboek van de ledenvergadering over.

Hierdoor zou de geschiedenis van Demeter tenminste bewaard worden! En inderdaad, kort na de opheffing kwam de boerenleider alle bezittingen van de vereniging voor de N.S.B. opeisen. Onder de naam A.J.B. (Algemene Jonge Boerenbeweging) werd Demeter nu door een handvol N.S.B.gezinde boeren voortgezet. Het afgetreden bestuur bleef echter onopgemerkt bijeenkomen en vergaderde ook enkele malen met het bestuur van zustervereniging Ceres uit Coevorden, die naar de Romeinse godin van de landbouw genoemd was. Ook deze vereniging was onder N.S.B.druk opgeheven.

Na de bevrijding werden de boerenleider en zijn medestanders gedwongen alle bezittingen van Demeter persoonlijk terug te brengen. Het notulenboek bleek nog aanwezig, maar er was totaal niets aan toegevoegd. De A.J.B. had letterlijk niets gedaan in de afgelopen drie jaar. Zelfs het zo zorgvuldig bewerkte proefveld was totaal verwaarloosd. Demeter moest alle activiteiten vanaf het begin weer opbouwen.

In verzet


Dan komen de Duitsers langs! Motorrijders en paardenvolk.

Harm Veldhuis was een eigenzinnig, vroegwijs jongetje. Toen hij in 1927 van de lagere school kwam, wilde meester Hoving hem naar de Ambachtsschool in Coevorden sturen, maar dat ging niet door. Harm wilde niet. Er was veel werkeloosheid en verschillende jongens met een diploma van deze school konden geen werk vinden en kregen een rijksdaalder in de week. Harm wilde meer bereiken!

Hij ging eerst bij een boer werken en nam er een krantenwijk bij. Tussendoor hielp hij zijn vader, die behalve boer ook plaatselijk zaakvoerder bij de varkenscentrale was. Vader Veldhuis was eerst varkenshandelaar geweest, maar door de slechte tijden was alle persoonlijke handel in slachtdieren verboden en die mocht nu alleen via de centrale plaats vinden. Harm volgde nog een boekhoudcursus en kreeg de kans een dag per week assistent-landmeter te worden. Toen hij tenslotte ook nog bij de Daler zuivelfabriek flesjes mocht gaan “intappen”, was hij een druk bezet mens geworden. Temeer daar hij tussendoor ook nog ging handelen in kalveren.

Toen W. Udema van hotel Cornelis hem vroeg daar in dienst te komen, zegde Harm zijn werk aan de zuivelfabriek op. Hij werd ober in het hotel, deed er alle voorkomende werkzaamheden en verzorgde de likeurstokerij, die Udema er ook nog op na hield. Drie dagen in de week ging hij nu met de landmeter mee en op dinsdagavond en vrijdagavond bezorgde hij de kranten. ’s Morgens vroeg, “voor de landmeter aan”, ging hij vaak nog een paar boeren bezoeken om kalveren te kopen. Zo werkend verdiende Harm twintig tot eenententwintiggulden per week. Dat was wel wat anders dan je hand ophouden voor een rijksdaalder!

Op 8 mei 1940 kwam er een ommekeer in zijn bestaan. Zijn vader, die al geruime tijd met zijn gezondheid sukkelde, overleed na een verblijf in het ziekenhuis in Zwolle. Harm’s oudere broer Olf, die in militaire dienst was, kreeg verlof voor de begrafenis en kwam naar huis. Naar de gewoonte van die tijd werd het lichaam van de overledene opgebaard in de huiskamer van het kleine boerderijtje aan de Reindersdijk, waar de familie woonde. De luiken voor de ramen werden dag en nacht gesloten gehouden en in het halfduister leefde het gezin letterlijk in diepe rouw. Vader moest vijf dagen in de kist opgebaard blijven liggen. Zo wilde het de traditie.

Op de morgen van de tiende mei zijn Harm en zijn broer om vijf uur in de wei aan het melken. Er komen veel vliegtuigen over, maar de broers denken, dat het oefenende Nederlandse toestellen zijn. Als echter de knallen van de ontploffende ladingen onder de bruggen in de omtrek weerklinken, haasten ze zich naar huis. Daar zetten ze behoedzaam het toestel van de radiodistributie aan en dan wordt alles duidelijk. Het is oorlog! Ze begraven onmiddellijk het soldatenuniform van Harm’s broer in het kippenhok, want als burger loopt hij veel minder gevaar. Harm fietst nog snel naar de boerenleenbank van Wolter van Tarel en neemt vijftig zilveren guldens op, die ook in het kippenhok verborgen worden. Dan hebben ze wat achter de hand. Harm’s zuster met haar zoon komt ook nog bescherming in het ouderlijk huis zoeken.

Dan komen de Duitsers langs! Motorrijders en paardenvolk. Hier en daar stappen ruiters af om hun paarden te laten drinken, maar het huis met de gesloten luiken rijden ze voorbij. Ook Duitsers weten wat dit betekent. “’t Was net een onweersbui, die Duitse inval!”, herinnert Harm zich nu. “’t Was zo voorbij!”.

Drie dagen later wordt vader Veldhuis begraven en dan is Nederland nog volop in oorlog. De familieleden zijn niet voltallig aanwezig, want verschillende jongens zijn in militaire dienst en nemen deel aan de gevechten. ’t Wordt een gedenkwaardige begrafenis. Tijdens het samenzijn na afloop wordt met geen woord over de overledene gesproken. Iedereen heeft het over de oorlog en over het lot van de soldaten in de familie.

Harm wordt nu in plaats van zijn vader varkenshandelaar. De alles regelende centrale wordt opgeheven; de handel is weer voor ieder toegankelijk. In zijn vrije uren blijft hij werken in hotel Cornelis. Als in 1941 Udema, die N.S.B.er is, zich als vrijwilliger bij het door de Duitsers ingestelde Arbeidsfront meldt, neemt Hendrik Bos Rzn het bedrijf over. Harm werkt hem nog een tijde in en gaat zich daarna helemaal aan de varkenshandel wijden.

Om dag en nacht “bij de weg” te kunnen zijn, probeert hij een “Ausweis”, een doorlaatvergunning, te krijgen. Hoewel hij niet meer bij de landmeetdienst werkzaam is, krijgt hij er een als meetarbeider en gebruikt het papiertje vervolgens uitsluitend om bij de boeren ’s avonds varkens te kunnen kopen. Hij verkoopt de dieren aan iedereen, die vlees nodig heeft en er zijn klanten genoeg. Voor Harm is alleen de handel belangrijk; met de oorlog bemoeit hij zich niet. En aan verzet tegen de Duitsers denkt hij al helemaal niet. Dat zal echter veranderen.

Als in mei 1943 als protest tegen de wegvoering van officieren van het vroegere Nederlandse leger de zogenaamde Meistaking uitbreekt, behoort Harm tot een van de actievoerders in Dalen. Tegen dit onrecht moet wat gebeuren, vindt hij. De boeren weigeren nog langer melk te leveren en gieten de kostelijke vloeistof in de sloten of op het weiland uit. De Duitser reageren niets en niemand ontziend en laten een groot aantal Nederlanders zonder meer doodschieten. Hierdoor gaan de stakers weer aan het werk. Gelukkig zijn er in Dalen geen slachtoffers te betreuren.

Kort na de staking, in de nacht van 13 op 14 mei, stort vlakbij het boerderijtje van de familie Veldhuis een Canadese bommenwerper neer. Als ze van de eerste schrik bekomen zijn, klimmen Harm en Olf in de romp van het toestel en vinden daar het lichaam van de omgekomen piloot. Ze nemen patroonbanden en een radiozender mee. De patronen gooien ze in een sloot en de zender begraven ze bij een boer in de buurt. Burgemeester Ten Holte is ook al snel op de plaats van de ramp aanwezig en ook hij laat zich niet onbetuigd. Hij neemt een opblaasbare rubberboot mee.

De Duitsers komen en zetten het terrein af. Er worden vier dode Canadezen gevonden; twee in het toestel en twee erbuiten. Drie leden van de bemanning hebben met een parachute het vliegtuig op tijd kunnen verlaten en zij worden gevangengenomen. De vier slachtoffers worden enkele dagen later in Dalen begraven; Harm Veldhuis en de burgemeester zijn erbij aanwezig en leggen bloemen op het graf.

Het gebeuren krijgt een gevaarlijk vervolg. De Duitsers missen wapens en apparatuur, als ze het vliegtuig grondig onderzoeken er wordt een opsporingsactie ingezet. Dat duurt vrij lang, maar tenslotte komen ze door rondvertelde geruchten tot de overtuiging, dat de burgemeester en Harm er meer van moeten weten. Op maandag 6 december worden beiden in opdracht van de Duitse Sicherheitsdienst gearresteerd en op 7 december naar het huis van bewaring in Groningen overgebracht.

Harm wordt de dag daarop naar het door martelingen beruchte Scholtenshuis gebracht en verhoord door de S.D.ers Lehner en Knorr. Hij weigert te bekennen iets uit het vliegtuig meegenomen te hebben en wordt opgesloten in de zogenaamde folterkamer. Hier wordt hij geboeid aan de centrale verwarming en met laat hem daar staan.

In de loop van de dag komen de beide S.D.ers af en toe binnen en vragen, of hij al wil bekennen. Harm weigert beslist. Het wordt avond en nacht en nog steeds staat hij geboeid aan de verwarming. De volgende morgen wordt er een ontbijt binnengebracht en naast het bord leggen de beulen een sigaret.  “Als je bekent, mag je eten en roken!”, zeggen ze. Harm blijft bij zijn weigering en het ontbijt wordt weer weggehaald.

De hele nu volgende dag blijft hij staan en voortdurend wordt hij ondervraagd. Zonder resultaat. ’s Avonds is hij kapot! Zijn voeten zijn zo dik geworden, dat de veters van zijn schoenen geknapt zijn; hij heeft zijn urine laten lopen en zijn polsen zijn door de boeien helemaal ontveld. Toch houdt hij vol. Als hij al staande wat in slaap sukkelt, komt een bewaker hem een glas water in zijn gezicht gooien. In een voorgewende opwelling van medelijden laten de bewakers hem even naar de w.c. wankelen, maar hij wordt door een herdershond weer teruggejaagd.

De volgende morgen, het is dan vrijdag, staat er weer een ontbijt voor hem klaar. Lehner stopt hem een appel in de mond, die er direct door Knorr weer uitgeslagen wordt. “Bekennen”, is de eis, maar Harm blijft standvastig. Tot tien uur duurt de marteling. Dan wordt hij losgemaakt. Na zestig uur!  Zonder ook maar iets losgelaten te hebben. Een haast bovenmenselijke prestatie!

Harm wordt weer overgebracht naar het huis van bewaring. De directeur, die geen N.S.B.er is, vraagt hem of hij ook iets bekend heeft. Op Harm’s ontkennend antwoord krijgt hij een boterham met paardenvlees. In een cel opgesloten, wordt hij deskundig gemasseerd door een ziekenverpleger. Pure weldaden zijn dat.

Drie dagen blijft hij alleen opgesloten. Dan wordt hij opnieuw verhoord. Hij blijft ontkennen en dus gaat hij weer terug. Het regiem wordt nu wat verzacht en hij krijgt een celgenoot, die een schaakspelletje en kaarten bij zich heeft. Samen spelen ze om een stukje brood; wie wint mag het hebben. De celgenoot kan goed schaken, maar Harm kaart veel beter en omdat ze steeds opnieuw beurtelings schaken en kaarten, verwisselt het stukje brood ook steeds weer van bezitter.

Harm wordt veroordeeld tot vijf weken dwangarbeid in het strafkamp Halle in Duitsland, maar gelukkig worden er pogingen in het werk gesteld hem weer vrij te krijgen. De oom van zijn vriend, Jan Kalkdijk, die met de Duitsers zaken doet, wendt zijn invloed aan! ’t Kosten hem vijf liter oude jenever en vijf blikjes ansjovis, voor de Duitsers toezeggen hem vrij te willen laten. Maar dan moet er nog wel een officiële verklaring uit Dalen komen, dat Harm boer is. Burgemeester Ten Holte, inmiddels al vrijgelaten, zorgt daarvoor en op 13 januari 1944 wordt Harm uit de gevangenis ontslagen.

“Je moet nog wel even naar het Scholtenshuis!”, zegt de gevangenisdirecteur, als Harm afscheid neemt. Dat is ook wat! Harm weifelt. “Zal ik het wel doen? Is het geen valstrik?”, denkt hij. Maar hij gaat toch. Hij wordt binnengelaten in de kamer van zijn beide beulen. Knorr blaft hem toe: “Je bent vrij door gebrek aan bewijs!  Maar als ik je nog één keer tegenkom, schiet ik je dood! Eruit!”. En Harm wordt naar buiten geschopt. Om acht uur die avond is hij thuis en die nacht doet hij geen oog dicht, hoewel hij doodmoe is. Tussen hem en de burgemeester ontstaat nu een soort lotsverbondenheid.

In het najaar van 1944 wordt hij opgeroepen om samen met andere jonge Dalers in Smilde voor de Duitsers verdedigingswerken aan te gaan leggen. De bezetters hebben de organisation Todt (genoemd naar een Duitse ingenieur) in het leven geroepen om overal mannen te dwingen voor hen te gaan werken. Harm neemt zijn fiets mee en als het zaterdag is, verlaat hij zonder toestemming het werkkamp en fietst doodgemoedereerd naar huis. Dat kan hem duur te staan komen, maar burgemeester Ten Holte ontfermt zich over hem door hem aan te stellen als verbindingsman bij de Todt. Nu hoeft hij niet meer terug en moet proberen bij de Duitsers vrijstellingen te krijgen voor mannen, die zich ook moeten melden voor tewerkstelling.

Het gebeuren heeft diepe sporen bij hem achtergelaten en hij laat nu geen mogelijkheid meer benut de Duitsers dwars te zitten. Door de varkenshandel komt hij in aanraking met de gebroeders Hartemink, boeren, die in Hoogehaar en Dalerpeel wonen. Zij maken actief deel uit van een verzetsgroep. Harm biedt zijn diensten aan.

Als hij na enkele weken door een geheimzinnig persoon gevraagd wordt mensen weg te brengen naar de Hoogehaar, begrijpt hij onmiddellijk, wat er aan de hand is en antwoord instemmend. “Als er bij jou aan het raam getikt wordt, zitten er de dag daarop of de dan volgende dag onderduikers aan de Ruimsloot achter je huis. Die moet je wegbrengen!”. Zo luidt de opdracht.

Er gaat enige tijd voorbij en Harm is de afspraak al bijna vergeten, als er inderdaad ’s avonds tegen het raam getikt wordt. “Wat is dat?”, denkt hij eerst, maar dan dringt het tot hem door. De volgende dag fietst hij langs Ruimsloot, maar er is niemand. De daag daarop ziet hij inderdaad vier mannen langs de slootkant zitten. Hij steekt zijn hand op en een van het zwaait terug met een papiertje. Dat blijkt een schets te zijn van de route naar de sloot. Harm kan de mannen niet verstaan. het zijn Fransen, gevlucht uit een kamp in Duitsland. Midden op de dag brengt hij ze naar de brug bij de Hoogehaar. Hij fietst langzaam vooruit, keert terug, rijdt naar de mannen toe en keert weer. Als de brug overlopen, draait hij zich om en fietst terug. De Fransen worden aan de andere kant opgevangen, maar hij weet niet door wie. Dat mag ook niet, vindt men bij het verzet. Wat je niet weet, kun je ook niet vertellen!

Vijf transporten brengt hij zo weg. Eén keer is er maar één man, een andere keer zijn het er twee. Steeds zijn het buitenlanders. Als hij in december 1944 vier Nederlandse, uit Duitsland gevluchte dwangarbeiders moet wegbrengen, gaat het mis. ’t Is avond en al donker. Bij bakker IJpelaar vraagt en krijgt hij nog twee broden, die hij eerlijk verdeelt. Op een gegeven ogenblik hoort hij in het duister harde Duitse stemmen. Tot zijn ontzetting zijn het leden van de “Grüne Polizei”, die in de villa “Vondel” verblijven. Harm kent ze wel. Hij is immers verbindingsman bij de Todt. De vluchtelingen worden meegenomen en Harm weet zich geen raad. Hij is doodsbang maar hij besluit te bluffen. Uiterlijk onbewogen belt hij aan bij “De Vondel” en zegt: “Ik hoor, dat jullie jongens opgepakt hebben. Bij de Todt hebben ze dringen volk nodig. Kunnen we ze niet ruilen tegen een ambtenaar uit Dalen? Die is hier dringend nodig!” Harm heeft geluk.

De Duitsers hebben al gehoord, dat het om gevluchte arbeiders gaat en bovendien zijn ze door het verloop van de oorlog een stuk toeschietelijker geworden. Ze gaan akkoord. De volgende morgen worden de vier gevangenen op transport naar Smilde gesteld en ambtenaar Roelof Hidding mag naar Dalen terug. Een feit, waar burgemeester Ten Holte erg blij mee is, terwijl ook de vier naar Smilde gebrachte gevangenen tevreden mee kunnen zijn. Ze krijgen het hier immers veel beter dan in Duitsland.

Harm brengt hierna geen transporten meer weg. Op 9 en 10 februari wordt de verzetsgroep van de beide Harteminks opgerold. De twee broers worden gearresteerd en op 9 maart bij de Woeste Hoeve doodgeschoten. Een maand voor de bevrijding!

Als op 9 april Dalen door de Poolse troepen bevrijd wordt, komen er al snel enkele mannen bij elkaar, die besluiten een afdeling van de B.S., de binnenlandse Strijdkrachten, te vormen. Het zijn goede vaderlanders, die het gezag willen herstellen en de orde handhaven. Een van hun belangrijkste taken zal zijn het gevangennemen van de N.S.B.ers. Ook Harm Veldhuis wordt gevraagd zich bij hen aan te sluiten. Hij stemt graag toe, maar weigert N.S.B.ers “op te halen”. Mensenjacht is niets voor hem.

De volgende morgen wordt de nieuw benoemde B.S. commandant Wilke Bloem dood aangetroffen in het gemeentehuis. De omstandigheden waaronder hij vermoord wordt, zijn nooit opgehelderd. Al snel wordt beweerd dat de N.S.B.ers er wel meer van zullen weten en dus wordt er grondig tegen hen opgetreden.

Harm Veldhuis en zijn vriend Jan Kalkdijk worden belast met het doorzoeken van de door N.S.B.ers verlaten woningen. Alle belangrijke bezittingen en voorwerpen van waarde moeten geregistreerd worden, zodat niets in verkeerde handen kan komen. Harm en Jan komen er al snel achter, dat er onder de “goede” vaderlanders nogal wat slechte mensen zitten. Er worden voorwerpen vermist. Een ten onrechte weggevoerde vrouw, die al snel terug is, is een zilveren ketting kwijt. Een ander mist een paar schoenen en weer een ander een gouden armband en een onschuldig, ook vrijgelaten gezin klaagt: “Ze hebben ons alles afgestolen!”

Jan en Harm vinden ergens drie koffers, die toebehoord hebben aan de Amsterdamse familie Goedhart. Ze brengen ze naar het hoofdkwartier van de B.S. en daar worden ze in het bijzijn van enkele “medestrijders” geopend. In de eerste koffer bevinden zich nieuwe kleren, in de tweede gouden sieraden en sigaretten en in de derde effecten en zilveren bestekken. Alles wordt nauwkeurig gecontroleerd en opgeschreven en men besluit de kostbaarheden naar de boerenleenbank te brengen. Daar kunnen ze in de kluis opgeborgen worden.

Als Harm enkele dagen later bij de bank informeert of de spullen goed opgeborgen zijn, blijken ze nooit gebracht te zijn. Ze zijn gestolen en niemand weet, waar ze gebleven zijn. Dat is voor Harm de druppel, die de emmer doet overlopen. Hij zegt zijn lidmaatschap van de B.S. op en vertrekt.

Tientallen jaren later, in 1983 worden Harm’s verdiensten erkend. Door zijn hardnekkig zwijgen tijdens de verhoren door de S.D. redde hij ook burgemeester Ten Holte het leven en zijn moedig gedrag bij het begeleiden van vluchtelingen gaf hem de vrijheid terug. Om deze redenen behaagde het Hare Majesteit de Koningin hem te onderscheiden met het zilveren verzetskruis. Een terechte erkenning!

Geldzaken
Iedereen moest nu aantonen, hoe het in de oorlog verkregen geld in zijn bezit was gekomen.



In de dertiger jaren was de Coöperatieve Boerenleenbank “Dalen” (nu Rabobank) gevestigd in de boerderij aan de Hoofdstraat, waarin zich thans het restaurant “’t Oelnbret” bevindt. Hier woonde kassier Wolter van Tarel met zijn gezin. De bank werd in die tijd alleen maar gebruikt om geld via een spaarbankboekje vast te zetten of op te nemen en voor het sluiten van leningen. Vandaar dat Wolter van Tarel alleen maar op woensdag- en vrijdagavond zitting hield. De bezoekers kwamen binnen via de baanderdeur, zetten hun klompen op de deel en wachtten in de keuken tot ze aan de beurt waren. De kassier ontving hen dan in de huiskamer; daar stond ook de brandkast.

De dertiger jaren brachten nogal wat extra werkzaamheden, doordat roggen en aardappels vaak voor menselijk gebruik ongeschikt werden gemaakt (zie hoofdstuk 12). Dit gebeurde, omdat grote hoeveelheden van de landbouwproducten onverkoopbaar waren geworden. Voor het onbruikbaar maken van hun rogge en aardappels voor menselijke consumpties kregen de boeren van de regering een vergoeding, die door de bank werd uitbetaald.

Noodgedwongen namen veel boeren aan deze regeling deel om op deze manier toch nog iets voor hun gewassen te ontvangen. Soms gebeurde het, dat er op zittingsavonden zo veel boeren hun vergoeding kwamen halen, dat er in de keuken geen stoel vrij was. Dan zaten de laatst aangekomenen op de grond.

Op de morgen van de tiende mei 1940 stond de familie Van Tarel achter in de huiskamer en keek angstig toe, hoe de Duitse ruiters door de Hoofdstraat reden. Ze stegen regelmatig af en speurden met het geweer in de aanslag achter de bomen en zelfs achter de kerk om te zien of er ook sluipschutters stonden. Dat bleek niet het geval te zijn.

Na de bezetting gebeurde er eerst niets bijzonders bij de afhandeling van de geldzaken. Na verloop van tijd begonnen de Duitsers echter de boeren te verplichten hooi en stro voor het leger te leveren. Ook moesten ze koolzaad voor hen gaan verbouwen. De geleverde produkten werden door de bezetters prompt betaald en zo kregen de boeren eindelijk voldoende geld voor hun werk. Waarbij wel vermeld moet worden, dat dat geld steeds minder waard werd. De Duitsers voerden zinken munten van 1 cent, 2,5 cent, 5 cent, 10 cent en 25 cent in. De koperen, zilveren en gouden munten van voor de oorlog moesten allemaal ingeleverd worden te behoeve van de Duitse oorlogsindustrie. Velen deden dat niet en verborgen hun muntgeld in afwachting van betere tijden. Sommigen zaagden “de kop” van koningin Wilhelmina uit zilveren guldens of rijksdaalders en maakten er een speldje van. Dat droegen ze dan op besloten bijeenkomsten als een teken van vaderlandsliefde.

Van zilveren dubbeltjes werden wel armbanden gemaakt en van gouden tientjes manchetknopen. Dan waren het sieraden geworden en die hoefde je niet in te leveren. Doordat de boeren nu voortdurend geld ontvingen voor de geleverde produkten, werd er ook veel meer gespaard bij de bank. Daar kwam ook nog bij, dat “boerenartikelen” als kunstmest en bouwmaterialen schaars werden en dus haast niet meer te koop waren. De banken werden nu als het ware overspoeld met geld en de Centrale Boerenleenbank in Utrecht besloot in december 1943 zelfs geen bedragen meer aan te nemen. Toen dit besluit in het voorjaar van 1944 weer ingetrokken werd, verlaagde men de rente. Zo werd deze voor niet-leden van de bank vastgesteld op 1/2 procent!

De Daler boerenleenbank probeerde de aangeboden bedragen zo goed mogelijk te beleggen. Op 2 maart 1942 een som van f 50.000,- en op 1 februari 1943 zelfs f 200.000,- in staatspapieren. Tevens werd op laatstgenoemde datum nog eens voor f 50.000,- ingeschreven op een lening van de gemeente Amsterdam.

De Duitsers vorderden ook paarden voor hun leger en riepen dan boeren op om met hun dieren naar de markt in Dalen te komen. N.S.B.ers, zelf vrijgesteld van paardenvordering, hielpen hen bij het maken van een keuze en stelden de prijs vast. Vervolgens moesten de boeren vaak zelf de gevorderde paarden naar een verzamelplaats brengen.

Alle betalingen van de Duitsers voor produkten en paarden werden via de bank afgehandeld. Hier konden de boeren hun geld afhalen, nadat kassier van Tarel de lijsten met namen, adressen en bedragen ontvangen had. Deze manier van afrekenen zorgde wel eens voor het tot stand komen van merkwaardige transacties. Zo vroeg een kleine boer op 1 april 1943 vijfhonderd gulden te mogen lenen om een nieuw paard te mogen kopen. Zijn vorige was door de Duitsers gevorderd, maar hij was melkrijder en hij kon zijn trekdier dus geen dag missen. Het bestuur van de bank stemde met de lening in op voorwaarde dat het geleende bedrag afgelost moest worden met het geld, dat de boer voor zijn gevorderde paard zou ontvangen.

Brachten de betalingen aan de boeren veel extra werk met zich mee, na de oorlog zou de kassier het nog veel drukker krijgen. De bezetter had zoveel geld in omloop gebracht, dat het hoog tijd werd om orde op zaken te stellen. Dus nam de nieuwe minister van Financien, P. Lieftinck, in september 1945 harde maatregelen. Alle munten en bankbiljetten, die men in bezit had, moesten bij de bank worden ingeleverd. Om toch alle noodzakelijke behoeften te kunnen kopen, kreeg elke Nederlander, oud en jong, arm en rijk, voor de periode van een week van de staat een nieuwe biljet van tien gulden. Burgemeester Ten Holte, grootgrondbezitter en zeer vermogend, kreeg met een kind thuis dertig gulden en een van zijn pachters met zeven kinderen ontving negentiggulden. Hetgeen de burgemeester lachend deed opmerken: “Jij bent nu rijker dan ik!”.

Iedereen moest nu aantonen, hoe het in de oorlog verkregen geld in zijn bezit was gekomen. Er waren immers zwarthandelaars geweest, die veel verdiend hadden door voedingsmiddelen en kledingstukken voor veel te hoge prijzen te verkopen. Sommigen van hen, die bang waren hun straf niet te ontlopen, verbrandden hun geld liever dan het in te leveren. Anderen vroegen vrienden of kennissen een deel van hun geld als het hunne in te leveren. Later ontstonden dan soms problemen, omdat de “vrienden” ontkenden ooit geld te hebben gekregen of het achteraf niet eens waren met de hoogte van het bedrag. Er kwamen immers ook veel mensen met bankbiljetten en munten, die ze gedurende de oorlog verstopt hadden.

Zo kwam er bij de Daler bank een man, die zijn geld in een kartonnen doos in de grond had bewaard. De bankbiljetten zaten aan elkaar gekleefd en stonken verschrikkelijk. Wat later bracht een ander een ook al kwalijk riekende “karbies” vol munten en bankbiljetten, die hij direct op de tafel wilde omkeren. Wolter van Tarel, door de ervaring wijs geworden, bekeek de ordeloze voorraad vanaf gepaste afstand en zei: “Zoek dat eerst zelf maar eens uit. Achter in de tuin vind je wel een plaatsje op de tuinbank, waar je ’t kunt neerleggen!”. Waarna de man vertrok en de opdracht uitvoerde.

Al het ingeleverde geld diende op een speciale girorekening gestort te worden; uiteraard moest ook alles nauwkeurig opgeschreven en verantwoord worden. De tegoeden werden gesplitst in een giraal gedeelte (35 procent) en een geblokkeerd gedeelte (65 procent). Van het eerst genoemde mochten al na korte tijd rekeningen voldaan worden, waardoor een groot aantal Dalenaars voor het eerst kennismaakte met het betalen via een bankrekening. Het geblokkeerde geld mocht alleen gebruikt worden voor het kopen van aandelen Nederlandse Werkelijke Schuld (een staatslening). Deze waardepapieren werden jaarlijks uitgeloot, waardoor er steeds een gedeelte in geld werd terugontvangen. Ook kon men er elk jaar voor driehonderd gulden van verkopen. Langzamerhand kwam zo de geldzuivering tot een bevredigende afsluiting en kreeg iedereen zijn bezit in nieuwe bankbiljetten terug. Behalve zij, die inderdaad niet konden aantonen hun geld op een eerlijke manier verkregen te hebben. Het lelijke zinkgeld bleef overigens nog tot 1948 in omloop. Wolter van Tarel kon het werk door de enorme groei van bankactiviteiten niet alleen meer af, ook al werd hij bijgestaan door zijn zoon Kars, die als sinds 1943 plaatsvervangend kassier was. Op 7 oktober 1945 werden daarom twee bankbedienden aangesteld.

Er kwam overigens nog een zuivering, waarmee Kars van Tarel, die zijn vader in 1945 opvolgde, het erg moeilijk had. Twee leden van het bankbestuur werden ervan beschuldigd met de Duitsers samengewerkt te hebben. Ze waren geen N.S.B.er geweest, maar wel lid van Landbouw en Maatschappij en werden gevangengezet. Ten onrechte, zoals later bleek. Maar het kwaad was toen al geschied. Ze werden uitgesloten van het bestuur en er was voor hen ook daarna geen plaats meer.

Geheel anders verliep deze persoonszuivering in Dalerveen. Daar hadden wel verschillende N.S.B.ers zitting in het bestuur van de plaatselijke bank. Men besloot hier iedereen te laten aftreden. Daarna werd een nieuw bestuur gekozen, waarin ook vroegere “onbelaste” leden weer zitting namen.

N.S.B.ers
De behandeling was vaak heel slecht.


Voor hun huwelijk bezochten Lenie en Jan trouw de landdagen van Landbouw en Maatschappij. Dat was niets bijzonders, want in de gemeente Dalen waren veel inwoners lid van deze organisatie en die waren dus ook vaak aanwezig. Landbouw en Maatschappij was bovendien zeer Oranjegezind en de landdagen werden dan ook altijd opgeluisterd met het zingen van het Wilhelmus. Toen Jan en Lenie in 1936 trouwden, gingen ze niet meer naar de landdagen.

‘T was crisistijd en ze moesten op de boerderij alle zeilen bijzetten om het hoofd boven water te houden. Er werden al snel kinderen geboren. Langzamerhand kwam het gezin tot grotere welstand en dat was te danken aan het feit, dat Jan zich ging toeleggen op de varkensfokkerij. Hij had uitsluitend stamboekzeugen, waarvan per worp steeds enkele biggen gekeurd werden door een selectiemesterij. Als de dieren aan de strenge normen voldeden, werd de zeug bevorderd tot sterzeug. De nakomelingen van zo’n “bekroond” varken brachten een betere prijs op; soms wel twintig gulden!

In 1939 werd Jan opgeroepen voor de militaire dienst en gelegerd in het westen, aan de kust. Lenie kon het bedrijf niet alleen voortzetten en trok met de kinderen bij haar ouders in. Ze kreeg een kostwinnersvergoeding van de gemeente. Toen Jan ontdekte, dat anderen in dezelfde omstandigheden een hogere uitkering kregen, stapte hij verontwaardigd naar burgemeester Ten Holte. Op hoge toon eiste hij alsnog aanvulling van de vergoeding aan zijn vrouw. “Anders breng ik mijn militaire spullen naar het gemeentehuis!”, dreigde hij. De burgemeester zwichtte en verhoogde het bedrag.

Jan leerde in zijn garnizoensplaats een familie kennen, war hij dikwijls op bezoek ging. De verhouding werd zo hartelijk, dat “Opoe” in het westen truitjes breide voor de kinderen in het oosten. Lenie stuurde haar dan restjes wol.

Toen de spannende oorlogsdagen in mei voorbij waren, liet Jan niets van zich horen. Telefoneren was onmogelijk en Lenie maakte zich erg ongerust. Ze stuurde een brief naar de kennissen van Jan en een zoon uit het gezin ging eens naar de barakken, waarin de Nederlandse soldaten verbleven. Via hem hoorde Lenie dat Jan niets overkomen was, maar dat hij moest wachten, tot hij uit het leger ontslagen zou worden. Op een avond werd er bij haar ouders aan het raam getikt en daar stond Jan. Met een trein vol “jongens” was hij naar huis gestuurd. De volgende morgen ging het gezin weer terug naar de eigen boerderij.

Lenie en Jan hielden zich de komende jaren angstvallig buiten de politiek. Je moest je nergens mee bemoeien; dat leek hen het beste en dat vonden ook de meeste Dalenaars. Ze hadden bovendien genoeg aan de zorgen van elke dag. Om genoeg brood voor het groeiende gezin te hebben, werd er zelf roggemeel gebuild (gezeefd). Dat werd dan persoonlijk naar de bakker gebracht. De extra toewijzingen voor bijvoorbeeld kaas en snoep, die de kinderen kregen, werden vaak verruild voor andere zaken, die dringend nodig waren. Gelukkig waren er ook mensen, die het gezin hielpen. Zo was er een klompenmaker, die aanbood het hele gezin van klompen te voorzien, waardoor ze allemaal met warme voeten de oorlog door kwamen. Turf was er genoeg en brandstofbonnen hadden ze dus niet nodig. Die stuurden ze naar de kennissen in het westen, die ze goed konden gebruiken.

Begin 1944 kwamen er problemen met de kinderen. Ze waren vaak ziek en gaven veel extra zorg. In oktober van dat jaar werd Jan opgeroepen voor de Todt, maar hij wilde zijn vrouw en kinderen niet in de steek laten. Een N.S.B.er uit de buurt raadde hem aan zich bij hen aan te sluiten. Dan zou hij een “Ausweis”, een vrijstelling krijgen. Jan meldde zich aan als lid van de N.S.B. en inderdaad, hij hoefde niet weg.

Dat lidmaatschap stond Lenie niets aan en ze hield zich dan ook helemaal afzijdig. Gelukkig hoefde Jan niet deel te nemen aan N.S.B. activiteiten. Hij moest alleen regelmatig ’s avonds in Dalen “Spijkerwacht” lopen. Kijken of er spijkers of andere scherpe voorwerpen door het verzet op straat waren gegooid!

Jan werd nooit van harte lid van de N.S.B. en eigenlijk had hij een hekel aan de Duitsers. Toen er eens een Duitse soldaat bij hem aanklopte om boter te kopen, werd hij met een smoes afgescheept. “Probeer het maar ergens anders te kopen. Wij hebben geen boter!”, snauwde Jan. “Ja, we zullen ze ook nog gaan vetmesten!”, mopperde hij daarna.

Aan paardenvordering ontkwam hij ondanks zijn lidmaatschap niet. Toen men zijn trouwe viervoeter kwam halen, zei Jan: “Haal hem dan zelf maar uit de stal! “Hij wist, dat het die voor vreemde bijzonder bokkig kon zijn en inderdaad, de inbeslagnemers konden er niet mee overweg. Het paard werd afgekeurd en mocht dus blijven!

Toen direct na de oorlog alle N.S.B.ers werden gearresteerd, werd Jan niet opgehaald. Zijn lidmaatschap was vrijwel onbekend gebleven, want hij had er nooit over gesproken, laat staan iets verkeerds gedaan. Twee dagen later kwam de B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten) hem toch halen. Zijn voormalige politieke vrienden hadden kennelijk doorgegeven, dat hij ook lid was. Jan werd eerst opgesloten in de grote zaal van hotel Cornelis en vervolgens naar kamp Westerbork gebracht. Hier kregen hij en zijn medegevangenen het zwaar te verduren. De behandeling was vaak heel slecht. Veel lichte gevallen werden echter al snel vrijgelaten, als ze een lijst met personen konden overleggen, die voor hun vrijlating pleitten. Ondanks het feit, dat Jan met behulp van den advocaat ook een dergelijke lijst kon tonen, bleef hij gevangen.

Het leven was hard in het kamp en er moest stevig gewerkt worden. Het eten was slecht en de gevangen vermagerden sterk. Er werd vaak buiten het kamp op het land gewerkt en soms werden er via bekenden familieleden gewaarschuwd om wat voedsel te brengen. Dat was streng verboden en ’t gebeurde dus zo onopvallend mogelijk. Er waren bewakers, die de gaven bij de ingang van het kamp toch weer afpakten. Anderen hadden medelijden en zeiden niets. Deze bewakers raadden de gevangenen ook aan wortels van het veld te halen en die op te eten. Jan wilde daar echter nooit iets van weten. “Ik heb van mijn leven nog nooit gestolen en dat doe ik nou ook niet!”, zei hij altijd. Verlof kregen de gevangenen alleen als er sprake van ernstige ziekte thuis. Ze kwamen dan echter onder toezicht van een bewaker, die er scherp op lette, dat de toegestane tijd niet werd overschreden. ‘T waren op die manier vernederende ervaringen. Toen Jan gearresteerd werd, was Lenie in verwachting en toen het kind geboren werd, kreeg hij geen verlof. Hij zou het pas zien, toen hij voorgoed thuiskwam. Dat gebeurde na een jaar gevangenschap. Vermagerd, maar gezond kon hij weer aan het werk om zijn boerderij opnieuw te laten floreren. Er was een periode afgesloten; er braken betere tijden aan.

De distributiedienst
Vaak waren de overvallen “doorgestoken kaart”


Tijdens de bezetting was de invoer van veel buitenlandse artikelen onmogelijk geworden. Bovendien moesten op bevel van de bezetter veel in ons land verbouwde of vervaardigde produkten naar Duitsland vervoerd worden. Hierdoor ontstond schaarste en om een zo eerlijk mogelijk verdeling van de resterende hoeveelheden te verkrijgen, werd de distributiedienst ingevoerd. In alle gemeenten werden distributiekantoren ingericht, waar men een bepaald aantal bonnen en punten per gezinslid kon krijgen. Bij betaling van artikelen moesten deze dan weer bij de winkelier worden ingeleverd. Bonnen gebruikte men bij ’t kopen van levensmiddelen en rookartikelen; punten waren bestem voor kleding. Het Daler distributiekantoor was eerst gevestigd in het gemeentehuis en later in een lokaal van de openbare school. Bonkaarten en de bijbehorende papieren werden opgeborgen in een kluis. De kassière bewaarde de sleutel en nam die elke dag in een gezegelde envelop mee naar huis. Eigenlijk was dat in verband met eventuele overvallen een onverantwoorde gang van zaken. Als de drie personeelsleden het kantoor na afloop van de werkzaamheden verlieten, moesten ze eerst hun handen wassen in een ontsmettingsstof tegen epidemische ziekten. Elke Daler ingezetene bezat een stamkaart, waarop bij het halen van nieuwe bonnen en punten een aantekening werd geplaatst. Tegen inlevering van een speciaal bonnetje konden vervangende bonkaarten worden verkregen.

distributiebonnen

Distributiebonnen.

Als gevolg van de steeds meer voorkomende overvallen op distributiekantoren door verzetsorganisaties, werd een kantoorbewaking ingesteld. Dat gebeurde door de plaatselijke politie. Niet alle agenten waren bij het personeel even geliefd. Van een van hen was bekend, dat hij N.S.B.gezind was en de ordebewaarder maakte van zijn positie misbruik door de vrouwelijke personeelsleden lastig te vallen. De buitendienst was eenmaal per actief, als er nieuwe distributiebescheiden uitgereikt moesten worden in Dalerpeel. De hiermee belaste ploeg bestond meestal uit drie of vier personen, die onder begeleiding van een politieagent per fiets op weg ging. De bonkaarten waren verpakt in een kist met verschillende vakken en deze werd uiteraard ook per fiets vervoerd. Ook het Daler kantoor werd een door het verzet benaderd om er een overval te plegen. Vaak waren deze overvallen “doorgestoken kaart”. De personeelsleden waren dan van te voren op de hoogte gesteld en werden na afloop vastgebonden en achtergelaten. Hierdoor leek het, alsof ze zich tegen de “rovers” verzet hadden! De distributieleidster, mevrouw Lubbers-Scheltens, wilde echter niet meewerken aan een afgesproken overval, wat niet wegnam, dat met haar medeweten heel veel bonnen naar onderduikadressen verdwenen. Dankzij de activiteiten van haar plaatsvervanger Jan Otterman en kassière Lien Caspers!

Mulder en bakker
Veel bakkers in de omgeving waren aangewezen op de leveranties van mulder Snijders.



Gerrit Snijders was de zoon van “Mulder Mans” in Wachtum en voorbestemd om zijn vader op te volgen. Van jongsaf was hij in de molen te vinden en zo leerde hij haast spelenderwijs het vak. In de crisisjaren werd er in de molen rogge voor menselijke consumptie ongeschikt gemaakt door ze rood te kleuren. Dit gebeurde een keer per week onder toezicht van een ambtenaar. De boeren kregen voor hun bewerkte rogge een minimumprijs en de molenaar een tegemoetkoming voor zijn extra werkzaamheden. De gekleurde rogge werd na afloop meegenomen en aan het vee opgevoerd. Tijdens de bezetting werd het kleuren direct afgeschaft, omdat de uitvoer naar Duitsland sterk steeg. Hoe langer de oorlog duurde, hoe meer Duitser gingen afnemen. En tenslotte namen ze alles!

Gerrit was gedurende de mobilisatietijd militair in Arnhem, maar hij kwam voor het uitbreken van de oorlog al naar huis. Dankzij de bemiddeling van een invloedrijke oom was hij onmisbaar voor het bedrijf van zijn vader verklaard. Hierdoor zag hij zijn eerste Duitsers vanachter het huiskamerraam in Wachtum, toen er op de tiende mei een afdeling ruiters met getrokken revolver door het dorp reed.

De molen maalde behalve graan ook olie en tijdens de bezetting mochten er alleen van te voren vastgestelde hoeveelheden verwerkt worden. Wat meer werd gemalen, moest aan de Duitsers worden geleverd. Om boeren en burgers te helpen, maalde Gerrit wel eens stiekem extra. Hij gebruikte dan een kleine handmolen. Op een zondag was hij weer eens, met de deuren op slot, bezig, toen plotseling de Groenen met een herdershond op het erf verschenen.

Snel dekte Gerrit het molentje met jutezakken af, terwijl de overvallers al met de deur rammelden. Toen hij eindelijk opendeed, werd hem ongeduldig gevraagd, wat hij hier eigenlijk uitvoerde. “De boel wat aanvegen!”, antwoordde Gerrit laconiek. “Dat doen wij altijd op zondag!”.

De Duitsers schonken gelukkig geen aandacht aan de jutezakken, maar ze bleken wel goed op de hoogte met de bezittingen van de mulder. Ze wilden weten, waar de vrachtauto was en vroegen naar opgeslagen vaten benzine. De auto was inmiddels gesloopt en de vaten waren leeg, verklaarde Gerrit. Dat laatste geloofden ze niet, omdat ze niet in beweging te krijgen waren. Dat kon ook niet anders, want de vaten stonden stijf bevroren buiten. Toen Gerrit er een paar schoppen tegen gaf, werd het hen toch wel duidelijk. Ook toen klonken holle vaten het hardst!

De Groenen eisten daarna tarwe en olie, maar Gerrit zei, dat hij daar nog maar weinig van had. Ongezeefd natuurlijk! Dat wilden de heren niet. Gerrit zei echter, dat hij het veel te druk had om ook nog te gaan zeven. Ze moesten het dan zelf maar doen! Aldus geschiedde. De Groenen, behoorlijk gekalmeerd, wilden zelfs betalen, maar dat hoefde niet, vond Gerrit. Voortaan liet hij elke veertien dagen wat olie en meel naar “De Vondel” brengen, waardoor ze van verdere huiszoekingen verschoond bleven.

Omdat er geen benzine meer was, ging de tram weer rijden. Natuurlijk ook door Wachtum en de bekende machinist Geert Sliekers stopte ook nog al eens bij de molen om meel mee te nemen. Datzelfde deed hij ook wel bij bepaalde boeren, waar hij melk kreeg.

Veel bakkers in de omgeving waren aangewezen op de leveranties van mulder Snijders. Hij verzorgde namelijk via de Centrale Handelsmaatschappij in Coevorden de meelvoorziening. Gerrit’s broer Jan ging wekelijks met een wagen met twee paardjes op stap om de bakkers te bevoorraden. Voor alle zekerheid zette hij er een witte vlag op. Eerst reed hij naar bakker Karst in Zwinderen, dan naar Huizing en Bos in Gees en vervolgens naar Oosterhesselen, Zweeloo, Schoonoord, Noord-Sleen en Erm.

Dat was vaak zwaar werk. Veel bakkers wilden hun meel op zolder opslaan en dat kwam dan vaak neer op honderdvijftig keer de trappen op en neer op een dag. Natuurlijk betrok ook bakker Jan Eising uit Wachtum zijn meel bij Snijders. Hij maalde zelf ook olie, die hij dan ruilde voor meel. Zo kon hij weer meer brood bakken. Dat kostte dan weer meer turf, die noodgedwongen wel eens “zwart” (zonder vergunning) gekocht moest worden. De brandstof voor de bakkerij was namelijk beperkt tot een toegewezen hoeveelheid.

Jan Eising had de oorlogsdagen wel als militair meegemaakt. In Breukelen, waar niet gevochten werd en hij keerde dan ook al op 25 mei behouden in Dalen terug. Twee maanden later trouwde hij zijn Tine en samen begonnen ze aan een nieuw bestaan in de bakkerij en de winkel.

De oorlogsomstandigheden veroorzaakten al snel moeilijkheden. Alle toeleveringen werden gehalveerd en veel artikelen kwamen op de bon. Jan en Tine gingen samenwerken met Jan Otterman (Zie hoofdstuk 28), die bij het distributiekantoor werkte. Jan bracht de op kantoor overgebleven bonnen naar de Eising’s waar ze met de klanten ontvangen bonnen op lege distributiekaarten geplakt werden. Vaak ging het om grote hoeveelheden, zodat de kamer vol lag met formulieren. “Geert van de Smid” en Jan Otterman zelf hielpen het echtpaar met het plakken. In het diepste geheim natuurlijk, want overgebleven bonnen moesten ingeleverd worden. Jan Otterman nam de volgeplakte kaarten weer mee en het distributiekantoor kreeg hiervoor een extra hoeveelheid nieuwe bonnen, die verdeeld werden onder de onderduikadressen. Een ingewikkelde gang van zaken, maar Jan wilde beslist niet, dat zijn collega’s op de een of andere manier in gevaar zouden komen. Natuurlijk zorgde hij ervoor, dat Jan en Tine voor hun hulp ook extra bonnen kregen, waarmee ze dan hun gehalveerde voorraad weer enigszins konden aanvullen.

De Eising’s kregen ook enige tijd inkwartiering van twee Duitse soldaten, een bakker en een timmerman. Ze waren alle twee verplicht in militaire dienst en vertelden het helemaal niet met Hitler eens te zijn. Ze waren echter zo bang, ook voor elkaar, dat ze het alleen maar durfden te zeggen, als ze elk alleen waren. Later, toen ze eens met verlof thuis waren, stuurden ze zelfs nog een berichtje naar Jan en Tine.

Als de Meistaking uitbreekt, wordt ook in Wachtum het verhaal verspreid, dat alle mannen opgepakt zullen worden. Ook hier breekt paniek uit en veel mannen verschuilen zich tussen de rogge en het koolzaad op de akkers. Jan woont een bakkersvergadering bij en Tine, die in verwachting is, weet zich geen raad.

Ze fietst naar haar ouders in Dalen en haar vader waarschuwt Jan. Hij gaat samen met Tine weer naar huis, maar weigert zich ook te verbergen. “Ik kan jou toch niet alleen laten?”, is zijn bezorgde reactie, als zijn vrouw hierop aandringt. Gelukkig blijkt na enige tijd, dat er niets aan de hand is, maar een aantal Wachtumers heeft benauwde uren doorgebracht.

Na de slag om Arnhem (september 1944) wordt een groot deel van de verwoeste stad geëvacueerd. De vluchtelingen trekken naar het noorden en Jan en Tine bezorgen een van hen werk. Hij helpt in de bakkerij. Er komen in de hongerwinter ook etenhalers aan de deur. Ze vragen in de winkel om brood en Tine kan het niet over haar hart verkrijgen om ze zomaar weg te sturen. Elk krijgt dus een broodje.

Tegen het einde van de oorlog worden de mannen in Wachtum verplicht “Spijkerwacht” te lopen. Het verzet treedt steeds openlijker op en strooit regelmatig “kraaienpoten” op de wegen om het de terugtrekkende Duitsers zo lastig mogelijk te maken. Gerrit Snijders, die ook bij de spijkerwacht is ingedeeld, vindt echter nooit iets!

Als op 7 april 1945 (Coevorden is dan al bevrijd) een Belgische patrouille op weg is naar de Oosterhesselerbrug, wordt ze beschoten door een Duitse mitrailleurpost bij het oude tolhuis van Egbert Smits. Dat stond bij de afsplitsing van de Rieweg. De Belgen met hun zwaarbewapende jeeps, die juist de Valsteeg passeren, beantwoorden het vuur en leggen de mitrailleurschutters het zwijgen op.

Eén voorgoed; een ander wordt met een verband om zijn hoofd afgevoerd. Twee dagen later wordt Wachtum bevrijd; de opbouw kan beginnen.

Dwangarbeid
Toen hield de landwacht plotseling een razzia.



Berend Kikkert werd op 10 juni 1923 aan de Steigerwijk in Dalerpeel geboren. Zijn vader had een klein verveendersbedrijf en Berend ging na de lagere school bij hem in het veen werken. Het was zwaar werk, want alles moest nog met de hand gebeuren.

Op 10 mei 1940 werden ook de bewoners van Dalerpeel opgeschrikt door de overkomende Duitse vliegtuigen. Via de radio was iedereen snel op de hoogte van de oorlogsgebeurtenissen. ’s Middags trokken de bezetters al voorbij. Een Duitse gevechtswagen reed de toen nog doodlopende Steigerwijk op, nagestaard door een stel jonge Dalerpelers. Een paar waaghalzen wachtten tot het oorlogsmonster een eind weg was en draaiden toen de brug aan ’t begin van de weg open. De Duitsers kwamen zoals verwacht onverrichterzake terug, maar bij de brug gekomen, vermoedden ze een hinderlaag. Het merendeel van de jongens was er al vandoor, maar enkele onverschrokkenen waren blijven staan. De soldaten gaven hen nu voor alle zekerheid opdracht de brug weer dicht te draaien, zodat ze geen risico liepen. De jongens deden dit in alle gemoedsrust, want zij hadden de brug ook open gezet.

Het leven in Dalerpeel verliep de eerste jaren van de oorlog vrij normaal. Afgezien van de invoering van de distributie veranderde er eigenlijk niets. In 1942 werden Berend en zijn broer Reinard opgeroepen om te werk gesteld te worden in Duitsland, maar dankzij de burgemeester behoefden zij niet weg. Ten Holte zorgde voor een officiële verklaring, waarin stond, dat ze niet gemist konden worden in het bedrijf van hun vader. Ze waren vrijgesteld!

In juli 1943 kwam een tweede oproep en nu kon burgemeester Ten Holten niets meer voor Berend doen. Hij raadde hem zelfs aan nu maar te gaan. Dat was Berend echter niet van plan. Hij vroeg dokter de Vries in Coevorden een “verklaring van lichamelijke ongesteldheid” uit te schrijven, maar deze voelde daar niets voor. Berend was immers kerngezond!

De Daler gemeenteambtenaar Roelof Lubbers adviseerde hem nu bij de plaatselijke Duitse commandant in Coevorden vrijstelling te vragen en dat gelukte. Het papier, dat hij kreeg, was echter geen officieel “Ausweis” en dus niet helemaal te vertrouwen. Nu besloot Berend onder te duiken. Overdag bleef hij gewoon in het veen werken. Dankzij het uitzicht over het vlakke land kon hij de omgeving goed in de gaten houden en als er onraad dreigde, was hij zo verdwenen. Samen met enkele andere onderduikers bracht hij de nachten in een tentje tussen de turfbulten of in een korenveld door. Soms was het zo koud, dat ze onder vijf dekens en een dekzeil nauwelijks warm konden worden. Het was een leven vol spanning en ontbering, maar alles was beter dan naar Duitsland te gaan.

Alles ging goed tot maart 1945. Toen hield de landwacht plotseling een razzia (een klopjacht op mensen) in Dalerpeel en twintig jongemannen werden opgepakt. Onder hen Berend en zijn broers Reinard en Jan en drie zonen uit het gezin Karssies. Na verhoord te zijn in de pastorie (zie hoofdstuk 25), werden de gevangenen te voet naar Coevorden gedreven en opgesloten in het leegstaande huis van Willem Mantel, die gearresteerd was. De gearresteerden hadden niets van huis mee kunnen nemen; Berend liep zelfs nog op klompen.

Na een dag of drie werden de mannen per tram naar Assen gebracht en Berend en zijn broers konden tijdens de rit nog even met elkaar praten. Ze spraken af niets over Dalerpeel los te laten en vooral niet over hun broer Hendrik, die gezocht werd wegens verzetsactiviteiten. In Assen werden ze opgesloten in de gevangenis, in een ruimte, waarin ongeveer vijftig mannen bij elkaar zaten. Beurtelings werden ze verhoord, maar de drie broers vertelden niets. Reinard en Jan werden kort hierna vrijgelaten.

Op 3 april werden Berend en een aantal medegevangenen in een Duitse vrachtwagen geladen. De wagen was meer dan vol; de laatste “passagiers” werden er met geweerkolven ingeslagen! Het werd er al gauw zo benauwd, dat iemand een gat in het zeildoek sneed om meer lucht te krijgen. Iedereen dacht, dat de laatste reis begonnen was en dat ze allemaal gefusilleerd zouden worden.

Maar nee, ze werden naar het station in Groningen gebracht. Daar werden ze met gevangenen uit het Scholtenshuis overgeladen in veewagons en vervoerd naar Nieuwe Schans aan de Duitse grens. Tijdens de stop op het station hier vertelde een ambtenaar hen, dat na hun vertrek de rails opgebroken zou worden. Ze waren dus kennelijk het laatste transport, dat via Nieuwe Schans de dood tegemoet ging. Dit zouden ze niet overleven!

Met voor hen onbekende bestemming vertrok de trein. Ze kwamen aan in Bremen en gingen vandaar naar Wilhelmshafen, waar ze op 5 april met ongeveer honderd mannen aankwamen. De stad was door de geallieerden zwaar gebombardeerd, maar de haven met het vlak erbij gelegen kamp waren nog intact. De gevangenen werden hier ondergebracht in barakken, waarin al velen voor hen gehuisvest waren geweest. Hun eerste maaltijd was een verademing en bestond uit snert, waarin alles aanwezig was, wat er ook in behoorde te zitten.

De dag daarop werden ze aan het werk gezet. Ze moesten in de stad puinruimen, loopgraven aanleggen en bomen planten voor de camouflage van oorlogstuig. ’s Avonds werd er verteld, dat via de radio was meegedeeld, dat Coevorden bevrijd was. Zouden de geallieerden dan toch nog op tijd komen om hen te redden. Er gloorde weer nieuwe hoop!

Op een morgen, voor ze naar het werk gingen, hield een Duitse officier een toespraak, waarin hij de mannen vroeg een formulier te tekenen. Hierin werd de vraag gesteld of men bereid was naar het concentratiekamp Bergen Belsen te verhuizen. Er werd gesteld, dat dit een veel mooier kamp was en het eten was er ook veel beter. De Duitsers werden in verband met de geallieerde opmars menselijker en probeerden met een zacht lijntje gevangenen te verplaatsen. Niemand in het kamp vertrouwde de zaak echter en dus werd geen enkele handtekening gezet.

Het eten werd slechter en volstrekt onvoldoende en de mannen leden honger en vermagerden zienderogen. Een “goede” Duitse bewaker probeerde op eigen gelegenheid nog wat eetbaars voor de gevangenen bij elkaar te krijgen, maar dat mislukte. Toen hielp Berend zichzelf maar. De bewaking was dusdanig verslapt en hij ging het kamp uit en slaagde erin een paar aardappelen te bemachtigen. Hij kookte ze op een vuurtje van bijeen gesprokkeld hout in een oude pan, die hij onder het puin gevonden had.

Een van de gevangenen vermagerde duidelijk minder. Dat kwam, omdat hij voortdurend op bezoek was naar iets eetbaars. Hij wist ook altijd wat te vinden. Zo liepen ze eens met de groep door de stad, toen hij plotseling een kelder indook. Hij kwam terug met twee pakken rijst en gaf er Berend ook wat van. Die nam het voedsel graag aan. ’t Was eigenlijk wel gestolen, maar ja, honger is een scherp zwaard! Berend “pikte” hier en daar ook wel eens wat en haalde zelfs eens een stuk oud brood en een koolstronk uit een konijnenhok weg.

Onder deze omstandigheden was het geen wonder, dat veel mannen ziek werden. De kampleiding wilde die zieken wel graag kwijt en overwoog hen naar een schip in de haven te brengen. Met dat schip zouden ze naar huis gaan, zo werd gezegd, maar in werkelijkheid was het de bedoeling het op volle zee tot zinken te brengen. Het plan lekte uit en werd met veel moeite verhinderd. Dat de geallieerden steeds verder oprukten, bleef de kampbewoners niet onbekend. Het wachten op de bevrijding duurde echter lang, veel te lang. De vrees alsnog omgebracht te worden, was elke dag levensgroot aanwezig.

Op 7 mei, de Duitse capitulatie was toen al een feit, rukten Poolse troepen Wilhelmshafen binnen. Het kamp werd echter nog niet aan hen overgedragen, zodat de benarde positie van de gevangenen voortduurde. Wel kwamen er vijf Groninger verzetsmensen, die enkele leden van hun eigen groep aantroffen en meenamen naar Nederland. Berend en zijn vriend Rein Boerma wilden nu ook niet langer wachten. Ze negeerden de prikkeldraadafrastering en de schijnwerpers en kropen door een gat in de omheining naar de vrijheid. Een Duitse bewaker wilde hen nog tegenhouden, maar toen Berend met een dreigend gebaar maakte, ging hij ervandoor. Nu was het de beurt aan de Duitsers om bang te zijn!

Berend en Rein meldden zich direct bij de Poolse bevrijders in de stad en kregen van hen andere kleren. En natuurlijk, eindelijk, genoeg te eten. Op 15 mei werden ze met andere bevrijde gevangenen op Engelse legerwagens naar Enschede gebracht. Voor onderweg kregen ze van de Polen noodrantsoenen mee.

In Enschede werden ze ondergebracht in de fabriekshal van de BATA. Ze werden ontsmet en artsen kwamen hen onderzoeken. Verschillenden, waaronder Berend, hadden open wonden aan de benen tengevolge van honger en ongedierte.

Nu wilde Berend terug naar Dalerpeel, desnoods lopend. Gelukkig kwamen ze erachter, dat er een vrachtauto naar Slagharen zou gaan om de aardappelen te halen. Berend en zijn vriend mochten meerijden en kropen onder de lege zakken achter op de laadbak. Zo kwamen ze in Slagharen aan en liepen vandaar naar Dalerpeel, waar ze op 20 mei aankwamen.

Berend werd ontvangen als een verloren zoon. Hij was de laatste van het gezin, die thuiskwam. Op advies van de huisarts moest hij met zijn gewonde benen in de zon gaan liggen. Dat bleek een probaat middel te zijn. Dank zij de goede zorgen thuis kwam hij de doorstane ellende snel te boven.

Om het dagelijks brood
Om de oven te verhitten werden takkenbossen, lange witte turf of gasolie gebruikt



Direct na de lagere school kwam Roelof Hidding als leerling in de bakkerij van zijn oudoom Gerrit Naber aan de Hoofdstraat. De oudoom verkocht behalve brood, koek en beschuit ook kruidenierswaren, snoep en tabak. Roelof was nogal klein van stuk en moest de eerste tijd op een stoof staan om in de oven te kunnen kijken. ’s Morgens werkte hij in de bakkerij en ’s middags ging hij venten bij de klanten buiten het dorp. Op donderdag en zaterdag was hij altijd in de Mars en op woensdag steeds op de Eldijk.

Op 10 mei 1940 zag hij de Duitse ruiters vanaf de Oude Dalerveensestraat en de Hoofdstraat Dalen binnen trekken. De kastanjebomen, waaraan het dorp toen ook al zo rijk was, stonden in volle bloei.

Nog diezelfde dag kwamen er Duitse militairen in de winkel en kochten van alles, vooral thee en koffie. Kort na de bezetting trad de distributiedienst in werking. Alle etenswaren werden schaars en alleen tegen inlevering van bonnen waren ze nog te verkrijgen. De winkelier moest de ontvangen bonnen op vellen plakken en inleveren bij het distributiekantoor. Hij kreeg hiervoor weer andere bonnen terug, waarmee hij inkopen kon doen bij de groothandel. Als er tenminste iets te kopen viel!

Zodra er weer nieuwe bonnen waren, fietste Roelof met zijn transportfiets naar Coevorden om te proberen bij de Coevorder Handelscentrale artikelen voor de klanten te verkrijgen. Een transportfiets was extra zwaar gebouwd, had brede banden en er was een bagagedrager boven op het voorwiel gemonteerd, waarop een grote mand werd gezet. Lukte het niet om in Coevorden inkopen te doen, dan fietste hij naar Hoogeveen om het daar te proberen. Telefoon was er niet, dus je moest maar op goed geluk een poging wagen. Zo ging Roelof eens drie dagen achtereen naar Hoogeveen om een vaatje stroop te bemachtigen. Er werd geen moeite gespaard om wat voor de klanten te doen en… als de bakker niets te verkopen had, verdiende hij ook niets.

Eens ontmoette Roelof in Hoogeveen een vrachtrijder uit Coevorden, die met een met twee paarden bespannen wagen varkens naar de slachterij had gebracht. Roelof had wat handelswaar op de kop getikt en wilde die bij het station aan de vrachtrijder meegeven. Dan had hij het wat gemakkelijker. Plotseling gierden er een paar Engelse jachtvliegtuigen over het station als waarschuwing voor de hier aanwezige mensen.

Even later kwamen ze terug en beschoten een bij de remise staande goederentrein. Iedereen lag inmiddels tegen de muren van het station of had ergens anders dekking gevonden. Zonder persoonlijke ongelukken veroorzaakt te hebben, verdwenen de vliegtuigen en het leven ging gewoon weer verder. Alsof er niets gebeurd was! Een mens kan onder moeilijke omstandigheden leren leven, zelfs als zijn bestaan aan een zijden draad hangt.
Gist is onmisbaar bij het bakken en ook deze grondstof was schaars of ontbrak soms geheel. De bakker maakte dan met behulp van zuur deeg een vervangingsmiddel, zodat het brood toch kon rijzen.

In de hongerwinter 1944-1945 fietste Roelof eens samen met Tien Kalkdijk naar Emmen om te proberen pakjes pudding te bemachtigen. Op de Eldijk stak een sneeuwstorm op, maar ze reden door. In het Noordbargerbos stonden twee postboden met een driewielerbakfiets. Ze kwamen uit het westen en moesten post naar Ter Apel brengen, vanwaar ze dan weer etenswaren wilden meenemen. Door de sneeuw konden ze echter niet verder.
Roelof en Tiens waarschuwden iemand in Emmen, die op het postkantoor werkte en deze zorgde ervoor, dat de driewieler verder kon. De zware reis was voor Roelof en Tiens niet tevergeefs geweest, want ze kwamen in Dalen terug met elk vijfenzeventig pakjes pudding zonder suiker. Bij de aardappelmeelfabriek in de Krim kon “Crackfree” stijfsel gehaald worden. Als Roelof daar een enkele keer veertig pakjes kon kopen, voelde hij zich rijk en gelukkig. Weer zou hij een aantal klanten een plezier kunnen doen. Maar het was wel een zwaar leven. ’s Morgens bakken, ’s Middags venten en ook nog proberen in Coevorden, Hoogeveen of elders handelswaar te krijgen! Omdat verschillende produkten tenslotte helemaal niet meer aanwezig waren, werden er geen koekjes meer gebakken. Met veel fantasie en bakkerskunst soms nog wel eens een taart.

Om de oven te verhitten werden takkenbossen ,lange witte turf of gasolie gebruikt. Laatstgenoemde brandstof was op toewijzing verkrijgbaar en op het gebruik ervan werd controle uitgeoefend. Eens werden Roelof en zijn collega-bakker Lukas Schoe bekeurd, omdat ze teveel olie gebruikt hadden en ze moesten in Assen voor de rechter verschijnen. Lukas stapte goed voorbereid en met een tas vol bewijsstukken in de tram. Dat hielp echter niets, want hij kreeg helemaal geen gelegenheid zijn verweer te voeren. Beide bakkers gingen met een boete van honderdvijftig gulden terug naar Dalen.

De Daler boeren verkochten een deel van hun rogge aan de plaatselijke molenaars, die hun meel weer aan de Daler bakkers leverden. Die op hun beurt bakten er broden van, die hoofdzakelijk naar de dorpsgenoten gingen. Zo verzorgde Dalen zich voor een groot deel zelf. Hoe langer de bezetting duurde, des te schaarser werden de gebruiksartikelen en voedingsmiddelen. Vaak werden surrogaten vervaardigd, artikelen, die op de oorspronkelijke leken, maar veel slechter van kwaliteit waren. Ook deze surrogaten waren vaak op de bon. Omdat bakkers voor het bezoeken van klanten veel moesten fietsen, konden ze aan het eind van de oorlog een toewijzing van surrogaat-fietsbanden krijgen.

Vooral in de winter gaf de bediening van de klanten buiten het dorp veel problemen. Bijna alle buitenwegen waren nog zandwegen en veranderden bij slecht weer vaak in modderpaden. Bij zware sneeuwval was dat nog erger. Maar naast het zware werk was er ook wel tijd voor prettige dingen. Op zondagavond bijvoorbeeld mocht er uitgegaan worden. Dan kreeg Roelof de fiets van zijn oom mee om in Emmen “naar de meid” te gaan. Naar Hilly Naber, met wie hij in 1946 zou trouwen.

Kort voor de bevrijding, toen de Canadezen de Eendrachtwijk in Coevorden al bereikt hadden, gingen Roelof en Tiens Kalkdijk vroeg in de morgen naar Kooiker aan de Van Heutszsingel. Ze wilden proberen daar gist te krijgen. Op het Stationsplein aangekomen, leek de stad wel uitgestorven te zijn. Er was niemand te zien. Bij Kooiker werd eerst niet open gedaan, maar na herhaald bellen kwam hij toch tevoorschijn. De familie had zich in de kelder in veiligheid gebracht. De beide bakkers volgden hun leverancier maar, de kelder in. Er gebeurde echter niets en ze besloten weer terug te wandelen. Kooiker bleek nog een klein beetje gist te hebben en daar kregen ze elk een stukje van mee.

Weer op het Stationsplein aangekomen, zagen ze daar een stel Duitse militairen, die met fiets en kruiwagens vol bezittingen op de vlucht waren. Tiens en Roelof sloten zich bij hen aan en deden hen op deze manier, met de verkregen gist in een rode zakdoek, uitgeleide. Tot Dalen, wel te verstaan!

De Groenen

Ze ontdekten de kist en namen een groot deel van het vlees in beslag.

De heer W.S de Muinck Keizer, directeur van de Coevorder strokartonfabriek “Hollandia”, kocht in de dertiger jaren een groot huis in de Bente. Hij liet het afbreken en bouwde op dezelfde plaats een prachtige villa, die hij De Vondel noemde. Dat was geen bedenksel, want het vorige huis droeg die naam ook al.

In 1942 stelde De Muinck Keizer Tien Wiegers als tuinman/huisknecht aan, belast met het onderhoud van het terrein om de villa en andere voorkomende werkzaamheden. Tiens was eerst tuinman bij dokter Christiaans geweest en hij had het er daar goed naar zijn zin gehad. De verstandshouding met de huisarts was ondanks zijn vertrek uitstekend gebleven. Ook in en rond De Vondel beviel het hem goed.

Het werk was veel omvattend en hij voelde zich zeer bij de familie betrokken. Dat veranderde ingrijpend, toen in 1943 de villa gevorderd (in beslag genomen) werd door de Duitse bezetter. De familie De Muinck Keizer moest noodgedwongen verhuizen en vond onderdak in de helft van een grote woning tegenover De Vondel. Daar woonde de heer J.C. Oldenbandringh, die zich met recht ontpopte als een goede en gastvrije buurman in moeilijke tijden.

Tiens wilde zijn betrekking opzeggen, maar De Muinck Keizer vroeg hem dringend aan te blijven om de tuin te onderhouden. Bovendien kon hij dan het huis wat in de gaten houden en misschien ook wel de inventaris. Tiens, die met zijn gezin in de Achterbente woonde, overlegde met zijn vrouw en besloot tenslotte op het verzoek van zijn baas in te gaan.

De nieuwe bewoners, zes leden van de “Grüne Polizei” met twee herdershonden, namen intrek in De Vondel. Ze hadden een controlerende taak en werden vanwege de kleur van hun uniform door de bevolking algemeen “De Groenen” genoemd. De honden waren afgericht en reageerden speciaal op mensen, die geen uniform droegen. Tiens werd al snel goede maatjes met ze, doordat hij ze vanaf het begin allerlei lekkere hapjes toestopte. Tot ergernis van de Duitsers luisterden ze na verloop van tijd even goed naar hem als naar henzelf.

Hij kreeg het al gauw aan de stok met de Groenen. Ze dachten (misschien wisten ze ’t ook wel), dat De Muinck Keizer ergens een voorraadje olie en benzine had opgeslagen. Onder bedreiging met een geweer werd hem gevraagd, waar de vloeistoffen verborgen waren. Tiens hield vol, dat hij het niet wist, maar dat was natuurlijk niet zo. Een deel lag begraven in de tuin en de rest was verborgen onder het hooi voor de paarden in de garage. Hij wist wel iemand, die de olie en de benzine goed gebruiken kon. Dat was zijn oude baas, dokter Christiaans. Toen de Groenen niet meer aandrongen, begon hij ’s avonds als ze er niet waren, af en toe wat bussen naar de dokter te brengen. Telkens als de motorfiets van de arts weer dringend behoefte had aan brandstof of smering. Er was ook nog vlees verborgen, maar dat bleek bedorven te zijn.

Aan vlees hadden de Groenen trouwens geen gebrek. Tijdens hun overvallen bij de boeren ontdekten ze voortdurend onregelmatigheden bij de controle op de hoeveelheid eigen slachtvlees. Meestal namen ze dan een stuk in beslag en lieten het verder zo.

Niet altijd echter liep het goed af. Dat ondervond de familie Lamberts aan de Stationstraat. Jan, zijn vrouw Jantje en Jan’s broer Albert waren gewend eigen vee te slachten om voldoende vlees in huis te hebben. Ze hadden nogal wat nodig, want ze keken niet op een pond meer of minder. Omdat de bezetter slechts een beperkte hoeveelheid toestond, hadden ze een extra voorraad aangelegd, die ze in een grote kist op zolder bewaarden. Daar was het vlees goed verborgen, dachten ze.

Op een zekere dag echter stonden tot hun grote schrik 4 Groenen voor de deur. Ze kwamen binnen en wilden met alle geweld direct naar boven. Albert schrok! Als hij ze hun gang liet gaan, zouden ze zeker de vleeskist vinden en hij wist, dat de Groenen heel gemakkelijk de hele voorraad in beslag zouden nemen. Dus posteerde hij zich voor de trap en wilde de Duitsers tegenhouden. Die trokken zich daar niets van aan en toen een van hen hem opzij wilde duwen, werd Albert woedend. Hij greep de Groene bij de keel, duwde hem tegen de muur en hield vast. Een van de anderen ontzette zijn kameraad en nu waren de Groenen niet meer te houden.

Ze ontdekten de kist en namen een groot deel van het vlees in beslag. De broers moesten een formulier ondertekenen, waarin ze verklaarden geen bezwaar tegen de inbeslagneming te hebben. Onder bedreiging van de rovers zetten ze hun handtekening en vervolgens werden ze samen met het gestolen vlees meegenomen in de overvalwagen. De Groenen reden naar Oosterhesselen, waar ze hun gevangenen in een café aan een verhoor onderwierpen. Dat ging met schoppen en slagen gepaard.

Door toedoen van burgemeester Ten Holte werden de broers midden in de nacht vrijgelaten en op straat gezet. Te voet gingen ze naar Gees, waar een familielid hen van fietsen voorzag. Zo kwamen ze behouden weer in Dalen aan. ’t Was een angstig avontuur geweest.

De Groenen waren gevreesd in Dalen. Ze deden aanhoudend huiszoekingen en kwamen meestal in het donker. Vaak zochten ze naar wapens of onderduikers en meestal werden ze “getipt” door N.S.B.ers. Als ze iemand arresteerden, gingen ze met hun gevangene te voet door het dorp, begeleid door de honden. Ontkomen was uitgesloten. In De Vondel werden de gearresteerden opgesloten in een kast in de hal en Tiens werd in voorkomende gevallen verantwoordelijk gesteld voor hun verblijf daar. Ook De Muinck Keizer werd een keer gearresteerd op verdenking van illegale activiteiten, maar hij kwam dankzij een afkoopsom weer vrij.

Een van de Groenen was niet zo kwaad. Hij deed nooit mee met de anderen, als die in de tuin schietoefeningen hielden of de honden trainden. Hij waarschuwde zelfs een goede kennis van Tiens, dat hij wat voorzichtiger moest zijn, als hij naar Radio Oranje luisterde.

Voor de Groenen was niemand veilig. Toen Tiens eens in de schuur van dokter Christiaans bezig was, hoorde hij hen aanbellen en naar de dokter vragen. Zonder zich te bedenken, sprong hij op zijn fiets en reed zo snel mogelijk de burgemeester Ten Holteweg op. Hij wist, dat de dokter met zijn motorfiets naar de Vossebelt was gegaan. Onderweg kwam hij hem tegen en waarschuwde hem niet naar huis te gaan.

De dokter reed terug en verborg zich met zijn motor in he korenveld. Later op de dag ging hij, vermomd in boerenkleren, langs allerlei binnenpaadjes naar een kennis in De Krim. Daar dook hij onder. Na een paar dagen kwam hij toch maar weer terug. Misschien had hij helemaal geen gevaar gelopen, maar ja, je kon nooit weten!

Tiens zou, als hij dat gewild had, best alle Groenen hebben kunnen vermoorden. Ze dronken vaak een stevige borrel en ’t kwam dikwijls voor, dat ze laveloos in de kamer lagen; hun geladen geweren tegen de muur. Kansen genoeg, maar hoewel Tiens de Duitsers haatte, ging moord hem te ver.

Kort voor de bevrijding zijn de Groenen met stille trom vertrokken. Toen kon De Muinck Keizer De Vondel weer betrekken en toen kwam men ook tot de ontdekking, dat de vloerkleden en het door de Duitsers gebruikte beddengoed van het Joodse echtpaar David en Jet Bierman afkomstig waren. Omdat zij beiden ongedeerd terug kwamen, kon hun bezit weer teruggeven worden. Ook Tiens kon iets terugbrengen de koffer van De Muinck Keizer, die hem bij de komst van de Groenen toevertrouwd was. Twee jaar had het ding bij het echtpaar Wiegers onder het bed gelegen. Wat erin zat, hebben ze nooit geweten!

Ik ben echt geen held

Gerrit’s verzetsgroep hield zich met heel verschillende zaken bezig.

Toen de oorlog uitbrak was Gerrit Rotman veertien jaar. Zijn ouders hadden een manufakturenzaakje in Dalerveen, dat van oudsher bezit van de familie was. Er hoorde ook een P.T.T-agentschap met drie telefoonaansluitingen bij. Vader Rotman was huisschilder, maar er was niet zoveel werk in het dorp om daarvan te kunnen leven. Hij leed aan een longziekte. Ondanks die handicap was hij toch actief bij het verzet betrokken. Juffrouw Houwing, onderwijzeres aan de openbare school en N.S.B.lid, woonde in de voorkamer en dat maakte het er niet gemakkelijker op. Vader Rotman werd al spoedig verdacht en er volgden huiszoekingen zonder dat er iets gevonden werd. Dokter Christiaans deed een oplossing aan de hand om de kans op overlast te verkleinen. Gerrit’s vader werd T.B.C besmet verklaard en er kwam een tentje van het Groene Kruis in de tuin. Dat had een holle vloer en die omstandigheid kwam goed van pas. Er kon van alles onder verborgen worden. De Duitsers hadden last van “smetvrees”, dus het tentje bood om verschillende redenen een veilig onderkomen. In november 1942 overleed Gerrit’s vader.

Gerrit werd nu, zestien jaar oud, gevraagd zich ook voor het verzet in te spannen. Onder de schuilnaam Hans Hachmeyer, want de verzetsbeweging had inmiddels leergeld betaald. Op die manier zou niemand bij een verhoor Gerrit’s echte naam kunnen prijsgeven. Hij kreeg de functie van hulpbesteller en daarbij een prachtig uniform. Dat was niet gebruikelijk, maar ’t moest de Duitsers het idee geven, dat hij belangrijk en betrouwbaar was. Gerrit moest ook de telefooncentrale bedienen.

N.S.B.er Krook, voormalig gemeentearchitect, organiseerde nogal huiszoekingen. Ook via de telefoon en daar kon Gerrit wel eens iets tegen doen. Op een keer luisterde hij een gesprek van Krook hierover af. Nadere berichten zouden na negen uur doorgegeven worden, als de Daler telefoonaansluiting werden overgeschakeld naar de nachtdienst van Coevorden. Er was al wel gezegd, bij wie er huiszoeking zou worden gedaan en deze mensen werden prompt allemaal gewaarschuwd. Die avond kon Krook zijn telefoon niet gebruiken. Heel toevallig was er een draadje in zijn toestel losgeraakt. Dat werd tenminste de volgende morgen door een technicus geconstateerd. Hij zei er maar niet bij, dat Gerrit de schakelaar niet omgezet had.

In café Meppelink in Dalerveen kwam vaak een felle N.S.B.er met propagandapraatjes over de nationaalsocialisten. Hij zette zich enorm in om de Dalerveense jeugd te bewegen lid van de Jeugdstorm te worden. Eens werd hij bij een wervingsbezoek aan een gezin ontvangen door een wat oudere, dove vader. “Ach, als alle jongens erbij zijn, dan moeten die van ons ook maar mee”. kreeg hij te horen. Maar moeder dacht daar anders over.” Om de bliksem niet! D’r oet!”, zei ze beslist. “Die man is doof en hoort niet half waar het over gaat!” En de jongens werden geen lid.

Maar er waren zoveel anderen, dat er een afdeling in Dalerveen kwam. De jeugdstormers moesten uiteraard ook leren marcheren en dat alleen gaf veel verstolen vermaak. Dat werd nog vergroot door het feit, dat ze nogal wat moeite hadden om de verschillende rangen uit elkaar te houden.

Er was veel verraad in de oorlog en sommige mensen werden speciaal in de gaten gehouden. Dat was bijvoorbeeld het geval met meester Otterman in Wachtum, die voor de oorlog lid van de N.S.B. was geweest en later ook bij het verzet betrokken raakte. Eens zat Gerrit bij hem in de tuin over koetjes en kalfjes te praten. Op een zeker moment zei hij: “Ik hoor geritsel!” Otterman keek verbaasd en antwoordde bezorgd, dat hij maar beter met het verzetswerk kon ophouden, als hij zich dit soort dingen ging verbeelden. Maar Gerrit had wel gelijk. Toen ze gingen kijken, zat er inderdaad een “luistervink” in de sloot bij de tuin. De vogel was snel gevlogen en tijden het nu volgende gesprek verklaarde Otterman, dat het hem erg speet, dat hij eerst zo overtuigd lid van de N.S.B. was geweest.  “Ik zal alles doen om het weer goed te maken!”, beloofde hij.

In het voorjaar van 1943 ging Gerrit voor een verzetsopdracht met de trein naar Zwolle. Toen hij uit wilde stappen, stonden er ineens drie mannen in leren jassen met opgezette kragen om hem heen. Ze namen hem mee naar hotel Gijtenbeek, waar hij aanvankelijk vriendelijk met koffie en een koekje werd ontvangen. Er werden vragen gesteld, maar toen de verwachte antwoorden uitbleven, veranderde de toon. Er werd al eens een stoel hard neergezet en tenslotte eindigde het “met van dik hout zaagt men planken.” Gerrit kreeg er behoorlijk van langs. Hij werd geslagen en geschopt. Tenslotte werd hij meegenomen, een keldertrap afgeduwd en alleen gelaten. Merkwaardig genoeg bleek hij niet opgesloten en na een tijdje wandelde hij zo weg. Op zijn hoede, bang dat hij geschaduwd zou worden, ging hij eerst naar Kampen, waar hij uiteraard niets te zoeken had. Toen alsnog naar Zwolle en pas nadat hij zekerheid had niet gevolgd te worden, bezocht hij het huis, waar hij een afspraak had.

Later moest hij opkomen voor de “Arbeitseinsatz”. In Amersfoort ging hij er vandoor, maar hij werd snel weer opgepakt. Voordat hij als strafmaatregel in het jeugdkamp “De Achterberg” in Rhenen werd geplaatst, maakte hij kennis met de beruchte “rozentuin”. Hij werd gedwongen onder een laag geplaatste rij prikkeldraad door te kruipen, terwijl de Duitsers er met geweren overheen schoten.

In Rhenen moest Gerrit burgerauto’s overspuiten in legerkleur. Het plan was de jonge gevangenen over te plaatsen naar Brabant, maar de snelle opmars van de geallieerden verhinderde dit. Op een avond werd Gerrit met een aantal andere jongens per vrachtauto naar de trein gebracht. In veewagons geladen gingen ze op weg. Bij Kesteren moest er wegens beschietingen uit de lucht gestopt worden. Later nog een keer om dezelfde reden bij Zwolle. Daar bleven ze en halve dag op een baanvak staan; Gerrit herkende de plaats, waar ze waren, aan de kolenoverslag van de firma Meinen. De treinreis eindigde in Coevorden. Ze werden naar gereedstaande tramwagons aan de Krimweg gedreven en naar een werkkamp in De Krim gebracht. Op Dolle Dinsdag ontvluchtte Gerrit met enkele anderen het kamp.

De bewakers waren helemaal in verwarring en de volgende dag gingen de ontsnapten brutaalweg terug om de overgebleven te bevrijden. Dat gelukte heel gemakkelijk en er vielen nog rake klappen ook. Voor de oppassers!

Gerrit dook onder bij Mans Ramaker aan de Lutter Hoofdwijk in De Krim. De bewakers kwamen weer tot bezinning en geholpen door beruchte kopstukken van het strafkamp Ommen werd er ijverig gespeurd naar de ontsnapte gevangenen. Op een avond werden alle huizen aan een kant van het kanaal onderzocht. Dat ging zo snel, dat de onderduikers bij Ramaker totaal verrast werden. Gelukkig deed de zoon des huizes open, toen er werd aangebeld. Hij was totaal niet van zijn stuk gebracht, ging in de deuropening staan en vroeg verontwaardigd: “Wou je de boel nou al weer op de kop zetten? Ze bent hier net west!” De overvallers reageerden volkomen verbluft: “Dan gaan we gauw naar de volgende” en lieten de woning ongemoeid.

Gerrit vluchtte nu naar Nieuwlande en vandaar naar Schoonoord. Toen ook hier razzia’s werden houden, besloot hij weer naar huis te gaan. In het dorp met het grote aantal N.S.B.ers zouden ze hem niet zo gauw gaan zoeken, dacht hij.

Hij kreeg gelijk. De kleine gemeenschap was nog zo gesloten, dat niemand er aan dacht hem aan te brengen en zo kon hij zijn verzetsactiviteiten weer rustig hervatten.

Gedurende een korte tijd werd er munitie gedropt bij het Drostendiep.  Daar werd in die tijd nog ijzeroer gegraven, dat met lorries via de rails naar een aan het diepje liggende praam werd gebracht. Aan Van Veen, de opzichter, werd gevraagd ervoor te zorgen, dat het achterste deel van de boot zwaar beladen werd, zodat de boeg omhoog stak. Hierop werd een grote witte V geschilderd, zodat het vliegtuig gemakkelijk de afwerpplaats zou kunnen herkennen. Het V-teken viel helemaal niet op, omdat ook de Duitsers het bij hun propaganda gebruikten. De hierop volgende dropping was een succes, maar het viel niet mee de afgegooide pakken allemaal te vinden. Toen het winter werd en het lage gebied onder water kwam te staan, werden de droppings gestaakt.

Gerrit bracht een deel van de munitie zelf weg. Op een keer was hij met een band patronen in de fietstas onderweg naar Schoonoord, toen hij ingehaald werd door een hem bekende landwachter. Deze vroeg, waar hij heen ging. “We hebben al een poos niets van opoe gehoord!”, antwoordde Gerrit. “Ik ga eens kijken hoe het ermee is!” Omdat de landwachter dezelfde kant op moest, fietste hij “gezellig mee”. Toen hij onderweg ook nog een praatje maakte met andere N.S.B.ers maakte, bonkte Gerrit het hart in de keel. Maar alles ging goed.

Gerrit’s moeder kwam uit Zuid-Holland en iedereen vond het dus normaal, dat er familie uit het westen bij hen logeerde. Die familie was echter helemaal geen familie, maar een gezin uit Zwolle dat had moeten onderduiken.

’t Waren daklozen, werd overal verteld. Gerrit’s verzetsgroep hield zich met heel verschillende zaken bezig. Bij een mislukte actie in Assen, zag hij, dat een jongen van zijn groep op straat werd opgepakt. Een meisje, dat op wacht stond bij een fotozaak, schrok daar zo zichtbaar van, dat ook zij gearresteerd werd. Gerrit heeft nooit meer iets van hen gehoord.

Een andere keer waarschuwde de groep de gereformeerde dominee van Zweeloo, dat hij kans liep tijdens een bepaalde dienst opgepakt te worden. De predikant had de gewoonte elke zondag te bidden voor het Oranjehuis, hoewel dit door de bezetter streng verboden was. En inderdaad, toen de bewuste kerkdienst een aanvang nam, zaten er twee vreemde bezoekers in de kerk. De onderduikers, die anders gewoon ter kerke gingen, waren er deze keer echter niet en dominee “vergat” ook de koningin. De liederen, die gezongen werden, konden de bezoekers niet in de hun verstrekte boekjes vinden en toen ze na afloop vertrokken bleken hun fietsbanden leeg te zijn. Ze bliezen de aftocht en dominee had achteraf reuze plezier.

Na de bevrijding werd Gerrit lid van de B.S. Terugkijkend op de oorlogstijd zegt hij bescheiden: “Ik ben echt geen held!”.

De Daler Canadezen

Met een enorme dreun ontplofte de Halifax.

Vanaf 1943 werden de Dalenaars ’s nachts regelmatig wakker door het gedreun van vliegtuigmotoren. Grote aantallen geallieerde bommenwerpers kwamen hoog over op weg naar Duitsland. Vroeg in de morgen kwamen ze weer terug na hun dodelijke last op de Duitse steden gelost te hebben. Veel Dalenaars luisterden met grote voldoening naar het zware geronk; soms echter werden die gevoelens overvleugeld door angst. Dat gebeurde, als Duitse nachtjagers de bommenwerpers aanvielen en er een aantal van neerschoten. Die stortten dan omlaag met alle gevolgen van dien. Dat de angst niet ongegrond was, blijkt wel uit het feit, dat er in 1943 meer dan 1300 bommenwerpers boven Nederland neerkwamen.

De viermotorige Canadese bommenwerper, type Halifax, van het 419e squadron keert in de nacht van 13 op 14 juni 1943 terug naar zijn basis in Engeland. De bemanning heeft zijn zevende bombardementsvlucht achter de rug. Het doel was deze keer de Duitse stad Bochum. Om half vier wordt het toestel boven Nieuw-Amsterdam door een vijandelijke jager onder vuur genomen. De Halifax krijgt een voltreffer en vliegt kort daarop in brand. De gezagvoerder, flight-sergeant Buchwell geeft zijn bemanning opdracht met de parachute het toestel te verlaten. Zelf blijft hij in de cockpit om het vliegtuig zo lang mogelijk horizontaal te houden, waardoor zijn kameraden de kans krijgen met succes te springen.

Alles gaat echter heel snel en maar drie vliegers, de radiotelegrafist Buggan, navigator Lowry en bommenrichter Reid, slagen erin op tijd uit het toestel te komen. Met een enorme dreun ontploft de Halifax dan en komt in brokken en stukken naar beneden. De romp met daarin de overige bemanningsleden komt half in een sloot, zo’n honderd meter ten zuiden van de Reindersdijk terecht; daar valt ook een vleugel neer. Geschrokken buurtbewoners, waaronder Harm en Olf Veldhuis zijn al snel ter plaatse. Ook burgemeester Ten Holte is spoedig aanwezig. De vier achtergebleven mannen zijn dood; twee van hen zijn uit het vliegtuig geslingerd en liggen er vlakbij op de grond. Het kan de eerst aangekomenen er niet van weerhouden de resten van het toestel aan een nader onderzoek te onderwerpen. Banden mitrailleurkogels en andere voorwerpen worden meegenomen.

Graven van de Daler Canadezen

De graven van de Daler Canadezen

Duitse militairen zetten het terrein af en inspecteren de resten. De vier omgekomen Canadezen worden met een boerenwagen naar ’t gebouwtje achter de kerk gebracht en daar opgebaard. Het zijn de al eerder genoemde tweeëntwintigjarige gezagvoerder Buchwell, de vierentwintigjarige boordwerktuigkundige Walkerdine en de beide schutters Le Roy Bovaird en Husteau, eenentwintig en vierentwintig jaar oud. Enkele dagen later worden ze in stilte begraven.

De kosten van de begrafenis, f 517,25, werden vergoed door de door de Duitsers ingesteld overheid. Al direct vanaf het begin werden de graven onderhouden door de gezusters Jantje en Lie Hoving. Na de bevrijding werd dit overgenomen door meisjes van verschillende Daler buurtverenigingen, die ook elke week verse bloemen neerlegden. Helaas kwam hier op de duur de klad in, waarna vrouwen van deze verenigingen het onderhoud op zich namen. Inmiddels verzorgt de gemeente Dalen de graven. Via het Nederlands Oorlogsgraven Comité kwam Jantje Hoving in contact met de moeder van gezagvoerder Buchwell, wiens graf zij adopteerde. Mevrouw Buchwell kwam later naar Nederland om de laatste rustplaats van haar zoon te bezoeken. De drie overlevende Canadezen werden door de Duitsers krijgsgevangen gemaakt en keerden gelukkig na de oorlog allen behouden naar hun vaderland terug.

Arend en Antje

Arend bezorgde ook hier en daar illegale krantjes..

Arend Berends en Antje Rekkers trouwden in 1938 en gingen wonen in Dalerveen, waar zij een boerderijtje huurden. Antje kwam uit Gees en Arend, geboren in Mantinge, was daar boerenknecht geweest en zo hadden ze elkaar leren kennen.

In Dalerveen had het jonge gezin het best naar zijn zin. Ze konden allebei goed met mensen omgaan en dus waren de verhoudingen erg prettig. Dat veranderde wel iets, toen ze bemerkten, dat veel plaatsgenoten actieve N.S.B.ers waren. Arend en Antje zaten soms in een moeilijk parket, omdat zij niets met het nationaalsocialisme te maken wilden hebben.

Hun buurman van wie zij ook nog hun boerderijtje pachtten, was een van de felste N.S.B.ers. Als pachter tegenover eigenaar en als buurman was het echter wel raadzaam een goede verstandhouding te bewaren en dat probeerden ze ook wel. In politiek opzicht bleven ze echter tegenstanders en dus moesten Arend en Antje voortdurend schipperen en voorzichtig zijn.

Tijdens de bezetting werden bijna alle artikelen en in de eerste plaats etenswaren en kleren gerantsoeneerd, waarvoor bonnen werden afgegeven. Bij ontvangst van deze bonnen op het distributie- kantoor werd elke keer een aantekening op de stamkaart gemaakt. Dit was een identiteitskaart, voorzien van een pasfoto en een vingerafdruk van de houder.

Ook vlees was uiteraard op de bon en allen tegen inlevering van een bepaald aantal bonnen kon dit bij de slager gekocht worden. Boeren konden bij de Plaatselijke Bureauhouder (de P.B.H.) vergunning vragen voor een huisslachting. Afhankelijk van de grootte van het gezin werd het toegestane gewicht van de te slachten dieren per jaar bepaald. Evenals op bijna alle overheidsmaatregelen en voorschriften werd ook op de huisslachting controle uitgeoefend. De P.B.H. zocht hiervoor een controleur. Arend solliciteerde en kreeg deze functie. Het eraan verbonden salaris kon hij best gebruiken en de ervoor benodigde tijd kon hij op zijn boerderijtje wel vrijmaken. Hij begon blijmoedig en vol verwachting aan zijn nieuwe taak en nam zich voor zijn werk zo goed mogelijk te doen.

’t Bleek echter moeilijker, dan hij gedacht had. Eigenlijk begonnen bij het wegen van het eerste varken bij een boer de problemen al. Het gewicht bepalen met behulp van een bascule leverde geen moeilijkheden op, maar wat te doen als het geslachte dier zwaarder bleek te zijn dat het gezinsrantsoen toeliet? De toegewezen vleesbonnen (ongeveer vijfentwintig kilo per persoon) waren niet van die omvang, dat het boerengezin ruim in het slachtvlees kwam te zitten. Bovendien was een boer van oudsher gewend dagelijks een flinke portie naar binnen te werken; meer dan een burger en die had aan de bonnen eigenlijk al te weinig. Daarbij kwam ook nog dat de boer “zelf verbouwde” en daar hield het Bureau voor de Voedselvoorziening al helemaal geen rekening mee.

Arend zette het probleem vrij gauw van zich af. Hij haatte de Duitsers en hij gunde zijn Nederlandse medeburgers graag een extra stukje vlees. Dus past hij het gewicht van de geslachte dieren meestal royaal aan bij de hoeveelheid toegewezen bonnen per gezin. Tot grote voldoening van de boeren. Vaak woog het eerste varken nog niet zwaar genoeg en men wilde graag een nog lager gewicht op papier vermeld zien. Dan kon een tweede slacht plaatsvinden met de mogelijkheid flink wat overgewicht te verkrijgen. Dit teveel aan vlees werd lang niet altijd door het gezin gebruikt en vaak aangewend als ruilmiddel bij het kopen van schaarse artikelen als kleding en andere dringende benodigdheden. Tegen betaling met uitsluitend geld was er op de duur immers niet veel meer te verkrijgen.

Arend’s manier van wegen werkte tot volle tevredenheid van alle betrokkenen, totdat hij zelf werd gecontroleerd.  De Groenen hadden zich inmiddels gevestigd in de villa “De Vondel” in de Bente! Ze hadden een controlerende taak en zo kreeg Arend Berends ook met hen te maken. De Groenen constateerden bij hun bezoeken aan verschillende boeren, dat het gewicht op de door Arend opgestelde briefjes niet klopte met de werkelijkheid. Arend hoorde hiervan en uit angst opgepakt te worden, overnachtte hij nogal eens bij een goede kennis in Dalerveen. Toch kon hij uit de handen van de Groenen blijven. Vaak was het namelijk zo, dat de controlerende Duitsers zich bij gebleken overgewicht tevreden stelden met een deel daarvan. Zij moesten ook leven en de boeren wilden het uit zelfbehoud wel op een akkoordje gooien, ook al was het met de vijand.

Als vooruitstrevende boer had Arend zich de kennis van het aardappelen selecteren eigen gemaakt. De uitgezochte aardappelen mochten weer benut worden als pootgoed en dat bracht meer geld in het laatje dan dat ze gebruikt werden als fabrieks- of consumptieaardappelen. Arend deed dit selecteren niet alleen voor zichzelf, maar ook voor aardappelhandelaar Bartels uit Coevorden en dan uiteraard tegen betaling. Op een zekere dag vroeg zijn N.S.B. buurman of hij ook voor hem wilde selecteren.

Natuurlijk wilde hij dit niet weigeren, maar nu moet hij zijn werk bij Bartels opzeggen, omdat hem daarvoor de tijd ontbreken zou. Zo gebeurde het. Buurman’s perceel aardappelen werden goedgekeurd door de goede zorgen van Arend. Maar toen deze loon naar werken vroeg, omdat hij die inkomsten bij Bartels had laten lopen, kreeg hij nul op rekest. De rekening is in geld nooit vereffend; echter na de bevrijding wel op een andere manier. Arend bezorgde ook hier en daar illegale krantjes. Dat ging zo geheimzinnig, dat hij niet eens wist, wie zij bij hem bracht en waar ze gedrukt werden.

Op een dag hoorde de familie Berends een eigenaardig geluid boven de boerderij. In die tijd was men wel gewend aan overkomende vliegtuigen, maar dit geluid was anders. Buitengekomen zagen ze vijf parachutisten in de lucht hangen, die langzaam daalden. Ze kwamen vlak in de buurt neer. Onmiddellijk kwamen er Dalerveners uit de omgeving in actie, gedreven door nieuwsgierigheid en de wil om te helpen. Bij de parachutisten aangekomen bleken het geallieerde vliegers te zijn. Nog maar nauwelijks hadden ze enkele pogingen tot een gesprek aangewend of uit de richting van Den Hool kwam een stel gewapende en geüniformeerde N.S.B.ers aan, dat zich over de vliegers wilde ontfermen. Er ontstond een heftige woordenwisseling, want de Dalerveners vonden, dat zij de eerste rechten hadden. De N.S.B.ers waren echter gewapend en wonnen dus het pleit. De parachutisten werden naar de boerderij van een N.S.B.er gebracht, die achter de schermen heel actief was, maar als puntje bij paaltje kwam, niet thuis gaf. Nu dus wel!

Inmiddels was de tijding van de landing van de parachutisten als een lopend vuurtje door Dalerveen en ook door Dalen gegaan. Hans Brakel, werkzaam op het kantoor van de P.B.H., actief in het verzet, spoedde zich naar de boerderij om te zien of hij nog wat voor de onfortuinlijke vliegers kon doen. Ter plaatse aangekomen ontdekte hij al gauw, dat de conversatie tussen de zwarthemden en hun gevangen niet vlot verliep, omdat ze elkaar totaal niet konden verstaan. Hans sprak Engels en maakte de vliegers al gauw duidelijk dat ze in verkeerde handen waren gevallen. Na een kort gesprek, waarvan de N.S.B.ers niets begrepen, maakte hij aanstalten met de piloten te vertrekken. Dat werd natuurlijk niet toegestaan en voor de tweede keer ontstond een woordenwisseling over het “bezit” van de vreemdelingen. De inmiddels ook verschenen politie mengde zich in de discussie en het eind van het liedje was, dat twee parachutisten door de politie naar Nieuw-Amsterdam werden gebracht en drie naar Dalen. Wat er van hen geworden is, is in Dalerveen nooit bekend geworden.

Botermaker Lanjouw, die bij de zuivelfabriek in Dalerveen werkte, verkocht als hij de kans schoon zag, wel eens illegaal boter. Op een dag gaf hij Antje een seintje, dat hij weer wat te koop had. Ze ging naar de fabriek en verliet het gebouw door de achterdeur. Daar werd ze opgewacht door een paar landwachters uit Dalerveen, die haar pas verworven boter opeisten. Antje dacht er echter niet aan haar plaatsgenoten hun zin te geven en beet hen toe, dat ze zelf maar boter moesten kopen, als ze aan hun rantsoen niet genoeg hadden. En ze liep onvervaard naar huis, met haar boter.

Met hun sympathiebetuigingen aan het adres van de Duitsers gingen sommige Dalerveense N.S.B.ers zover, dat ze de klompen van hun schoolgaande kinderen met hakenkruisen versierden. Meester Beumkes was hiervan niet gediend en verbood de kinderen de toegang tot de school. Er kwam nogal wat herrie van en uiteindelijk moest hij het verbod opheffen en de “hakenkruisleerlingen” als nog toelaten.

Door het grote aantal N.S.B.ers in Dalerveen (het dorp werd niet voor niets Klein Berlijn genoemd) was het voor hen niet moeilijk zich overal in te dringen. Bij bestuursverkiezingen op ledenvergaderingen werden periodiek aftredende bestuursleden dan ook steeds vervangen door N.S.B.ers.

Na de bevrijding haalde Arend Berends zijn buurman persoonlijk van huis op om hem over te dragen an de B.S. Hij werd naar Westerbork gebracht en Arend werd bedrijfsleider op zijn boerderij. Zo werd de nog steeds openstaande rekening vereffend. Toen buurman zijn straf had uitgezeten en weer thuis kwam, stelde hij Arend voor het verleden maar te vergeten. Buiten de politiek hadden ze het immers altijd goed met elkaar kunnen vinden. Arend en Antje namen de uitgestoken hand aan en zo werden ze weer, wat ze ook voor de oorlog waren. Goede buren!

Gezin in Wachtum

Er kwamen natuurlijk ook hier etenhalers.

De familie Wassen, vader, moeder, opa, oom en drie kinderen, woonde in Wachtum. Vader was boer. In de mobilisatietijd moest het gezin het zonder hem zien te rooien. Hij was in militaire dienst, maar kwam in verband met een gewonde voet na verloop van tijd weer thuis. De wond wilde echter niet genezen en hij werd opgenomen in het militaire hospitaal in Santpoort. Daar gingen moeder Wassen en haar zwager Hendrik hem bezoeken. Toen ze in de trein zaten, raakten ze in gesprek met een reizigster uit Haarlem, die hen spontaan aanbood bij haar thuis te overnachten. Dankbaar namen ze de uitnodiging aan. Doordat vader in het hospitaal lag, nam hij geen deel aan de oorlogsmishandelingen. Hij was dan ook (met een genezen voet!) vrij snel weer thuis.

Vader en moeder Wassen wisten zich ondanks de steeds groter wordende schaarste goed te behelpen. Het ontbijt bestond elke morgen uit roggepap. Roggemeel werd in water gekookt en als de zo ontstane brei op de borden kwam, werd er melk bij gevoed. ’s Avonds werd er bij de maaltijd altijd havermoutpap gegeten. Er moest geleidelijk aan voor van alles gezorgd worden. Bij mulder Mans liet vader olie uit koolzaad persen en rogge tot meel malen. Ook werd daar voor eigen gebruik haver geplet. Boter werd gekarnd door de melk in weckflessen te doen en die langdurig heen en weer te schudden. Suikerbieten werden fijn gesneden en in de kookpot tot stroop ingedampt. Er was nauwelijks nog kleding te krijgen, dus daar moest ook iets op verzonnen worden. Jassen werden verlengd met stroken astrakan en jurken werden van linnen lakens gemaakt. Af en toe kon moeder tegen stuk spek een lapje stof ruilen.

De Duitsers hadden in de zuivelfabriek tijdelijk een eigen keuken ingericht voor ingekwartierde soldaten. Ze kwamen regelmatig melk en eieren bij de Wassen’s kopen. Het waren dienstplichtigen en ze waren nog niet zo kwaad. Toen een van hen, een reus van een kerel, eens per ongeluk op het handje van het nog kruipende Albertje trapte, sprongen hem de tranen in de ogen. Hij had thuis ook een kleintje en dat had hij in meer dan twee jaar niet gezien.

Gedurende de laatste Oorlogswinter werd het druk in huize Wassen. De gastvrije Haarlemse, met wie nog steeds contact onderhouden werd, kwam met haar zestienjarige zoon naar Wachtum. Zij hielp in de huishouding en de jongeman ging met oom Hendrik mee om in de bakkerij van Kuipers in Dalen te werken. Elke avond kwam het echtpaar Van Gilst, geëvacueerd uit Arnhem, op bezoek. Het bewoonde de muziekkoepel naast de boerderij, maar daar was het slecht toeven .Er stond een klein kacheltje, dat weinig warmte gaf en het dak van de koepel lekte zo erg, dat man en vrouw onder een paraplu moesten slapen. Geen wonder, dat het echtpaar graag ’s avonds warm en droog zat. Soms aten de Van Gilsten ook mee. Hun zoon werkte bij bakker Eising en hun dochter bij kruidenier Kollen aan de overkant van de straat. Daar waren ze ook gehuisvest.

Er kwamen natuurlijk ook hier etenhalers. Een huisschilder beloofde eens met zeep terug te komen, die hij van zuinig bewaarde grondstoffen maakte. En hij hield woord. Op den duur kwamen er avond aan avond mensen, want onder de etenhalers werd al gauw bekend, bij welke boeren je nooit tevergeefs aanklopte. Ze bleven ook vaak overnachten. Op de zolder boven de koeien was een grote slaapplaats ingericht. ’t Was wel geen logeerkamer, maar ’t was er in ieder geval droog en warm. En dat was al heel wat, want de winter van 1944-1945 was erg lang en erg koud.

Voorzichtigheid was geboden, want je wist nooit wat voor volk je in huis haalde. Daarom moesten de overnachters voor het naar bed gaan alles wat ze in hun zakken hadden op de schoorsteenmantel leggen. Lucifers, rokerij, geld, sieraden enz.!

‘ s Morgens kregen ze hun spullen dan weer terug. Gelukkig bleek iedereen steeds eerlijk te zijn, maar voorkomen was beter dan genezen. Bovendien voorkwam de maatregel ook brandgevaar.

Het paard werd gevorderd en ging met een grote koppel lotgenoten op weg naar Nieuw-Weerdinge. De familieleden zaten in zak en as, maar kort daarna kwam iemand vertellen, dat er twee Wachtumer paarden aan de Eldijk in het land liepen.

’t Bleek hun paard en dat van A. Eising van het Oostereind te zijn. Hoe ze er terechtgekomen waren, wist niemand, maar ’t paard was terug. Kwade tongen beweerden, dat ze nu hun eigen paard gestolen hadden en dat ze daarmee nog wel eens last zouden kunnen krijgen. Dus ging opa Wassen, samen met een dochter van de Eising’s, naar Nieuw-Weerdinge om de zaak te regelen. Het lukte hem daar een officieel document te krijgen, waarin stond, dat ze de paarden in bruikleen mochten houden. Ze hebben ze nooit meer af hoeven te staan.

Oom Gerrit Keen woonde met tante Griet aan de Eldijk. Hij werkte in Duitsland en zat wegens opstandig gedrag in een kamp opgesloten. Tante Giet stond er met haar kinderen nu alleen voor en opa ging dus vaak helpen. Soms bleef hij er tot laat in de avond. Op een keer ging hij na spertijd (acht uur) terug naar Wachtum. Plotseling schrok hij op van een paar geweerschoten vlak in de buurt. Hij liep voorzichtig verder en direct daarop verschenen twee landwachters, die hem aanhielden. Ze vroegen hem waarom hij hier in spertijd liep, maar maakten geen aanstalten om hem mee te nemen. Op zijn vraag waar die schoten vandaan kwamen, antwoordden ze, dat die waarschijnlijk in Wachtum gevallen waren. Toen opa doorliep, besefte hij ineens, dat de heren zelf geschoten moesten hebben. Of ze hadden hem bang willen maken of ze waren zelf bang geweest!

Op 24 maart 1945 vond er een ramp in Wachtum plaats. Een Engelse bommenwerper kwam met dreunend lawaai laag overvliegen en liet een halfvolle brandstoftank vallen. Ongelukkigerwijs kwam het levensgevaarlijke voorwerp op café Vleems terecht en sloeg dwars door het dak. Op dat moment zat de hele familie binnen. Buurman Gerrit Groothonk en Rieks Hilbrands, die in eigen dorp ondergedoken was, snelden te hulp en gingen naar boven om de aangerichte schade te bekijken. Intussen sijpelde benzine uit de tank naar beneden en bereikte de brandende kachel. Een enorme ontploffing volgde. Dodelijk geschrokken en aangetast door brandwonden kwamen de familieleden het huis uitrennen. Rieks Hilbrands sprong met brandende kleren naar buiten en bleef op het straatje naast het café liggen. Hij werd direct op een boerenwagen naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij kort daarna aan zijn verwondingen bezweek.

De brandweer uit Dalen kwam en probeerde met een pomp met handbediening het vuur te blussen, maar er was geen houden meer aan. Tot overmaat van ramp vlogen plotseling Engelse jachtvliegtuigen over, die na enkele waarschuwingsrondjes beschietingen uitvoerden. Iedereen zocht een goed heenkomen en het blussingswerk werd gestaakt. Café Vleems brandde tot de grond toe af. Tijdens de brand miste de familie Grootoonk opeens Gerrit, maar niemand kon toen het pand nog betreden. Zijn verkoolde lichaam werd later tussen de puinhopen teruggevonden.

Het gebeuren zette veel mensen uit het dorp aan het denken. Gerrit Grootoonk was N.S.B.er geweest en dus “fout”, maar hij had zijn leven op het spel gezet om zijn buren te helpen.  Dat was eigenlijk een heldendaad! Engelse jagers, onze bondgenoten en dus “goed”, hadden op weerloze mensen geschoten. Dat was toch eigenlijk een laffe, misdadige terreurdaad!

Inderdaad, de geallieerde jachtvliegtuigen schoten in dat laatste stadium van de oorlog op alles wat bewoog.  Gelukkig vooral op terugtrekkende Duitse troepen.  Zo werd nog op 8 april een vluchtende colonne op de Eldijk aangevallen.  Een militaire bus en twee auto’s werden in brand geschoten. Verschillende soldaten sneuvelden.  Een hoge Duitse officier, die zittend met zijn rug tegen een boom dekking zocht, bleef zitten en stond niet meer op.  Hij was in zijn nek getroffen door een kogel, die dwars door de stam was gegaan.

Een vrachtwagen met benzine werd gelukkig niet geraakt.  Als dat wel gebeurd zou zijn,  was de ramp niet te overzien geweest.  Toch wat tante Griet zo geschrokken, dat ze diezelfde dag nog met haar kinderen naar de familie in Wachtum vluchtte.  Er konden er daar nog wel meer bij!  Gelukkig niet voor lang. De dag daarop ratelden de Poolse pantservoertuigen langs de Valsteeg naar de Oosterhesselerbrug.

Wachtum was bevrijd.

Onderduikers in Dalerpeel

De eerste oorlogsjaren verliepen rustig.

In het boerderijtje van Roelof de Jonge, veenbaas in Dalerpeel, was iedereen altijd van harte welkom. Roelof en zijn vrouw Albertje hadden negen kinderen, zes jongens en drie meisjes en er waren altijd wel vriendjes en vriendinnetjes op bezoek. Vader de Jonge was een druk bezet man, want hij zat in het school-, het kerk- en het buurtverenigingsbestuur en was ook nog leider van de zondagschool. Ook hierdoor was er altijd nogal wat aanloop in het boerderijtje aan de Dorpstraat. Moeder de Jonge was heel gastvrij. Alles kon, ’t was net een “huussie van hol’an”!

Op 10 mei 1940 stond de elfjarige Johannes de Jonge al vroeg met een stel kornuiten bij de brug aan de Steigerwijk. Het was oorlog, dat wist iedereen al; de radio en het geluid van de schoten en ontploffingen in de omgeving van Coevorden zeiden genoeg. Natuurlijk was er ook geen school, dat was ook duidelijk. Johannes had de fiets van zijn broer bij zich. Plotseling kwam er uit de richting van Coevorden een grote groep Nederlandse militairen aanfietsen. Met grote snelheid kwamen de soldaten dichterbij en toen ze vlakbij waren, stapte een van hen, die een lekke band had, plotseling af. Voor Johannes van de schrik bekomen was, werd de fiets van zijn broer uit zijn handen gerukt en had hij die van de soldaat te pakken. Johannes had het nakijken! Wat moest hij nu beginnen? Daar ging die soldaat er met zijn broers fiets vandoor! Gelukkig bleek naderhand, dat het militaire rijwiel veel beter dan het ontvreemde was. Afgezien van de lekke band dan!

De eerste oorlogsjaren verliepen rustig. Van Duitsers was weinig te merken en er waren nauwelijks N.S.B.ers in Dalerpeel en Nieuwe Krim. Toen echter de vervolging van de Joodse landgenoten inzette, kwamen er nieuwe inwoners in het dorp. De familie Hoogeveen nam vijf Joodse onderduikers in huis, bij de familie Bruins kwam er een zekere Henk en ook bij de families Smilde, Scholten en Nijen Twilhaar logeerden er af en toe een paar. Bij de familie De Jonge kwam Dolf uit Amsterdam, via Nieuwlande. Hij zag er met zijn donkere ogen en zwarte haar echt Joods uit. Heel anders dan Henk, die blond was.

De Joodse onderduikers in Dalerpeel hielden zich niet echt schuil. Heel vaak kwamen tante Ammy en tante Loes, die bij de familie Hoogeveen ondergebracht waren, ’s middags naar het boerderijtje aan de Dorpsstraat, het “huussie van hol’an”. Daar luisterden ze naar Radio Oranje en praatten gezellig met de familie. Alle Joodse beschermelingen leefden gewoon mee in het dorp. Hun aanwezigheid was een publiek geheim, dat door iedereen goed bewaard werd. Het werd anders, toen het in de tweede helft van 1944 gevaarlijk werd in Dalerpeel. De jacht op verzetsmensen en onderduikers was in volle hevigheid losgebarsten en vooral een groep Nederlandse S.S.ers in Hollandscheveld werd berucht door aanhoudende overvallen. De fanatieke Hitleraanhangers waren gelegerd in een gevorderde school en kenmerkten zich vooral door bruut geweld.

Drie broers van Johannes waren in de gevaarlijke leeftijd en moesten dus naar Duitsland. Ze doken onder. Dat wil zeggen, ze bleven gewoon thuis, maar sliepen ’s nachts in een zelfgegraven hol. De S.S.ers pleegden hun overvallen bij voorkeur ’s nachts, want als ze overdag in actie kwamen, was iedereen zo gewaarschuwd.

Het hol bevond zich op zo’n tweehonderdvijftig meter afstand van het ouderlijk huis en was alleen bereikbaar over een vlonder. De ingang was uitgegraven in de walkant van een wijk en de bovenzijde was afgedekt met balken, planken, aarde en heideplaggen. De ruimte was ongeveer een meter vijfentwintig hoog, zo’n vijf meter lang en drie breed. Het hol was aan de buitenkant onherkenbaar en ook de ingang was met behulp van een jute zak en turf goed verborgen. Er waren nog veel meer holen, verspreid over het uitgestrekte veld en soms ook nog in turfbulten .Het wemelde namelijk van de onderduikers in Dalerpeel.

Als de broers bij ’t invallen van de duisternis het hol opzochten, waren ze altijd in het gezelschap van Dolf en Henk. Vaak ook waren er andere vluchtelingen in het hol. Bij de familie De Jonge kon immers altijd alles!

Johannes ging ook heel vaak mee. ’t Was avontuurlijk en hij vond er het altijd “hartstikke gezellig”. ’t Was er droog en warm, ook al vroor het, dat het kraakte. Je kon er fijn liggen kletsen bij het licht van een kaarsje en een enkele keer dronken ze ook nog zelfgemaakte wijn.

De afsluitende zak bij de ingang werd ’s nachts altijd weggehaald, want anders werd het te benauwd. En te ongezond, “want je lag mekaar de adem in te halen!”. Bij ’t krieken van de dag werd het hol weer verlaten. Ieder ging zijns weegs, de gezinsleden De Jonge en Dolf naar moeder Albertje en Henk naar de familie Bruins.

In de nacht van een op twee januari 1045 wordt het hol bevolkt door Johannes en zijn oudere broer Gerrit, Dolf en Henk, Willem Karssies en zijn zoon en Jan ter Horst en Jan Buisman. Ze zijn allemaal diep in slaap als plotseling, om een uur of twee, een man het hol inkruipt en “Raus, raus!” schreeuwt. Hij is er bijna nog sneller uit, dan hij erin gekropen is, maar de boodschap is duidelijk. De acht slapers zijn ineens klaar wakker. Een overval! Buiten klinken dreigementen. “We gooien een handgranaat, als jullie niet snel tevoorschijn komen!”.

Ze kruipen een voor een langs de walkant omhoog, alle acht. Het is volle maan en daar staan de S.S.ers, het geweer in de aanslag. Ze bevalen hen de handen omhoog te steken. “We blazen het hol op!”, schreeuwen de overvallers. “Wie er nog inzit, gaat eraan!” Ze gooien enkele handgranaten naar binnen en er klinkt een doffe knal. Het zo goed verborgen dak blijft echter roerloos liggen.

Met de handen in de nek worden ze afgevoerd; over het veld naar café Bakker in de bocht bij de Berkmeerweg. Daar staat de overvalwagen van de S.S. Henk en Dolf worden apart gezet; wonderlijk genoeg wordt juist Henk onmiddellijk als Jood herkend en Dolf verraadt zich door zijn Amsterdams accent. Ze worden met de wagen meegenomen en de andere zes worden in ganzenpas richting Dalen gedreven. Bij het huis van Piet Slomp, het laatste huis voor het Zwinderse kanaal, wordt halt gehouden. Ze worden naar binnen gejaagd, de huiskamer in. Piet, die een gedeserteerde Duitser in huis heeft, is samen met zijn beschermeling gearresteerd en weggebracht naar Hollandscheveld. Zijn vrouw, doodsbang, is nog thuis.

De zes gevangenen worden met de handen in de nek tegen de muur van de kamer gezet. Pesterig spelen de S.S.ers met hun geweren en richten ze af en toe op hun slachtoffers. De hele verdere nacht staan ze daar en ook als het dag wordt, blijven ze staan.

Bij de familie De Jonge heerst grote ongerustheid, als Dolf en de beide jongens ’s morgens niet thuiskomen. Die ongerustheid wordt haast ondraaglijk, als blijkt dat het hol leeg en van binnen vernield is. Tegen beter weten in wordt de hele morgen gezocht. Om een uur of elf fietsen twee jongens langs het huis van Slomp; ze zijn naar het gemeentehuis in Dalen geweest. De S.S.ers houden ze aan en nemen ze mee naar binnen. Ze moeten hun zakken leeghalen en een van de jongens heeft een muntstuk met de afbeelding van koningin Wilhelmina bij zich. Nu moeten ze gestraft worden. Tot groot plezier van de S.S.ers moeten ze op hun buik door het veld kruipen, terwijl hun beulen hun geweren boven hen leegschieten. Tenslotte mogen ze naar huis en ze fietsen regelrecht naar de familie De Jonge om te zeggen, waar Gerrit, Johannes en de anderen zijn.

In het huis aan de Berkmeerweg laten de S.S.ers zich intussen verzorgen door de vrouw van Piet Slomp. Ze moet aardappels in schijfjes snijden en bakken. Ze willen ook pap, maar er is geen melk in huis. Gerrit biedt aan thuis wat te gaan halen. Hij komt zeker terug, want Johannes is immers ook hier. Maar de S.S.ers trappen er niet in. Gerrit moet blijven.

Om een uur of drie komt de overvalwagen terug. De gevangenen moeten instappen en als ze richting Dalerpeel rijden, vraagt Gerrit of ze thuis even afscheid mogen nemen van hun zuster Pietje, die erg ziek is. Ze kommen immers vlak langs het boerderijtje aan de Dorpsstraat. Een van de S.S.ers zegt: “We zullen wel zien!”. In de buurt van het ouderlijk huis gaat de wagen heel langzaam rijden, maar hij stopt niet. Moeder De Jonge komt naar buiten en holt achter de auto aan. De wagen gaat weer sneller rijden. Moeder roept haar jongens, gaat harder lopen en valt. De S.S.ers lachen! Gerrit en Johannes zullen ’t nooit vergeten!

Ze rijden door De Krim. Daar wordt boer Van de Berg ingeladen, die een geallieerde piloot heeft verborgen. De vlieger is gevlogen, maar Van de Berg wordt meegenomen. Een S.S.er gaat voor hem staan, pakt hem bij een oor en richt een pistool op zijn hoofd. “Ik schiet je dwars door je oor!”, zegt hij. “Een, twee, drie!”. Hij haalt de trekker over en het schot gaat rakelings naast. De S.S.ers lachen! Ze gaan naar de school in Hollandscheveld en worden in een leegstaand lokaal geduwd. Daar zitten een tal van arrestanten, waaronder ook de burgemeester van Gramsbergen, baron Van Voerst van Lynden. Dolf en Henk staan boven op een hoge leermiddelen kast en vooraan zit de gedeserteerde Duitse soldaat. Hij ziet er verschrikkelijk uit; zijn beide ogen zijn dichtgeslagen! Afschuwelijke tonelen spelen zich hier af. Henk en Dolf hebben het zwaar te verduren. Af en toe roept een van de beulen; “Kom es van die kast af!”. Als ze beneden zijn , krijgen ze een trap en het bevel: “D’r weer op!”. Als ratten vliegen ze dan weer omhoog, bang voor een volgende mishandeling. De S.S.ers lachen!

De Duitser wordt het meest mishandeld. Niet alleen lichamelijk. Als het eten wordt binnengebracht wordt ook zijn portie aangereikt. Maar hij ziet niets meer en grijpt telkens naast. Dan gooien de S.S.ers het schaaltje leeg op de vloer voor hem, knippen een paar plukken van zijn haar en mengen die fijn gesnipperd met hun laarzen door het voedsel. Vervolgens wordt hij gedwongen alles op te eten. Na enkele dagen wordt hij wankelend afgevoerd.

Vijf dagen zitten de Dalerpelers in het schoollokaal. Ze slapen op de kale vloer. Ook Dolf en Henk, maar die worden bij ’t aanbreken van de dag de kast weer opgejaagd. De S.S.ers houden er ook een soort mascotte, een klein jongetje in Duits uniformpje, op na. Hij heeft een speelgoedgeweertje en mag tot vermaak van zijn “broodheren” de gevangenen nog extra treiteren.

De Dalerpelers worden een voor een verhoord. Met felle lampen op zich gericht zien ze niets en horen slechts stemmen van de ondervragers achter de tafel. Ze vertellen alleen in het hol geslapen te hebben om te ontkomen aan uitzending naar Duitsland. Ze weten inmiddels, dat Dolf en Henk gezegd hebben er maar een nacht geweest te zijn en dat behoeven ze dus alleen maar te herhalen. Dat de Joodse jongens ondanks de vernederingen, waaraan ze blootstaan, hiermee gevangenneming van hun ouder voorkomen, beseffen Gerrit en Johannes volkomen en ze zijn er dankbaar voor. Ze worden niet geslagen tijdens de verhoren.

Op zaterdagmiddag horen de mannen bij monde van de S.S.ers Hoogendam en Patist (later gevlucht en nu nog woonachtig in Spanje) het over hen gevelde oordeel. Eerst worden de namen genoemd van hen die gevangen blijven, in alfabetische volgorde. Er zijn drie gevangen met de naam De Jonge. De eerstgenoemde is Gerrit en als direct daarna voor de tweede keer de naam De Jonge opgelezen wordt, roept Johannes onmiddellijk: “Ja!”. 

Hij wil bij zijn broer blijven en zorgt er hierdoor voor, dat de derde De Jonge vrij komt, want deze wordt niet meer afgeroepen.

Zo gaat Johannes, zestien jaar oud, mee met het gevangen transport naar Assen, terwijl hij eigenlijk vrijgelaten had moeten worden. De Duitse kommandant kijkt hem bij aankomst aan en vraagt verbaasd: “Wat doe jij hier? Hoe oud ben je?”. Johannes antwoord: “Zestien jaar!” en de Duitser beslist: “Dan moet je naar huis!”. ’t Is inmiddels donker geworden en Gerrit vraagt: “Mag hij dan vannacht niet blijven?”. ’t Verzoek wordt toegestaan en op de zondagmorgen daarna wordt Johannes in Assen op straat gezet. Een gevangene heeft hem nog gauw driehonderd gulden toegestopt. Om te bewaren!

Wat moet hij nu? Zijn broer heeft hem het adres van een advocaat in Assen gegeven, bij wie zijn zuster gediend heeft.

Van diens vrouw krijgt hij een fiets en omzichtig, langs allerlei achterafweggetjes, peddelt hij over Beilen en Noordscheschut naar Nieuwlande. Daar gaat hij bij een tante aan. Hij laat de driehonderd gulden zien, die hij meegekregen heeft. Tante waarschuwt hem het geld goed op te bergen, want het wemelt van de S.S.ers in Nieuwlande. Johannes stopt de bankbiljetten in zijn kous en fietst langs de Steigerwijk naar huis. Als hij bijna aan ’t eind is, loopt Bartha Zomer, een meisje uit Dalerpeel. Ze ziet hem aankomen en rent direct naar de evangelist Nijen Twilhaar om te zeggen, dat Johannes de Jonge weer thuis is. Dat moet “Doomnee” weten!

Thuisgekomen wacht Johannes een blij en droevig weerzien.

Blij omdat hij er weer is, droevig omdat zijn zuster nog steeds doodziek is en zijn moeder een gebroken mens. Gerrit is immers nog weg en wie weet, wat Dolf en Henk boven het hoofd hangt! De week daarop worden de vijf overige Joodse onderduikers als door een wonder gespaard. Op 11 januari wordt verzetsman Albert Hartemink (zie hoofdstuk 31) opgepakt en een dag later komen de overvallers terug om de door hem verborgen wapens op te graven. Catharinus de Jonge, Siemen Winter en enkele anderen worden gedwongen het spitwerk te verrichten. De wapens komen te voorschijn en dagenlang blijven de N.S.K.K.ers (gewapende en geüniformeerde N.S.B.ers in dienst van het Duitse leger) nog in en rond de boerderij van Hartemink aanwezig. Gelukkig komt niemand van hen op het idee om het huis ernaast, dat van de familie Hoogeveen, te doorzoeken.

’t Zijn angstige dagen voor tante Loes, tante Ammy en de anderen, maar ze halen de bevrijding!

Johannes’ zuster overlijdt in februari en Gerrit moet bij de begrafenis aanwezig zijn, vindt iedereen in de buurt. Hein Tuik en Arend Weggen bieden aan naar Assen te gaan om zich daar als gijzelaars aan te melden. Dan zullen de Duitsers Gerrit misschien voor een paar dagen laten gaan. Ze gaan op weg, maar een hevige sneeuwstorm verhindert hen verder te komen dan tot Zweeloo. De begrafenis vindt zonder Gerrit plaats.

Gerrit wordt ingezet bij de Todt en moet in Smilde meewerken aan de aanleg van een tankgracht. Elke dag moeten de gevangenen van Assen naar Smilde en terug marcheren  en tot grote voldoening van de Duitse bewakers zingen ze regelmatig een lied. Op de wijs van: “Zie ginds komt de stoomboot!”. De tekst luidt: “Zie ginds komt de lijkkoets uit Duitsland weer aan. Hij brengt ons de Führer, die dood is gegaan. Hoe hupp’len de paardjes, de kist valt eraf. Oh wonder, oh wonder, precies in zijn graf!”.

Als de Duitsers tenslotte de diepere zin van het lied begrijpen, wordt het zingen prompt verboden. Ze hebben er wel plezier om, de gevangenen, maar het lachen vergaat hen in de maand Februari wel! Het eten wordt verschrikkelijk slecht en hun lichamelijke toestand gaat zienderogen achteruit.

Gelukkig zien de Duitsers begin Maart het zinloze van de tankgracht in en laten een groot deel van de gevangenen vrij. Gerrit is een van de gelukkigen en sterk vermagerd en verzwakt komt hij in Dalerpeel terug.

Er zijn ook andere deserteurs in het veendorp. De familie Venema (drie ongetrouwde broers en hun moeder) verbergt twee Russen, die uit het Duitse leger gevlucht zijn. Ook hier plegen de Nederlandse S.S.ers en overval, maar de onderduikers worden niet gevonden. De drie broers worden tijdens een verhoor vreselijk geslagen, maar zeggen niets. Als hun moeder aan de tand gevoeld wordt, houdt ze zich van de domme. “Russen?”, vraagt ze. “Oh, we hebben hier russen zat!”. En ze loopt naar buiten naar de “Appelhof” en toont de S.S.ers de daar groeiende pollen spichtig gras, die russen genoemd worden.

De overvallers voelen zich genomen en vertrekken tenslotte onverrichterzake.

De S.S.ers werken met een infiltrant, een zekere Tonnie, die zich voor onderduiker uitgeeft. Hij probeert vertrouwen te winnen en zo achter geheime verblijfplaatsen te komen. Waarschijnlijk is hij de grote verrader, die zo de plaats van het onderduikershol in het veen heeft opgespoord en die aan de S.S.ers heeft doorgegeven.

Als Johannes enkele dagen thuis is, gaat hij met een paar vrienden naar het hol. Het is nog intact en de jongens vinden er een rond metalen voorwerp met door gleuven verdeelde segmenten aan de buitenkant.  Ze besluiten het ding naar Hendrik Smilde te brengen.  Die is korporaal geweest en zal er dus wel meer van weten. Als Hendrik het voorwerp ziet, raakt hij prompt in paniek. “D’r uit!”, schreeuwt hij. “Gooi dat ding weg! ’t Is een handgranaat en de veiligheidspen is eruit!”. De jongens rennen weg en gooien de granaat in de wijk. Er gebeurt niets!

Vrijdag, zes april 1945.Canadeze troepen rukken Coevorden binnen en dat grote nieuws dringt snel door in Dalerpeel. De bevrijding is een feit. De bevrijders zijn in Coevorden. Iedereen wil gaan kijken. Johannes leent een fiets van een turfschipper, die in Dommerswijk ligt en rijdt met een vriend naar Coevorden. Daar kijken ze hun ogen uit. Overal hangt de Nederlandse vlag en op de markt staan Canadese tanks, die beklommen worden door de jeugd. De bemanningen staan lachend tussen het uitgelaten publiek, laten zich door de mannen op de schouders slaan, door de vrouwen omarmen en delen handenvol sigaretten uit. Het is een groot feest in Coevorden!

Als ze terugfietsen langs de Lutterhoofdwijk en bij het café Hofmeijer rechtsaf slaan de Nieuwe Dijk op, lopen daar nog meer jongelui uit Dalerpeel. Ze zijn ook gaan kijken in Coevorden. De heren nemen twee dames gastvrij mee; Bartha Zomer nestelt zich achter Johannes. Vanaf dat moment heeft Johannes, die aan de Duitse gevangenschap ontkomen is, als nog “levenslang!”.

Burgermeester baron Van Voerst tot Lynden is nooit teruggekeerd en tot op de dag van vandaag is zijn lot onbekend. Dolf en Henk werden naar Westerbork gebracht, maar de transporten naar de Duitse vernietigingskampen waren in september 1944 al gestaakt. Zij behoorden tot de ruim negenhonderd gevangenen, die op 12 april 1945 in het kamp bevrijd werden.

Landwachters

’s Nachts patrouilleerden ze in Dalen en omgeving.

Bertus en Grietje hadden een klein boerderijtje, waarvan ze eigenlijk niet konden leven. Gelukkig verdiende Bertus als melkrijder bij de zuivelfabriek tien gulden per week extra. Voor verschillende boeren, die geen drinkwater hadden, vulde hij de melkbussen met water uit de fabriek en bracht daarvoor tien cent per bus in rekening. Bertus hield er ook nog een kleine melkzaak op na en af en toe verhandelde hij wel eens een koe of een varken. Zo konden ze behoorlijk leven, maar een vetpot was het niet.

De tijden waren slecht voor de boeren in de dertiger jaren. De prijzen van de landbouwproducten waren erg laag en ’t was dan ook geen wonder dat Bertus, evenals bijna alle boeren in het dorp, lid werd van Landbouw en Maatschappij. Van deze organisatie moest uitredding komen, dacht hij. Regelmatig droeg hij het L. en M. speldje en hij werd een trouw bezoeker van de landdagen in Rolde.

Toen bleek, dat het de Duitsers na het aan de macht komen van Hitler een stuk beter ging, maakte dat op Bertus veel indruk. De Duitse regering deed klaarblijkelijk veel meer voor haar boeren dan de Nederlandse! In deze gedachtengang werd hij gesterkt door gesprekken met een kennis, die lid van de N.S.B. was en voor wie hij veel respect had. Deze haalde hem over om ook lid te worden. Zo werd Bertus N.S.B.er, niet zozeer uit politieke motieven, maar veel meer uit onvrede met de slechte levensomstandigheden van de boeren.

Na de inval van de Duitsers bleef Bertus niet alleen bij de N.S.B., maar hij werd na verloop van tijd ook lid van de Landwacht. Hij kreeg een jachtgeweer als wapen en dat vond hij wel gemakkelijk, want dan kon hij af en toe ook eens een haas of een fazant schieten. Grietje was het er helemaal niet mee eens, want zij realiseerde zich, dat Bertus nu ook ’s avonds met dat geweer op pad moest.

Dat deed hij dan ook. Met enkele andere landwachters kreeg hij regelmatig opdracht ’s nachts in Dalen en omgeving te patrouilleren. Mensen die na acht uur op straat waren, werden aangehouden en ondervraagd in de hoop onderduikers en verzetsmensen te kunnen arresteren. Verdachte personen werden gedwongen mee te gaan en onder allerlei bedreigingen ondervraagd en soms werden inderdaad onderduikers gevangengenomen. Bertus was vaak bij deze nachtelijke acties betrokken.

Na de bevrijding kreeg hij de rekening gepresenteerd. Bertus werd door de B.S. van het land gehaald en meegenomen naar Dalen. Hij mocht nog wel even naar huis om afscheid te nemen en schoenen aan te trekken. Na in het zogenaamde Oranjehuis ondervraagd te zijn, werd hij naar hotel Cornelis gebracht, waar al meer partijgenoten aanwezig waren. Enkele dagen later werden de N.S.B.ers met vrachtauto’s naar het interneringskamp Westerbork gebracht. Hier werden ze ondergebracht in dezelfde barakken, waarin de Joden hun reis naar de gaskamers hadden afgewacht.

In het kamp moest gewerkt worden! Bertus moest helpen bij het leeghalen van de w.c. ‘s. Er kwam een boer met een giertank, die de inhoud over het land verspreidde. Hij moest helpen bij de aanlag van een straat bij een kampeerboerderij en werd ingezet bij allerlei andere werkzaamheden buiten het kamp. Het eten was slecht en onvoldoende en velen vermagerden dan ook sterk. Als Bertus buiten het kamp bezig was, kwam zijn broer wel eens langs en verstopte op een afgesproken plaats iets eetbaars. Dat moest wel omzichtig gebeuren, want Bertus’s oppasser, een zekere Snater, hield de gevangenen goed in de gaten.

Maar hoe strenger de controle, hoe vindingrijker men werd. Zo had een van de mannen een paar haken aan een blikje gemaakt, dat hij onder zijn broekriem hing. Hij wist dan soms een extra lepel soep te bemachtigen, die hij in blikje leeggoot. Helaas had hij pech, dat het lek was, waardoor het vocht eruit liep. Maar de vermicelli en de ander vaste bestanddelen bleven wel over, waardoor hij toch wat extra’s had. Tengevolge van het slechte eten werden veel mensen ziek en sommigen stierven. De zieken werden in eerste instantie geholpen door ook geïnterneerde N.S.B.artsen.

Zo nu en dan mochten er familieleden op bezoek komen. Ze probeerden vaak sigaretten mee te nemen, verstopt in hun schoenen. Hiermee kon je bij de bewakers nog wel eens wat bereiken. Onder hen waren ook een paar Dalenaars. Opvallend was dat de N.S.B.ers, die tijdens de bezetting het meest te zeggen hadden, ook in het kamp de baantjes kregen, die het minste werk met zich meebrachten. Sommige gedetineerden, aan wie de bewakers een hekel hadden, werden gesard door hen langer te laten marcheren of door hen minderwaardig werk te laten doen.

Ongeveer drie weken, nadat Bertus gearresteerd was, werd ook Grietje door de B.S. opgehaald. Zij had nooit iets met de politiek te maken gehad, maar dat mocht haar niet baten. Even leek het erop, dat ook Bertus’ouders weg moesten, maar dank zij de steun van de buren mochten ze blijven om voor de kinderen te zorgen.

De vrouwen werden ook bij Cornelis ondergebracht en enkele dagen later naar een kamp in Zweeloo vervoerd. Hier hadden ze niets te doen en zaten alleen maar opgesloten. Sommige vrouwen, die een grote mond opzetten of zich in de ogen van de bewakers misdroegen, werden gestraft met mars oefeningen. soms ook moesten ze zo lang water uit een pomp op het terrein oppompen, tot ze er bijna bij neervielen. Na een maand gingen ook de vrouwen naar Westerbork.

Bij het vertrek uit Zweeloo ontstond er nog onenigheid, omdat de vrouwen een van hen niet op de vrachtwagen wilden toelaten. Ze mochten haar niet! Tenslotte slaagde ze er toch in achter op de vrachtwagen te klimmen. In Westerbork sliepen de vrouwen dicht op elkaar op strozakken. De hygiëne was beneden peil en veel vrouwen kregen luizen. Daar hielp maar één middel tegen: kaalknippen! Een deel van de vrouwen moest aardappelen “krabben” bij boeren in de omgeving van het kamp. Doordat ze in groepsverband werkten konden ze ook wel eens wat afspreken. Bij boeren, die hen geen koffie gaven, groeven ze met hun handen gaten in de grond en vulden die met aardappelen. Een laagje zand erover en zo werd de boer gestraft voor zijn krenterigheid.

In het kamp was overigens niet alleen plaats voor leed en verdriet. In één barak, waar uitsluitend vrouwen uit het Westen zaten, werd veel gezongen. Na ongeveer vier maanden Westerbork mocht Grietje naar huis. Het viel haar op, dat iemand uit het dorp, waarvan ze bijna zeker wist, dat hij had meegewerkt aan haar arrestatie, erg vriendelijk was. Hij hield haar zelfs staande en maakte een praatje. Ze kreeg eerst nog een tijdje huisarrest.

Bertus werd voor de keus gesteld in Westerbork te blijven of naar Limburg te gaan en daar in de mijnen te gaan werken. Hij koos voor het laatste, want hij verwachtte het daar veel beter te krijgen. Dat was inderdaad zo. Het loskappen van de brokken steenkool in de mijn was wel zwaar, maar de verzorging was heel goed. Bovendien verdiende hij een normaal loon, waarvan hij regelmatig een deel naar huis kon sturen. De familie mocht hem ook af en toe bezoeken. Omdat Bertus een geweer gedragen had, kreeg hij een veel zwaardere straf dan veel andere N.S.B.ers. Hij werd tot vier jaar veroordeeld. Toen hij weer thuis kwam, voelde hij zich ook werkelijk weer thuis. Temidden van zijn buren, die eerste avond allemaal op bezoek kwamen! Zijn bedrijfje kon hij zo weer overnemen.

Tijdens zijn afwezigheid had een door de Plaatselijke Bureauhouder aangewezen dorpsgenoot zijn boerderij beheerd.

Een krijgsgevangene vindt hulp

Hij toonde zich erg dankbaar.

Hans Brakel

Voor zover ik me herinner was het in het voorjaar van 1943, dat mijn vader ’s morgens vroeg – het was zondag – binnenkwam en zei, dat er buiten een vreemde snuiter stond, die hij niet kon verstaan. Of ik eens wilde proberen er iets van te begrijpen. Na wat vragen bleek dat hij Frans sprak en een of twee dagen tevoren was ontvlucht uit een Duits krijgsgevangenkamp, niet ver over de grens. Met behulp van de atlas heb ik hem uitgelegd, waar hij was en hoe hij verder zou moeten om Frankrijk te bereiken.

Ik heb hem echter duidelijk gemaakt, dat zijn onderneming niet veel kans van slagen had, want hij was nog gekleed in zijn Franse legeruniform en viel direct op, zeker overdag. Ik stelde hem voor te proberen hem over te dragen aan de ondergrondse, die hem van burgerkleren zou kunnen voorzien en voor verder transport zou zorgen.

Omdat wij die zondag nog bezoek verwachtten, zei ik hem, dat hij zich voorlopig in een bosje in de buurt schuil zou moeten houden. We hebben hem eerst wat te eten gegeven en toen is hij direct naar het bosje gegaan. Hier werd hij echter ontdekt door Jan Vrieling, die direct daarop naar ons toekwam om te vertellen, dat hij de Fransman gezien had. Op zijn vraag wat te doen, heb ik hem de zaak uitgelegd en hem gevraagd met niemand over het geval te praten. Dat heeft hij ook niet gedaan natuurlijk.

Ondertussen was ik op de fiets naar Nieuw-Zwinderen gegaan om het transport te regelen. Dat zou ’s avonds plaats vinden. Daarna ging ik naar het bosje om de vluchteling te vertellen, wat ik voor hem afgesproken had, maar hij was verdwenen. Zoals hij later vertelde, was hij na de ontdekking door Jan Vrieling bang geworden en weer gaan lopen. Gelukkig niet ver, zoals al spoedig bleek. Inmiddels had ik de regeling voor het transport afgezegd.

Op maandagmorgen ging ik weer gewoon naar mijn werk bij de P.B.H., Willem Caspers. Even later vroeg deze mij even mee te komen naar de huiskamer voor een bijzonder geval. Daar zat Albert Kreggemeijer van de Eldijk, die mij een verhaal vertelde over een vreemdeling in uniform, die ze niet konden verstaan.

Hij was de vorige avond bij hen gekomen en ze hadden hem onderdak voor de nacht gegeven in de aardappelkelder op het erf. Zodoende zou het net lijken of hij daar zonder hulp in gekropen was. Want dat de Duitsers of de N.S.B.ers hier niets van mochten weten, was hen wel duidelijk.

Uit de beschrijving van Albert bleek me al snel, dat het hier de Franse krijgsgevangene van de vorige dag betrof. Ik heb weer contact gezocht met de ondergrondse in Nieuw-Zwinderen en afgesproken, dat ze hem ’s avonds in het donker zouden halen. Ze zouden burgerkleren en een fiets meenemen.

Enige tijd voor het afgesproken tijdstip zijn Lien Caspers, haar verloofde Harry Veurink en ik naar de Eldijk gegaan om de vluchteling van een en ander op de hoogte te stellen en afscheid te nemen. Het was onvermijdelijk de familie Caspers in het “complot” te betrekken, maar de rest van de kantoorbezetting heeft er nooit iets van gemerkt.

Tijdens ons laatste gesprek vertelde de vluchteling, dat hij Louis Lucia heette en dat zijn vader kolonel in Oran (Algerije) was. Na de oorlog zou hij graag met mij in contact willen komen. Ik heb hem natuurlijk mijn adres niet gegeven en ook dat van de anderen wist hij niet. Hij toonde zich er dankbaar voor alles wat de familie Kreggemeijer en wij voor hem hadden gedaan. Toen kwamen er twee mannen van de ondergrondse met een extra fiets en kleren. De broek bleek veel te lang en dus hebben we de pijpen omgeslagen. Gelukkig kon hij redelijk goed fietsen en zo is hij vertrokken.

Na de oorlog heb ik enige malen bij het Franse Rode Kruis geïnformeerd naar een krijgsgevangene met de opgegeven naam, maar ik heb geen reactie gehad. De mannen van de ondergrondse heb ik niet meer gezien, dus waar ze hem naar toe gebracht hebben en wat er verder met hem is gebeurd, weet ik niet.

De Meistaking

Zij hadden zich bijzonder ingezet bij de organisatie van de staking.

Op dinsdag 19 april 1943 maakte de opperbevelhebber van de Duitse bezettingstroepen bekend, dat alle Nederlandse militairen weer in krijgsgevangenschap moeste keren. Hierdoor ontstond grote beroering. De landelijke verzetsbeweging riep op tot een algemene staking en veel Nederlanders gaven hieraan gehoor. Een groot aantal fabrieken en bedrijven “gingen plat”, maar ook op het platteland bij de boeren braken stakingen uit. Het gebeurde zomaar, spontaan!

Ook in Dalen. Op vrijdagmiddag 30 april werd door een aantal inwoners de tijding verspreid, dat er ’s avonds om half negen een geheime bijeenkomst bij het Laveringsveen gehouden zou worden. Honderden Dalenaars stroomden toe en wachtten op de dingen, die zouden komen. Plotseling werden ze vanuit het duister door iemand toegesproken .Morgen zou ook in Dalen door iedereen gestaakt worden, zo luidde de boodschap van de onbekende. Alle boeren moesten vanavond nog gewaarschuwd worden geen melkbussen aan de weg te zetten; alle melkrijders moest aangezegd worden niet uit te rijden en de directeuren van de drie zuivelfabrieken (van Dalen, Dalerveen en Wachtum) geen melk te verwerken. Haast vanzelf verdeelde men zich in groepjes om de opdrachten uit te voeren en nog voor middernacht was iedereen op de hoogte gesteld.

De volgende morgen waren bijna alle jongemannen per fiets onderweg om te controleren of men zich ook aan de stakingsregels hield. De boeren, die toch nog aan het werk waren, werden soms met harde hand van het land verwijderd. Melkbussen, die aan de kant van de weg stonden, werden omgetrapt en in de sloten leeggegoten. Een geest van openlijk en soms ook wel baldadig verzet waarde door de dorpen.

Toch werd gauw duidelijk, dat de Duitsers tegenmaatregelen namen. Overal in het land werden stakers opgepakt en na een direct hierop volgende veroordeling doodgeschoten. Arrestatiebevelen werden uitgevaardigd en om ook snel in de dorpen te kunnen toeslaan telefonisch dorgegeven aan de plaatselijke politie. Zo kreeg op zaterdagmorgen de Daler politieman Jan Overbeek via zijn diensttelefoon opdracht schoolhoofd Van Delden, smid Naber en beide Wachtumer boeren Hidding en Hilbrand gevangen te nemen. Zij hadden zich bijzonder ingezet bij de organisatie van de staking en golden voor de Duitsers als de oproerkraaiers. Jan bedacht zich niet lang en waarschuwde de vier te arresteren Dalenaars, die onmiddellijk onderdoken. Overbeek, nu zelf ook medeplichtige, volgde hun voorbeeld. Het bericht hiervan gonsde al snel door de dorpen. ’t Veroorzaakte wel enige spanning, maar de jongeren bleven toch de hele dag op hun post. Er werd nergens gewerkt!

Ook op zondag zou er gestaakt worden, maar om een uur of twaalf kwam er weer een telefoontje binnen bij Overbeek. Een Duitse politieambtenaar, onkundig van het feit, dat Jan ondergedoken was, deelde mee dat de bezetter van plan was overal in Drenthe zogenaamde razzia’s te houden. Hierbij zouden dan alle jongemannen opgepakt worden en afgevoerd naar Duitsland.

Mevrouw Overbeek, toch al aangeslagen door het plotselinge vertrek van haar man, rende naar de buren om te zeggen, dat iedereen gewaarschuwd moest worden. Zijzelf zou zo veel mogelijk mensen in Wachtum en Dalerveen opbellen. Zelden is een waarschuwing in Dalen zo snel verspreid; zelden is er ook zo’n algemene paniektoestand uitgebroken.

Overal gingen mannen er vandoor, gepakt en gezakt, vaak niet wetend waarheen. Anderen verstopten zich thuis, in schuren, stallen of verborgen zich in de op het land staande rogge of het koolzaad, dat toen veel verbouwd werd.

Een groep van tien jongemannen ging er op de fiets vandoor.

Er werd even gewacht op Jan Kalkdijk, die zich er ook bij wilde aansluiten en toen de stoet zich in beweging zou zetten, kwam er nog een buurman aangelopen. “Jongens”, riep hij, “wacht nog even. Onze Hennie moet ook mee. Die zit nog op zolder boven de varkens!”. Weer werd er gewacht en daar kwam Hennie, het stro nog in de haren. Zenuwachtig riep hij: “Laat mij maar voorop fietsen. Ik ben militair geweest en mij moeten ze ’t eerst hebben!”. Hennie mocht voorop, maar door zijn gejaagdheid en doordat zijn stuur scheef stond, sloeg hij verschillende keren tegen de grond, zodat er van zijn voorste positie weinig terecht kwam.

De groep verzamelde zich tenslotte in een boerenschuur aan de Reindersdijk en wachtte af. Er werden twee jongens beurtelings op de uitkijk gezet en anderen kortten zich intussen de tijd met het verorberen van de meegenomen voedselvoorraden, bestaande uit grote hoeveelheden “schinken” en metworsten. Tabak en sigaren waren er ook in overvloed en iemand had zelfs nog een halve liter jenever meegenomen. Om een uur of vijf kwam er een man aanfietsen. Het bleek de heer Idema, de directeur van de Daler zuivelfabriek, te zijn. Hij kwam de boer, die ook melkrijder was, vertellen dat hij de volgende morgen weer gewoon zijn werk moest doen. De staking was voorbij!

Een zucht van verlichting ging op bij de twaalf wachtenden in de schuur. Ze konden nu wel weer naar huis, vonden ze. Zo verliep de staking in Dalen en zo eindigde dus ook de vlucht voor razzia’s, die nooit gehouden zijn. ’s Avonds was iedere verstekeling weer thuis, enkele ervaringen rijker.

Angstige ervaringen, maar soms achteraf ook komische. Zo zat er een groepje jongens in een koolzaadveld bij de watertoren. Omhoogkijkend zei een van hen plotseling: “Stel je voor, dat ze ons vanaf de toren zien. We moeten ons camoufleren!”. En dus werden er kransen van koolzaadstengels gevlochten, waarmee de jongens de hele middag op hun hoofd zaten.

Roelof Veldhuis was nog slimmer! Hij zei dan tegen Gees, zijn vrouw: Als jij in bed gaat liggen, trek ik je kleren aan. Als ze dan naar binnenkijken, zien ze alleen jou maar zitten!”. En zo had Roelof die middag braaf in vrouwenkleren bij de tafel, terwijl Gees prinsheerlijk in bed lag! ’t Viel alles bij elkaar dus erg mee. Voor enkelen echter had de Meistaking verstrekkende en soms dramatische gevolgen.

Jan Hidding en Rieks Hilbrands, twee achtentwintigjarige Wachtumers, gaan op zaterdagmorgen 1 mei per fiets op weg naar Dalen om mee te helpen bij de uitvoering van de algemene staking. Eindelijk gebeurt er iets! Ze praten vaak over daadwerkelijk verzet met Jan Otterman, maar veel verder zijn ze nog niet gekomen. Jan maakt veel indruk op hen, want hij zorgt voor distributiebonnen voor onderduikers en heeft een revolver. Ze zijn een beetje zijn vertrouwelingen en ze hebben afgesproken samen te werken, als in Wachtum de nood aan de man zal komen.

Halverwege de weg naar Dalen komen ze plotseling Rieks’verloofde Geesje Kip tegen. Geesje is buiten adem en ze heeft een dringende boodschap. Voor hen! Jan Overbeek heeft haar gevraagd hen te waarschuwen, dat ze gezocht worden.

Ze moeten onmiddellijk onderduiken. Anders worden ze gearresteerd. Gedrieën fietsen ze in allerijl terug naar Wachtum. Snel afscheid nemen thuis en dan weg! Waarheen, dat zien ze nog wel. Bij het tolhuis aan de Rieweg zullen ze elkaar treffen. Jan vertelt aan zijn ouders, dat hij gaat onderduiken en fietst dan onmiddellijk naar het tolhuis. Onderweg verliest hij zijn trapper, maar hij gunt zich geen tijd het ding op te rapen. Samen gaan Jan en Rieks op weg. Zo goed en zo kwaad het gaat, trapt Jan langs de Verlengde Hoogeveenschevaart richting Zwinderen. Pas in Geesbrug durven ze bij een fietsenmaker een nieuwe trapper te kopen.

Ze rijden door naar Noordscheschut. Daar woont molenaar Boesjes, een oom van Rieks, die hen aanraadt naar boer Strijker in Drijber te gaan. Hier kunnen ze overnachten. Hier ook realiseren ze zich, dat ze niets bij zich hebben. Geen nachtgoed, geen verschoning, geen extra kleren! Daarom besluiten ze op zondagmiddag terug te gaan naar Wachtum om het een en ander op te halen. Ze hebben zich vermomd en dragen allebei een lange, lichte jas en een hoed. Onderweg, in de buurt van Hoogeveen, komen ze een hen bekende N.S.B.er tegen. Ze zeggen niets tegen hem, maar hebben het idee, dat hij hen herkend heeft. Ze besluiten daarom een poosje in Hoogeveen te blijven rondhangen en pas als het donker is naar huis te fietsen. In de nacht komen ze aan.

Als Jan de volgende morgen nog diep in slaap in zijn eigen bed ligt, wordt hij ineens wakker gemaakt. Geesje Kip is er en zegt, dat ze onmiddellijk weer weg moeten. Van mevrouw van Overbeek heeft ze gehoord, dat Jan en Rieks direct gevaar lopen. Er wordt niet lang geaarzeld. Met de nodige kleren bij zich fietsen ze snel het drop weer uit. Naar boer Strijker in Drijber. Een week lang blijven ze hier. Als ze echter op 8 mei, samen met Van Delden en Naber, in het politieblad vermeld staan, begint Strijker op hun vertrek aan te dringen. ’t Wordt te gevaarlijk nu hier.

Rieks belt naar Doornenbrug in de Betuwe, naar een caféhouder, waar hij als militair inkwartiering heeft gehad. Ze zijn er welkom en fietsen dus naar het zuiden. Ze komen behouden aan en hebben er een geweldige tijd; ze biljarten wat en maaien voor hun gastheer gras op de hoge Waaldijk. Maar ze willen toch wel graag vast werk hebben en Jan belt naar Bilthoven, waar hij in dienst is geweest. Ze mogen komen, maar kunnen meer even blijven. Een onverwachte ontmoeting met Jacob Scholten, vertegenwoordiger uit Dalen, brengt de oplossing. Via hem komen ze in contact met een boer, die hen verwijst naar Kees Meyerink, rentmeester op het landgoed Eikenstein in Bilthoven. Kees kan best twee sterke arbeiders gebruiken en ze hebben dus onderdak.

In juli 1944 krijgen ze een telefoontje uit Wachtum. “De aardappels staan klaar!”, meldt Jacob Nijmeijer, die als contactman van Jan Otterman optreedt. Het is de afgesproken boodschap, dat er iets belangrijks is te doen in het dorp. Rieks en Jan reizen per trein naar Hoogeveen en fietsen verder naar Wachtum. Jan Otterman wil met hen overleggen, wie na de bevrijding commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Dalen moet worden. Na een lang gesprek komen ze tot de slotsom, dat commies Wilke Bloem de aangewezen man hiervoor is. Ze bezoeken hem ’s avonds en Wilke stemt toe.

Rieks besluit nu in Wachtum te blijven en thuis onder te duiken. Hij wil niet meer bij Geesje vandaan. Jan vindt dat te gevaarlijk. Hij is bang, dat hun verblijf in Wachtum niet onopgemerkt is gebleven en gaat dus terug. Bertus Kiers, die uit Duitsland gevlucht is en in Den Dolder ondergedoken, wordt door hem onderweg opgehaald. Samen komen ze zonder kleerscheuren in Bilthoven aan. Jan’s voorgevoelens blijken maar al te waar!

Kort na zijn vertrek doen N.S.K.K.ers een inval bij Hilbrands en Hidding. Rieks wordt op de korenzolder aangetroffen en meegenomen. Jan wordt uiteraard niet gevonden en de overvallers onderwerpen zijn zwager Jans Albring, die bij de Hidding’s is “ingetrouwd”, aan een verhoor op de deel. Dat gaat niet zachtzinnig en vader Kars Hidding kan het lichamelijke geweld niet langer aanhoren en stormt de deel op. Hij heeft een van de N.S.K.K.ers zo’n schop, dat de man in elkaar zakt en blijft liggen. De wraak van de overvallers liegt er niet om. Kars Hidding wordt vakkundig in elkaar geslagen en getrapt. Met gekneusde ribben, een kapotte neus en een dichtgeslagen oog slepen ze hem naar buiten. Jans Albring volgt hen. Dan krijgt een van de beulen blijkbaar medelijden en hij zegt tegen Jans: “We zullen hem niet meenemen, als er morgen f 3000,- bij de (N.S.B) burgemeester van Sleen gebracht wordt!”. Jans belooft er voor te zorgen en vader Kars mag weer naar binnen. De volgende morgen wordt het losgeld betaald. Rieks Hilbrands komt in Kamp Amersfoort terecht, maar wordt gelukkig na enkele maanden al weer vrijgelaten. De oorlog loopt op een eind. Helaas zal hij (zie hoofdstuk 19) op 24 maart 1945 bij de brand in café Vleems om het leven komen.

Jan Hidding en Bertus Kiers blijven tot 5 mei 1945 (de capitulatie dag) in Bilthoven. Kees Meyerink zegt bij het afscheid tegen Jan: “Je hebt nooit een cent bij me willen verdienen, maar ik heb toch wat voor je!”. En geeft hem een nieuwe fiets. Jan heeft er niet lang plezier van. Bij Soest stuiten ze op een groep fanatieke S.S.ers, die zich nog niet overgegeven heeft. Jan moet zijn nieuwe en Bertus zijn gebruikte fiets afgeven en dan komen ze er nog goed af. Het is gevaarlijk hier; overal zijn nog Duitsers, want ze zijn hier immers midden in de voormalige verdedigingslinie. Omzichtig gaan ze verder en regelmatig verschuilen ze zich.

Pas voorbij De Klomp kunnen ze zonder gevaar hun voettocht voortzetten. Over Barneveld en Harderwijk gaan ze naar Wezup. Een nieuwe hinderpaal doemt hier op. De IJsselburg wordt door de B.S streng bewaakt en iedereen, die zich niet kan legitimeren, wordt vastgehouden. Bij het plaatselijk bureau van de B.S in Wezup krijgen ze gelukkig een doorlaatbewijs en zo komen ze de IJssel over. In de buurt van Zwolle worden ze opgepikt door een vrachtauto, die hen meeneemt tot bij Hoogeveen. Daar lenen ze een fiets bij Jan Overbeek, de Dalense politieman, die inmiddels weer in functie is en naar Hoogeveen overgeplaatst.  Op 11 mei, na zes dagen, komen ze eindelijk in Wachtum terug.

Jan Hidding maakte kort daarna een gedicht, dat hij nu nog (december 1994) woordelijk kan opzeggen:

Eikenstein, zo schoon gelegen,

in het midden van ons land.

Daar heb ik een strijd gestreden

voor mijn dierb’re vaderland.

Veel gezworen, veelal ’s nachts

dat ik niet wist, waar ik heen moest;

zo maar op de aarde lag.

Vele vrienden gingen henen

in de strijd die is gestreên.

Maar wij zullen hen gedenken

ja, door heel ons leven heen.

Mannen, vrouwen, jongens, meisjes,

denk nu niet, het was een held.

Maar mede door ’t verzet van Holland

ligt de mof thans neergeveld.

Nu de oorlog is geleden

en ’t weer vrede is in ’t land.

Nu wil ik een woord weer zeggen

tot mijn vrienden hier tesaam.

Gaat nu samen verder werken

aan de opbouw van ons land

Want veel, heel veel moet gebeuren

voor ’t weer is: Rijk Nederland

Onthoudt altijd deze tijd

en verafschuw elke oorlog

tot in alle eeuwigheid!

Roelie Overbeek-Heling

Wij lagen maar wat op de harde banken van slapen kwam natuurlijk niets.

Roelie Overbeek-Heling, getrouwd met politieman Jan Overbeek, beschreef voor haar kinderen en kleinkinderen haar soms schokkende oorlogservaringen. Het grootste deel van dit verslag wordt hier woordelijk weergegeven:

Op een morgen in mei ging de telefoon, er was een Duitser voor die voor Opa een bevel had en wel dat hij onmiddellijk verschillende mensen op moest pakken. Dit waren juist Oranjemensen, die niets gedaan hadden. Dit was voor opa een hele stap om zonder meer die mensen op te pakken. Hij heeft ze daarom gewaarschuwd. Die mensen zijn toen ondergedoken, zodat Opa ook ging onderduiken. Hierover zal ik dan eerst vertellen, van wat ik daarvan weet.

Opa is weggegaan, zodat ik erg bezorgd was. Maar de eerste nacht hoorde ik steentjes tegen het slaapkamerraam tikken. Ik er uit en tot mijn vreugde was dat Opa, die even kwam kijken hoe ik het maakte met de kinderen. Maar voor het licht werd ’s morgens moest hij weer weg, want toen de N.S.B.ers wisten dat Opa ondergedoken was, werd er jacht op gemaakt.

Opa is in de eerste dagen in Veenoord geweest, later in Nieuw-Zwinderen. Ook enkele nachten hier in Dalen bij kennissen. Nog later bij de Familie Lanting in Nieuwlande, waar hij hard gewerkt heeft in een boerderij. Daar ben ik een keer bij hem geweest. Post, die later doorgeschoten is, bracht mij die dag nog naar huis. Of iemand dat gezien heeft weet ik niet, maar al vlug was Opa daar niet meer veilig, zodat hij vertrok naar Hoogeveen naar Familie de Jonge. Dat was in die tijd een soort doorgangshuis voor onderduikers.

De eerste dagen dat Opa ondergedoken was, werden er nogal eens boodschappen afgegeven door Duitsers. Die wisten niet, dat Opa ondergedoken was, zodat ze mij wel eens een boodschap gaven om dit aan Opa te zeggen. Op een morgen ging die telefoon weer, maar ze wisten zeker helemaal niet met wie ze praten. In ieder geval gaven ze bevel, dat Opa direct de apotheek bij de dokter moest sluiten en verzegelen. Ik vertelde hun toen dat Opa weg was. Ze vroegen wanneer hij terug kwam. Ik heb hun toen maar verteld dat hij weg was en niet weer kwam. Een paar dagen later werd de telefoon bij mij weggehaald. Ik ben meteen naar de dokter gestapt om te vertellen wat hun plannen waren. De dokter heeft meteen de kostbare apparaten in veiligheid gebracht en is zelf met zijn dochter ondergedoken. Dat was trouwens maar voor een paar dagen. Ik denk dat het angst was. Een 14 dagen later ging ik een paar dagen naar Westerbork naar mijn ouders met de drie jongens. Toen wij terugkwamen hadden de Duitsers bij mij ingebroken en alles nagesnuffeld, om te zien of er brieven van Opa lagen, die ik eventueel van Opa gekregen had. Of ze wat gevonden hebben?

Wel hebben ze een foto van Opa meegenomen. Ze hadden zo graag geweten aan wat adres Opa nu zat. Gelukkig hebben ze geen brieven gevonden.

Het was begin Juli dat oom Hendrik en tante Luch een weekend bij mij kwamen. We zaten juist met elkaar aan tafel om zes uur, toen er gebeld werd. Ik naar de voordeur en meteen stond er een Duitser voor me met een getrokken revolver. Ik keek achterom en had meteen ook een pistool in de rug. Dat was me een schrik. Ik viel meteen bewusteloos. Ze hebben mij toen samen op de divan gelegd en vertelden mij of ik even mee wilde gaan met hun, want ze hadden Opa te pakken. Dat was natuurlijk helemaal niet waar. Ik werd in een open jeep gezet en daar ging ik heen. Eerst werd ik opgesloten bij een Duits soldaat in een hotel in Coevorden tegenover het station. Hij deed steeds aanhaliger en zei dat Opa ook met een andere vrouw er vandoor was. Gelukkig is alles goed gegaan.

Tegen acht uur ben ik overgebracht naar Hoogeveen. Daar was een streng verhoor waar Opa zat. Ik wist natuurlijk van niets. Tegen 11 uur ben ik naar Assen gebracht in de HBS. Die hadden ze toen al gevorderd. Daar zaten nog meer, hoewel wij daar maar met 4 vrouwen zaten. Daar moesten we de nacht maar doorbrengen. Eten was er niet bij. Wij lagen maar wat op de harde banken van slapen kwam natuurlijk niets.

De volgende morgen kwam er een Duits officier die ons meenam. We waren eerst zo blij en dachten dat we vrij waren, maar niks hoor. We gingen in Assen naar de gevangenis, waar ik 14 dagen gezeten heb. Tussentijds zijn we een paar keer gehaald voor een streng verhoor, waar opa zat. Ik zei maar dat ik het niet wist. Ze hebben me nooit geslagen. Maar in de gevangenis te zijn is heel erg. Het is maar een klein hok met een brits en wc en je kunt je daar wat wassen.

Eenmaal per dag mocht je even luchten, in een ruimte van ongeveer 15 meter lang. Dat zat helemaal in het gaas, zodat er geen sprake was van er uit te komen. Onder toezicht dan maar wat heen en weer lopen. Enfin, ook daar zijn we weer doorgekomen. Op de laatste avond dat ik daar zat, kwam om 11 uur de directeur bij ons en vertelde ons, maak jullie je maar klaar, want je wordt nog gehaald. Inwendig erg bang, maar ook weer wat bevrijd dat er wat schot in kwam, want 14 dagen waren lang. Toen de deur van de gevangenis openging stonden er een rij soldaten met het geweer in de aanslag bij een overval auto (voor twee vrouwen, Mevr. Deij en ik).

Enfin toen wij tevoorschijn kwamen hoorden we schreeuwen: Mamma!

Dit was een verschrikking voor mij, dat Aaldert en Henk met de kinderen Deij daar in zaten. Ik dacht: “Nu is het gebeurd”. Al gauw vertelden de jongens mij dat we naar Westerbork gebracht werden naar het Jodenkamp. Dan word je al weer wat rustiger.

Nu even iets anders. Die veertien dagen dat ik weg was, waren de jongens Aaldert en Henk in Westerbork bij opa en oma. Op die dag dat wij ’s avonds uit de gevangenis zouden komen kreeg mijn vader bericht of hij met de kinderen op het politiebureau wilde komen. Intussen hebben ze Gerard al weggebracht naar oom Jo en tante Tiny in Gieten. ‘s Morgens om negen uur moest mijn vader met de jongens daar zijn. hun wisten wel waar hun pappa was, dus werd hun goed duidelijk op het hart gedrukt, als de Duitsers je wat vragen, je weet niets en ook niets, anders schieten ze jullie pappa dood.

Ze hebben hun daar strikt aan gehouden, ze waren toch nog maar 9 jaar. Enfin, toen mijn vader daar met de kinderen kwam, werden ze meteen in een grote overvalauto geduwd en weg ging het. Waarheen?

Later hoorde ik dat mijn vader kapot geweest is en dat hij schreeuwend alleen naar huis gelopen is. Die stakkers wisten ook niet wat er met de kinderen ging gebeuren. Ze werden die dag maar steeds ondervraagd: “Waar is je vader? “Het ging hard maar ook maar ook met omkoperij van chocolade enz. In ieder geval kwamen ze die avond toen laat met hun bij de gevangenis, om ons nog te halen, voor het Jodenkamp in Westerbork. Wat een gedachte, dicht bij mijn vader en moeder en de anderen en toch gevangen.

Na een laatste strenge verhoor, waar Opa was, en niets bereikt werd ons gezegd: Jullie moeten morgenvroeg om zes uur klaar zijn, want jullie gaan samen met joden op transport. Ik wist toen al wel dat de Joden die daar zaten allemaal werden vergast en op transport naar Polen gingen. Als wij gezegd hadden waar Opa was dan waren we direct vrij gekomen.

Dit was toch iets wat je nooit zou doen. Aaldert en Henk waren nog te klein om te weten wat hun te wachten stond. Ik had toen echt afscheid van het leven genomen, wat mij toen heel niet zwaar viel. De volgende morgen vroegen ze ons nog eerst waar Opa was, dan waren we nog vrij. Enfin we bleven bij ons besluit. Toen de Joden instapten moesten wij ook instappen. Eerst tot Beilen, daar werd overgestapt in een andere trein. Even keek ik uit of er wat bekends was op het perron, omdat Westerbork dicht bij Beilen ligt en ik er nog kennissen had. Je kon nooit weten. Toch had ik nog even geluk, een oude vriendin Jo Doedens. Ze kwam juist op mij af, toen er een Duitser aankwam en haar bij de arm nam. Ik mocht met niemand praten. Enfin ze is die dag naar mijn vader en moeder geweest om te vertellen wat ze gezien had in Beilen.

Toen we ongeveer in Amersfoort aankwamen stapte er een politieman in. Hij keek me eens aan en nog eens en vroeg toen: “Is u misschien de vrouw van Overbeek? “Toen ik zei van ja, sloeg hij de handen voor de ogen en zei: “Dat ik die weg moet brengen”. Wie dat geweest is weet ik nog nooit. Hij vertelde ons dat we naar Vught gebracht werden, in een concentratiekamp. Wat was ik toen gelukkig, want dat had ik niet verwacht. Toen wij in Vught aankwamen moesten we ons helemaal uitkleden. Ringen spelden enz., alles moest afgegeven worden. Zo gingen we wel met 100 tegelijk onder de douche, kinderen vrouwen en mannen allen tegelijk. Daarna kregen we een hoofddoekje en een paar klompen.

Er werd helemaal niet gekeken of ze pasten. Toen we klaar waren moesten we in ’t gelid naar de barak waar we ingedeeld waren. ‘s Avonds kregen we koolsoep, vies was dat. De kinderen huilden maar en lustten die rommel niet, tot overmaat van ramp, werden ze bij de moeders weggehaald. Ze moesten daar net zo lang blijven tot ze het eten lusten. Zo hebben ze de kinderen 5 dagen opgesloten in een andere barak. Overdag zagen ze ons in de verte en maar huilen en maar roepen om mamma. Het ging je door merg en been, een verdriet dat we hadden is niet te beschrijven. We moesten ’s morgens om 6 uur op appel staan. Wie niet kon lopen werd op een kruiwagen naar toegereden en of je ziek was werd geen rekenschap mee gehouden.

Tussen het vrouwen en mannenkamp was enkel prikkeldraad zodat we alles konden zien. Daar ging het vaak erg hard toe. Het was soms maar liggen en opstaan en ging het niet vlug genoeg kregen ze maar een schop. De mannen daar hadden een hard leven, moesten zware palen sjouwen enz. Een keer heb ik gezien dat ze plat op de grond moesten liggen en dat de Duitsers er overheen fietsten. Als ze huilden werden ze maar weer geschopt.

Als we ’s morgens vroeg op het appel stonden werd alles geteld, wie er wel en wie er niet was. Sommigen die er niet waren werden gezocht en moesten voor straf de bunker in. De eerste drie maanden moesten we van ’s morgen 6.30 tot ’s avonds tegen donker worden al maar bonen rangen. De hele dag maar zitten op een harde bank zonder rugleuning. Dat was erg vermoeiend. Zo kon het zo maar wezen dat je zo opgehaald werd om wat anders te doen. In de keuken aardappels schillen voor de hoge Duitsers of konijnenhokken schoonmaken of ballen naaien voor de ter dood veroordeelden. Die hadden ze dan met een koord op de rug hangen, zodat een ieder kon zien dat het ter dood veroordeelden waren.

Die mensen hadden een heel slecht leven en werden steeds in de gaten gehouden. Onderhand waren de kinderen weer bij ons in de barak. Er was daar ook een onderwijzeres (voor straf) die een schooltje oprichtte om de kinderen les te geven. Dat was voor de moeders een reuze verbetering, want als wij daags moesten werken, wisten wij nooit wat met de kinderen gebeurde. Er was bijvoorbeeld ook een jonge vrouw die zich nog al met de kinderen bezig hield. Ze vroeg hun van alles, ook waar hun pappa was. Achteraf bleek dat dit een spion was in dienst van de Duitsers, zodat zij heel wat gewaar werd van de kinderen.

Toen het wat kouder werd kregen wij allemaal een jurk aan (blauw gestreept).Die was wel wat warmer, maar we kregen er geen kousen bij, zodat we met blote voeten in een paar klompen moesten lopen, die je heel niet pasten. Verschillende vrouwen hadden ’s morgens kranten om de benen gewikkeld voor de kou, maar die werden er allemaal afgetrokken zodat je voor straf een plak brood minder kreeg. We kregen al niet zo veel. Gelukkig dat het Rode Kruis zich ermee ging bemoeien. Daar kregen we iedere week een pakje met van alles er in.  In het Kamp zelf kregen we ieder maar 1 homp brood, met een stukje boter er op.  Dit moest je zelf verdelen voor de avond en de morgen. We kregen trouwens al gauw pakjes gestuurd van familie en kennissen. Deze pakjes werden eerst open gemaakt door de Duitsers. Zat er roomboter of worst of ham in, dan aten ze dat zelf op. We wisten immers toch niet wat ons gestuurd werd? Zo hebben we daar heel nare dingen meegemaakt. De kinderen liepen allemaal in oude kleren van Joden. Het leken soms meer op lompen dan op normale kleren. Hun eigen kleren heb ik nooit weer gezien.

Verder de grote transporten die weg gingen (Joden) naar Polen. Het grootste transport dat we meegemaakt hebben waren 400 Joden. Ze stonden spiernaakt op het appel, met het oog op dat ze niets mee konden nemen. Er lag een hoop brood van wel 5 meter hoog op ’t appel allemaal eten dat ze graag meegenomen hadden in de trein. Dat was er niet bij. De volgende dag kregen wij dar broodpap van, dat de Joden in hun broek verstopt hadden. Er was niemand die dat lustte, dat kun je begrijpen. We hadden alles door de WC gespoeld, zodat die de volgende morgen verstopt was, dus weer allemaal straf.

Verder werden hele transporten Joden en kinderen bij de ouders weggehaald. Hartverscheurend. Ze kregen mooie poppen en beren enz. mee en werden in overval wagens weggebracht naar Den Bosch, waar ze in beestenwagons gestopt werden om zo naar Polen te gaan om te worden vergast. Daar werden in Den Bosch de kinderen alles weer af genomen, poppen enz. Weer voor een volgende groep. Dit is iets wat zo beestachtig was, dat ik nooit weer zal vergeten. Deze oorlog was echt een zenuwoorlog. Ze maakten de mensen kapot.

Op een morgen werd er verteld dat er wandluizen waren, zodat alle barakken ontsmet moesten worden. Wij moesten allemaal meehelpen om de gleuven dicht te plakken met papier. Verder moesten wij allen ontluist worden. Ook dat was een verschrikking. Ze gingen er met een spuit op, waar je doorheen moest lopen. Zo zachtjes werd het erg koud, zodat er veel zieke mensen kwamen. Toen moesten we allemaal weer op het appel staan en werd ons een overjas toegegooid. Allemaal van de Joden. De Jodenster zat er nog op, of ze pasten werd niet naar gekeken, dat kon ook niet met zoveel mensen. Ik kreeg er een waar de sleutelbos nog inzat en vies dat het ding was, verschrikkelijk. Vele dames die de jassen niet wilden hebben, maar je had daar niets te zeggen. Voor straf moesten wij met het hoofd tegen een lange muur staan, een kanon achter ons, die regelmatig afgeschoten werd, zodat ieder van ons dacht, nu ben ik aan de beurt. Als je zo iets meemaakt verlang je echt naar het einde. En dan te bedenken dat degene die je dat aandoen bijna allemaal Nederlanders waren (N.S.B.).

Ik zelf heb daar nog 10 dagen in het ziekenhuis gelegen en moest de kinderen maar achterlaten. Toen ik weer terug was moest ik nog een paar dagen rust houden, maar dat was er niet bij. Wij sliepen daar in stapelbedden van drie op elkaar, zodat ik maar driehoog gekropen was. Maar ’s morgens om zes uur kwam de Duitse Oberofficierin en trok mij met deken en al het bed uit en zonder pardon op het appel. Medelijden kenden zij niet.

Een paar dagen later kreeg Henk erge oorpijn. Ik wilde er mee naar de dokter, maar die lachte je gewoon in je gezicht uit, zodat ik geen kans kreeg. Dit werd zo erg, dat Henk hoge koorts kreeg, toen mocht het gebeuren. Hij werd direct opgenomen en bleek dat het middenoorontsteking was. Dit is nooit weer in orde gekomen, zo dat hij met zijn ene oor doof is gebleven. Er was ook een Jodenvrouwtje dat je de toekomst kon voorspellen. Dat deed ze dan om voor je te slapen, maar het kostte dan een schepje suiker of een schepje jam, wat je maar had. Ze werd daar zo bekend, zodat ze ook voor de Duitsers moest slapen. Ook heeft ze voor mij geslapen. Ze vertelde mij dat ik met de kerst weer in huis was en dat mijn man niet was waar ik dacht. En dat er mensen in ons huis waren en dat ik nog een kind zou krijgen en nog veel meer. En alles is uitgekomen. Ik vroeg haar of ze ook nog wel wist wat haar te wachten stond. “Nu” zei ze, “Dat is een verschrikking”. Iedere dag was er wel wat anders, maar nooit iets goeds. Geregeld werden er leugens verteld dat wij naar Duitsland vervoerd zouden worden enz. naar een ander kamp.

Op een morgen werden er weer eens een groep van 100 afgeroepen die in het ziekenhuis moesten komen, waar ik ook bij was. Wij stonden met wel 100 gelijk op de gang, spiernaakt en koud dat we waren. ‘t Was hartje winter en veel verwarming was er niet. Door een Duitse dokter werden we aan de lopende band inwendig onderzocht, er werden geen handen gewassen, zodat vele mensen het bloed bij de benen langs liep. Nog wisten wij niet waarvoor dat nodig was. Achteraf hoorde ik van een verpleegster die daar werkte, dat de bedoeling was geweest om ons weg te sturen naar de soldaten in Duitsland.(Ze hadden ons de baarmoeder omgegooid, die zwijnen).Zover is het gelukkig nooit gekomen. Ook hebben we daar wel aardige momenten meegemaakt. Er waren veel artiesten die die avonden om de beurt verzorgden. De kruk werd dan aan de binnenkant uit de deur gehaald, zodat er niemand binnen kon komen. Ze stonden dan boven op de tafel te dansen en voor te dragen. Gelukkig voor allen dat er ook zulke mensen daar waren, dat was voor ons allen nog wat afleiding. Gestolen werd daar onder elkaar, zodat we met een tas onder de jurk liepen waar we van alles in hadden.

Het was half december dat er bericht in het kamp kwam dat Rauter zou komen. Dit was een hoge piet die heel wat te vertellen had. De rechterhand van Hitler. Wij moesten allemaal met schaal koolsoep aan de tafel zitten. Toen hij binnenkwam allemaal opstaan. Veel oude vrouwen liepen hem schreiend tegemoet en vielen voor hem op de knieën, smekend om hun vrijheid. Dit was toch zo aandoenlijk. Hij schreeuwde: “Wat willen ze? “De vrijheid”, riepen ze in koor. Wat was hij een verschijning zo in uniform.

Maar hij bracht ons de vrijheid. Onze mannen mochten zonder dat hun iets werd aangedaan weer boven water komen. Ze kregen hun uniform en hun wapens weer terug en wij mochten naar huis. Dit was eigenlijk te mooi om waar te zijn. Toen Rauter ons de vrijheid gebracht had hielden ze ons nog een week vast, enkel om je maar zo veel mogelijk te pesten. Dat was een lange week voor ons allen. Je werd steeds zenuwachtiger, vrij en niet vrij.

Enfin, toen de dag er dan was dat we weg gingen moesten we allen eerst tekenen dat we heel goed behandeld waren en dat we in alles erg tevreden waren. Daarna kregen we onze kleren terug, dat was een zomerjurkje en dat tegen de kerstdagen. We hadden immers onze zomerkleren aan in juli toen we opgepakt zijn. De kinderen kregen hele oude Jodenkleren aan, het leken wel lompen. Toen we dan klaar waren ’s morgens lieten ze ons uit nijd nog een uur op appel staan. Verschillende mensen zakten in elkaar van vermoeidheid.

Toen moesten we met elkaar nog lopen van Vught naar Den Bosch waar we in de trein stapten. De trein zat zo vol, maar er ging niemand voor ons opstaan, zodat we tot Assen op de grond zaten. We kwamen ’s avonds tegen 12.30 uur in Assen aan. We werden opgehaald door mijn zwager Henny, waar wij ’s nachts zouden blijven. Wij waren nog maar goed en wel bij hun binnen, toen de Duitsers er ook al stonden. In de hoop om mijn man te pakken. Die was er gelukkig niet. De volgende morgen ben ik naar mijn schoonouders gebracht met de kinderen en vandaar werd ik opgehaald door mijn zuster Luch met een taxi. Zij (tante Luch) heeft in die tijd veel voor ons gedaan met boodschappen over te brengen enz.

Toen ben ik een paar dagen bij mijn ouders gebleven in Westerbork en vandaar ben ik alleen een week naar Pekela gegaan, waar opa mij voor het eerst opzocht. Maar toen kwam het grote probleem, dat melden. Doen of niet doen.

Er was niemand die hem raden kon. Je kon die Duitsers niet vertrouwen. Enfin, na lang beraad had opa besloten om zich maar te melden. Hij vond dat hij in die tijd naast mij en de kinderen moest staan. Ik maar huilen dat hij zich niet moest melden, want ik wist ja precies als ze hem oppakten wat hem te wachten stond. Enfin, ik zie hem nog naar Assen gaan in het trammetje om zich te melden. Heel Dalen zat in spanning of hij wel terug zou komen. Toen hij in Assen was, hebben ze hem bijna niets gevraagd. De uniform werd hem aangemeten, hij kreeg weer wapens en mocht naar huis.

Maar eerst dienst in het Jodenkamp Westerbork, daarna overplaatsing naar Hoogeveen. Na een paar maanden kregen we daar een woning toegewezen van mensen die ondergedoken waren.  De oorlog was immers nog lang niet afgelopen. Die duurde daarna nog 2 jaar. In die paar jaar die we nog in Hoogeveen gewoond hebben zijn er nog al wat onderduikers bij ons in huis en uit huis gegaan. Dezelfde mensen waar Opa eerst bij ondergedoken was, zijn later bij ons geweest en verder nog vele anderen voor een nachtje. Dit was voor mij wel een hele opgave want als ze ons te pakken kregen bleef er niet veel van ons over. Ik had die ellende immers pas achter de rug, maar wat moest je. Het werkte wel heel erg op je zenuwen. De bedoeling van die Duitsers was toch om je geestelijk kapot te maken.

Ik eindig nu maar, want anders komt er geen eind aan. Achteraf heb ik nog heel vergeten om over te schrijven. Zo later schieten je nog een heel veel periodes te binnen, waar ik niet over geschreven heb. Ik heb er lang werk over gehad, want bij iedere bladzij kreeg ik razende hoofdpijn en moest ophouden met schrijven. Je beleeft dan alles weer zo intens. De tijd dat wij in Hoogeveen woonden was een nare tijd. Door alles wat wij meegemaakt hadden was ik heel vaak ziek, zodat ik menigmaal hoopte dat ik niet meer wakker zou worden. Steeds die ellende, wat ik gezien en meegemaakt heb, liet me niet meer los. Ondanks dat Opa erg lief voor mij was en veel geduld. Op een gegeven ogenblik vond de dokter dat ik maar eens naar het ziekenhuis moest, want zo ging het niet langer.

Wat was nu het geval, in Vught hadden ze de baarmoeder omgekeerd. De dokter vroeg hoeveel kinderen wij hadden. Hij vond dat de baarmoeder dan maar zo moest blijven zitten, dat zou voor mij beter zijn. Maar dat was van die dokter toen een fout. Want bij een vrouw speelt de baarmoeder een grote rol, vandaar dat ik steeds achteruit ging. Toen werd er gezegd dat voor mijn gezondheid misschien beter was om nog een kindje te krijgen. Daar had ik niet veel zin in, want ik was bijna 41 jaar. Die negen maanden duurden lang want ik was steeds niet goed. Enfin, onze Frans die kwam gelukkig ter wereld met grote moeite. Gelukkig was hij een fijne baby die met erg veel getob groot geworden is, kan goed leren en heeft een goed verstand. Het had ook anders gekund.

Ik zelf ben daar wel van opgeknapt, maar niet zo als ik gedacht had. In ieder geval hebben wij veel plezier van zo’n nakomertje gehad. Van Hoogeveen zijn we weer naar Dalen terug gegaan in 1946 waar Opa weer zijn gewone dienst kon doen. Nadien zijn we verhuisd naar Wehe den Hoorn, waar we tien jaar gewoond hebben en waar Opa werd bevorderd tot Adjudant. Na die tien jaar in Wehe den Hoorn zijn we naar Borculo verhuisd. Daar zijn we vier jaar geweest tot Opa op pensioen ging (60 jaar).

Toen zijn we weer verhuisd naar Dalen en hopen daar onze jaren te slijten. We hebben hier best naar de zin. Ik ben ook nog altijd dankbaar dat heel Dalen mee gewerkt heeft, dat mijn kinderen en ik zulke heerlijke pakketjes mochten ontvangen in Vught.

Ziezo, nu weten jullie alles zo’n beetje.

Mam.

In en rond de Pastorie

De pastorie stond open, ook en juist voor vervolgden.

Evangelist Nijen Twilhaar had een voorbeeldfunctie in Dalerpeel en dat gold ook voor zijn kinderen. Henk, zijn oudste zoon, merkte dat terdege. Als hij stiekem een fietsband leeg liet lopen, was dat veel erger dan dat een ander dat deed! Henk werd er geen braaf jongetje door, maar hij moest er wel voortdurend rekening mee houden. Voor de jongens uit het dorp speelde zijn afkomst gelukkig geen enkele rol. Behalve dan als ze ruzie met hem hadden, want dan scholden ze hem bij voorkeur uit voor “blikken dominee”!

Vader Nijen Twilhaar was een rechtgeaard Calvinist, die op zijn manier toch wel ruimdenkend was. Zijn vier kinderen behoorden uiteraard op zondag de kerk te bezoeken, maar een keer vond hij toch wel voldoende. Moeder was een blij en opgewekt Christen. Zij leidde de meisjes- en vrouwenvereniging en liet bij voorkeur de liederen uit de bundel van Johannes de Heer zingen. Voor haar was het evangelie echt de blijde boodschap en dat heeft ze met woord en daad uitgedragen.

Moeder Nijen Twilhaar vond ook, dat de pastorie dag en nacht voor noodlijdende medemens open moest staan. Dat was dan ook letterlijk het geval. Het is wel eens voorgekomen, dat een man, die om een uur of vier ’s nachts de voorganger wilde spreken, in het pikkedonker in de kamer heer en weer liep te ijsberen. Al hoesten en kuchend in de hoop de familie zo wakker te krijgen. Dat gelukte hem dan ook en “dominee” kon tijdens een lang gesprek de zo nodige geestelijk bijstand verlenen.

De pastorie stond open, ook en juist voor vervolgden. Verzetsmensen en onderduikers waren welkom en in opperste nood beschikte men ook over een geheime schuilplaats. Onder de preekstoel in de kerk, te bereiken door in een bergkast een losse vloerplank op te lichten. Nijen Twilhaar kreeg al gauw kontakten met verzetsgroepen. Willem Mol, Hendrik Smilde en ook Hendrik Kikkert, die toen in Emmen woonde, waren directe contactpersonen, die regelmatig over de vloer kwamen. Eens werd hij door “de Duitsers opgehaald”. Achteraf bleken dat Mol en nog iemand te zijn, dien in uniform hem zogenaamd arresteerden.

Anderzijds had Nijen Twilhaar ook contact met de Duitse bezettingsautoriteiten en de marechaussee in Coevorden, die hij bezocht om voor de belangen van zijn gemeenteleden op te komen. Alle vervolgden waren welkom en voor ieder van hen stond hij klaar. ’t Was dan ook geen wonder, dat de kinderen voortdurend op het hart gebonden werd niets te zeggen over wat er zich thuis afspeelde.

Toen de Duitsers maatregelen tegen de Joden begonnen te nemen, kwam er al spoedig een vreemde man in huis. Oom Gerrit werd hij door de kinderen genoemd. Ze wisten dat hij van Joodse komaf was en dat hij had moeten vluchten. Oom Gerrit voelde zich al spoedig thuis in Dalerpeel. Vaak ging hij op bezoek bij de familie Hoogeveen, waar tante Ammy en tante Loes met hun kinderen ondergedoken waren. Henk wilde in die tijd graag een hond hebben, maar zijn moeder praatte hem dat idee uit zijn hoofd. Oom Gerrit was bang, dat het dier hem zou volgend, als hij zich voor de Duitsers moest verstoppen, zei ze. Later, na de oorlog, zo had oom Gerrit beloofd, zou Henk een Duitse herder van hem krijgen.

Achter in de turfschuur bij de kerk hield Nijen Twilhaar stiekem een varken. “Adolf” noemde Gerrit het dier, want het ging onafwendbaar zijn einde tegemoet. Een enkele keer soms zelfs vrij plotseling. Toen eens tijdens de zondagmorgenpreek voorganger Nijen Twilhaar even stokte, was er plotseling het geknor van een varken in de kerk te horen. De kinderen in de “domineesbank” lachten verstolen en ook vader op de kansel kon een glimlach niet onderdrukken. Toen hij na de dienst thuiskwam, zei hij: “Hebben jullie ’t ook gehoord? Nou gaat ‘ie eraan!”.

De volgende morgen werd het varken geslacht. Buurvrouw Hartemink kwam helpen en tegen een uur of twaalf hing het achter de pastorie aan de ladder. De familie moest toen gaan eten. Het varken kon echter niet zonder toezicht blijven en dus werd het met vereende krachten met ladder en al de kerk ingedragen en tegen de kansel aangezet. Het gezin zat net aan tafel, toen ineens buurvrouw Hartemink binnenkwam. “Er is een man met kaplaarzen de kerk binnengegaan!” meldde ze. Nijen Twilhaar ging onmiddellijk poolshoogte nemen en ja hoor, daar stond een vreemde man vol belangstelling naar het varken te kijken. Op de vraag wat hij hier kwam doen, draaide hij zich om en zei: “Ik kom de kerk bezichtigen!”. Dat was nog nooit gebeurd en dus vroeg evangelist, wie hij dan wel was. “Dat zeg ik u nooit!”, antwoordde de vreemdeling. “Maar als u het niet vertrouwt, kunt u iemand in De Krim opbellen”. En hij gaf een naam en een telefoonnummer op. Om een eventuele diefstal van het kostelijke varken te voorkomen, deed Nijen Twilhaar de deur op slot en ging naar huis. Daar draaide hij het opgegeven nummer en hem werd uitdrukkelijk verzekerd, dat de man in de kerk “goed” was. De vreemdeling werd weer vrijgelaten. Hij verdween en niemand van de familie zag hem ooit terug. Opmerkelijk was wel, dat er diezelfde middag een razzia door de Duitsers in het veld gehouden werd. De daar verblijvende onderduikers ontkwamen echter allemaal. Misschien zat de man in ’t verzet en had hen laten waarschuwen?

Vader Nijen Twilhaar werd kort hierop ook door het verzet gewaarschuwd. De verblijfplaats van oom Gerrit was verraden en hij moest onmiddellijk het huis uit. Een neef uit Nijverdal, lid van de verzetsgroep, kwam in een Duits uniform op een motorfiets naar Dalerpeel om hem te halen. Toen gebeurde er iets onvoorstelbaars. Oom Gerrit verklaarde alleen maar te willen vertrekken, als ook tante Loes met hem mee zou gaan. Daar was natuurlijk geen spraken van en toen hij zijn zin niet kreeg, zei hij: “Als ik ’t eind van de oorlog dan niet haal, dan meneer Nijen Twilhaar ook niet!”. ’t Scheelde weinig of er had zich een drama afgespeeld. Als Nijen Twilhaar en niet tussen gesprongen was, had de neef de Joodse onderduiker ter plekke neergeschoten.

Oom Gerrit was nu een regelrechte bedreiging voor de familie geworden. Nog diezelfde avond werd hij gedwongen te vertrekken naar een afgelegen boerderij, waar twee ongetrouwde broers woonden. Hier werd hij dag en nacht in de gaten gehouden en “haalde hij ’t eind van de oorlog!”. Na de bevrijding kwam hij nog een keer terug. Om een achtergelaten koffer op te halen.

De schrik zat er na ’t gedwongen vertrek van oom Gerrit goed in. Het hele gezin dook onder en vond onderdak bij de spoorwegman Hilberink in Coevorden. Van maandag tot zaterdag! Langer kon niet, want “pappa” kon de gemeente toch niet in de steek laten! En dus stond hij de zondag daarop weer op de kansel. Maar het verraad had zijn werk wel gedaan. Kort hierop deden de Groenen, vergezeld van een herdershond, een inval in de pastorie. Pappa was op huisbezoek en de Duitsers onderzochten grondig het hele huis. Moeder bleef erg ontspannen. Oom Gerrit was immers net op tijd weg! Dat was zo’n opluchting, dat ze er geen moment aan dacht, dat in de consistorie de radio, waar Joden en verzetsmensen regelmatig naar luisterden, verborgen was. “Mag ik die hond wel iets geven?”, vroeg ze poeslief aan de Groenen. Dat brak de spanning. De Duitsers weren ineens inschikkelijk en vertrokken tenslotte zonder iets gevonden te hebben.

“Vader is op huisbezoek!”. Dat was het antwoord, dat de kinderen altijd moesten geven, als onbekenden naar hem vroegen. Een antwoord, waar ze al heel snel mee leerden leven. Ook al omdat ze deze mededeling wel eens moesten gebruiken om mensen te waarschuwen. Dan stuurde vader Nijen Twilhaar ze naar een bepaald gezin, waar ze alleen maar moesten zeggen: “Pappa kan niet op huisbezoek komen!”. Er werd nooit nader gevraagd, want ingewijden wisten, wat dit zinnetje betekende. Maken dat je wegkwam!

Tweemaal in de week, haalden de kinderen om de beurt melk bij boer Holwarda. Henk trok er elke dag op uit om paardenbloemen te steken voor de konijnen. Natuurlijk was er ook tijd om te spelen en dat deed hij bij voorkeur met zijn vriend Jan Nico Scholten. Ze haalden vaak kattekwaad uit. Toen ze eens op een avond ruitje gingen tikken bij boer Albert Hartemink, kwam deze naar buiten stuiven en kreeg Jan Nico te pakken. Die kreeg een “”goed pak op zijn ribben”, want Hartemink was een felle! De jongens namen het, zoals het kwam. ’t Was tenslotte verdiend! Maar dat Hartemink ongewoon agressief reageerde, toen ze eens elk een voederbiet mee wilden nemen uit de bult achter de kerk, vonden ze onbegrijpelijk. Tot ze er in januari 1945, bij zijn arrestatie, achter kwamen, dat er wapens in verborgen zaten.

Kort na deze voor Dalerpeel zo schokkende gebeurtenis vond er ’s nachts een razzia plaats. De overvallers drongen ook de pastorie binnen. Henk en zijn broertje Frits lagen bij elkaar op een kamer en werden wakker door het geluid van harde stemmen. Ze moesten zich slapend houden, als er iets gebeurde, had pappa gezegd. Dat deden ze dan ook, toen er voetstappen op de trap klonken en een man hun kamer binnenkwam.

Hij bescheen hen met een “knijpkat”, een zaklantaarntje met handbediende dynamo, doorzocht de kasten en ging weer weg. Toen het stil werd, kwamen ze uit bed en keken naar buiten. Daar zagen ze op het pleintje voor de kerk een groep mannen met de handen omhoog staan, omringd door een groot aantal geüniformeerde overvallers met het geweer in de aanslag. Met bonzend hart en doodsbenauwd slopen ze de trap af naar de slaapkamer van hun ouders. Daar zat mamma in bed, met hun zusje Annie en Olda de Man, die in de hongerwinter uit Gouda in huis was opgenomen. Pappa was weg!

Korte tijd later werd er op het raam van de slaapkamer getikt en de stem van Nijen Twilhaar riep: “Vrouw, ik ben er weer, maar niet alleen!”. Een voor een kwamen ze nu binnen, gewapende Nederlandse S.S.ers, N.S.K.K.ers en hun slachtoffers. De gevangenen moesten in de voorkamer tegen de wand gaan zitten en hier werden ze bij het licht van enkele zaklantaarns verhoord. Daarna werden ze afgevoerd. Ook pappa! Toen het gezin de volgende morgen in de voorkamer kwam, zaten er allemaal verhoginkjes in het vloerkleed. Zittend op het zeil langs de rand hadden de gearresteerden allerlei belastende zaken als persoonsbewijzen en foto’s hieronder weggestopt.

Nijen Twilhaar werd samen met de anderen opgesloten in het huis van de gearresteerde Coevorder verzetsman Mantel. Er werden allerlei beschuldigingen tegen hem ingebracht. Hij ontkende alles, maar het zag er niet best voor hem uit. Toen nam een officier, die hij wel kende van zijn bemiddelende bezoeken, hem apart. De Duitser, die terdege besefte, dat de oorlog verloren was, zei tegen hem: “Ik zal een goed woordje voor u doen, als u belooft mij na de oorlog ook te helpen!”. Nijen Twilhaar beloofde dit en inderdaad, hij werd kort hierop vrijgelaten. Na de bevrijding beriep de inmiddels gevangen genomen officier zich inderdaad op de “Pfarrer” van Dalerpeel. De met het onderzoek belaste vertegenwoordigers van het Militair Gezag bezochten daarop met hun gevangene de pastorie en in de voorkamer deed Nijen Twilhaar op zijn beurt een goed woordje.

Evenals voor zoveel Dalerpelers was de bevrijding voor Henk een feest, dat zich voornamelijk in Coevorden afspeelde. Nog weet hij zich te herinneren, hoe de eerste chocola smaakte, die hij van de Canadezen kreeg. En het vlees uit een blikje dat ze hem ook gaven. Terugkijkend op de oorlog zegt hij nu: “Die tijd heeft vorm aan mijn leven gegeven en mijn levenshouding bepaald. De oorlog heeft me het besef gegeven, dat ’t iets geweldigs is vrij te zijn!”

De Todt

Naar schatting kwamen er driehonderd opdagen.

Het was najaar 1944. De Geallieerden waren in Normandië geland en trokken steeds verder Europa binnen. Hoewel de Duitse propaganda de terugtocht van de Hitlerlegers trachtte te verdoezelen door in de voorlichting te spreken over consolideren van posities of het betrekken van nieuwe stellingen, hield men er toch al rekening mee, dat de geallieerde opmars niet te stuiten zou zijn.

De Duitsers begonnen nieuwe verdedigingslinies aan te leggen, zoals bijvoorbeeld in Smilde. Hier werd een grote tankval, een soort sloot gegraven, die gelijkvloers een breedte had van vier meter, drie meter diep was en op de bodem dertig centimeter breed. De tankval moest de opmars van de geallieerden afremmen of zo mogelijk stoppen. Graafmachines kende men nog niet en het hele project moest dus met de hand worden aangelegd. Hiervoor werden Nederlandse mannen opgeroepen, die niet in dienst waren geweest. De meesten van hen waren niet ouder dan zeventien of achttien jaar.

Ook in Dalen werden mannen opgeroepen zich te melden bij de boerderij van Albert Kip (Kips Ab) aan de Hoofdstraat, waar nu het winkelcentrum is. Naar schatting kwamen er driehonderd opdagen. Men durfde niet te weigeren of onder te duiken uit angst, dat een huisgenoot dan opgepakt zou worden. Onder de aanwezigen heerste een gedrukte stemming, omdat men de reden van de oproep niet kende. Iemand, die in de deur van het gemeentehuis stond, las een verklaring voor, dat men op bevel van de bezetter opgeroepen was om in Smilde graafwerk te verrichten voor de aanleg van een tankval. Voor velen was dit een geruststellende mededeling. Het doel van de oproep had beroerder kunnen zijn!

De namen van de uitverkorenen werden daarna voorgelezen. Allen moesten zich de volgende dag om tien uur bij de tramhalte melden en een schip en een deken meenemen. Ook een fiets werd toegestaan. De volgende morgen werden manschappen en fietsen in de tram geladen en werd de toch nog min of meer ongewisse reis aanvaard, richting Assen. Jan Hammink Voors had de avond ervoor nog gauw twee houten koffers gemaakt; een voor zichzelf en een voor zijn oom Harm Veldhuis, om wat kleren en extra benodigdheden mee te nemen.

De reis naar Assen verliep vlot en zonder noemenswaardig voorvallen. In Assen werden de mannen gelast zich in rijen op te stellen als in het gelid marcherende militairen. Ook zij die een fiets hadden meegenomen, moesten lopen. De Dalers, die goed met elkaar overweg konden of familie van elkaar waren, bleven zoveel mogelijk samen om wat steun en bescherming te vinden. De mars naar Smilde werd niet zonder angst en vrees afgelegd, omdat het niet denkbeeldig was, dat overvliegende “Tommies” (Engelse vliegtuigen) zo’n grote groep marcherende mannen zouden beschieten. De lucht was echter bewolkt en er werd geen vliegtuig gehoord of gezien.

De dwangarbeiders werden tijdens de mars begeleid door gewapende Duitsers in geelachtige uniformen met op de revers een hakenkruis en de naam “Todt”, afkorting van “Organisation Todt”.

In Smilde werden de mannen in groepen verdeeld en ondergebracht bij dorpsbewoners. Onze groep vond onderdak bij boer Drenten, een N.S.B.er. Zijn vrouw was niet zo politiek geïnteresseerd en stond toe, dat de mannen naar de radio luisterden. Ze had niet door, dat de Engelse zender voortdurend aanstond, omdat ze geen Engels kende. Toen haar man het spelletje door kreeg, was het gauw gebeurd met de luistervrijheid. In het vervolg werd de radio nog wel aangezet, maar het moest veel voorzichtiger aangepakt worden. De legering was redelijk goed. Op de vloer van de stal en in de grup was een laag stropakken neergelegd, waarop het onder de eigen deken goed slapen was. Na vaak toch wel even aan thuis gedacht te hebben kwam de slaap al gauw over de vermoeide lichamen. Spitten was voor niemand een alledaags werk. In het begin werd er zo maar wat gegraven en ’s avonds zag je wel, hoever je gekomen was. Na een tijdje werd echter bevolen, dat een groep van acht mannen per dag twee meter in de lengte moest spitten. Als dat klaar was, mocht men vrij nemen. De tankval liep van Smilde naar Witten.

Het werk gebeurde steeds onder toezicht van soldaten van de Todt. ’s Morgens werd appel gehouden, waarbij de oppassers alle namen afriepen. Dan moest met “ja” geantwoord worden als bewijs aanwezig te zijn. als iemand een zonder toestemming een dag naar huis was, riep een van zijn vrienden wel “ja”. Van elke aanwezige werd een aantekening gemaakt, ook voor de uitbetaling van loon. Wie er niet was, kreeg geen geld. Eens per week moest Albert Naber de lijsten met namen naar een bureau in Smilde brengen. Van hieruit werd de wekelijkse betaling van vijf gulden per dag geregeld.

De tankval werd recht toe recht aan gegraven. Dwars door de aardappelen, bieten of welk gewas er ook maar op het land groeide. Op de door de bezetter betaalde vergoeding voor de aangebrachte schade viel echter niets aan te merken. Het uitgegraven zand mocht niet op een hoop blijven liggen, maar moest over het land verspreid worden. Het spreekt vanzelf, dat er bij elke groep spitters wel enkele personen waren, die nog nooit een schop of spade gehanteerd hadden. Dat was bijvoorbeeld het geval met de heer De Muinck Keizer, eigenaar van een fabriek in Coevorden. De groep was echter wel zo solidair om het werk van deze mensen erbij te doen. De beste spitter waren zij, die vroeger bij de werkverschaffing hadden gewerkt. Soms werd, om even te kunnen uitrusten, een zitplaats in de wal van de tankgracht gegraven.

Met de meeste Duitsers was het goed om te gaan. Velen van hen waren gedwongen militair te worden zonder het met de nationaalsocialisten eens te zijn. Een Duitser was “een kreng”. Je kon hem door zijn geschreeuw al vanuit de verte aan horen komen en om nog meer indruk te maken, schoot hij soms over de hoofde van de werkers in de lucht. Hij droeg een uniform met het onderscheidingsteken van de vliegeniers.

Het ontbijt bestond uit zuur brood. Dit was te koop in de gaarkeuken, evenals vele andere artikelen. Vaak moesten er distributiebonnen bij ingeleverd worden. Het middagmaal werd klaargemaakt in de plaatselijke zuivelfabriek, in melkbussen door boeren op een wagen naar het werkterrein gebracht en in blikjes aan de spitters uitgedeeld. De boeren werden tot dit werk gedwongen, maar ze kregen er wel een vergoeding voor. De bezetter drukte net zoveel bankbiljetten als hij nodig had, zonder op de gevolgen te letten. Geld genoeg dus!

Voor het werk in de keukens waren meisjes opgeroepen en ook Harry Veurink werkte daar. Er waren ook wel kontakten tussen deze meisjes en de arbeiders aan de tankval. Eens toen Albert Naber en Jan Hammink Voors tijdens het werk drinkwater van de fabriek moesten halen, waren de meisjes bezig worteltjes te schrapen. Na wat heen en weer gepraat, begonnen de dames plagerig met wortels naar de jongens te gooien. Op dat moment konden de belaagden niets terug doen, maar of ze ’s avonds verhaal zijn gaan halen, willen ze nu nog niet vertellen. Maar men was jong en probeerde van de nood een deugd te maken. Afwisseling was altijd welkom en daarom gingen verschillende Daler meisjes ook wel bij hun vriend in Smilde op bezoek, op de fiets!

Een paar dagen na zijn aankomst in Smilde werd Harm Veldhuis door burgemeester Ten Holte als tweede verbindingsman in Dalen aangesteld. Nu was hij tot zijn grote opluchting vrijgesteld van het graven en moest zorgdragen voor de kontakten tussen de spitters en de burgemeester en ook tussen de spitters en de Duitsers. Dat laatste was soms lastig, omdat hij slecht Duits sprak. Na korte tijd werd hij eerste verbindingsman, omdat zijn voorganger uitviel. Nu moest hij ook bemiddelen bij het aanvragen van ontslag voor jongens, die thuis slecht gemist konden worden. Daarvoor moest een formulier op gemeentehuis worden ingevuld en naar het Parkhotel in Assen gebracht. Bij accoordbevinding werd het papier afgestempeld en dan moest het ingeleverd worden bij een Duitse instantie in Smilde. Hier wilde men nog wel eens vervelend doen, maar na wat aandringen en met behulp van een sigaar of iets dergelijks was er altijd wel iets te regelen. Jan Vleems zorgde uit eigen voorraad voor de sigaren.

Boeren werden het gemakkelijkst vrijgesteld, omdat zij voor de voedselvoorziening werkten , maar voor timmerlieden bijvoorbeeld werd een aanvraag altijd geweigerd. Om allerlei redenen werd wel eens vrij gevraagd. Zo mocht Willem Hegen uit Wachtum een dag naar huis, omdat er een varken geslacht moest worden. Clandestien waarschijnlijk, maar dat werd niet op het formulier ingevuld. Na ongeveer zes weken gingen alle Daler jongens weer naar huis. Ze werden afgelost door mannen uit andere dorpen. Een persoon kwam niet vrij. Hij werd echter geruild voor een Fransman, die door de Grüne Polizei in Dalen was opgepakt. Onderduikers wilden nog wel eens graag in Smilde blijven. Ze voelden zich hier min of meer veilig en kregen redelijk goed te eten.

Uiteraard werden ook op andere plaatsen Dalenaars ingezet en aan het eind van de oorlog zelfs in het eigen dorp. In het voorjaar van 1945 werd Harm Veldhuis bij de burgemeester ontboden, die hem vertelde, dat er de volgende morgen honderd mannen beschikbaar moesten zijn om schuttersputjes te graven in de buurt van de Reindersdijk.

Harm moest deze mensen oproepen, maar hij voelde daar niets voor en weigerde. De burgemeester, bang voor represailles als hij de mannen niet bij elkaar kreeg, slaagde er in gemeentewerker Evert Wesseling en de vrijwillige brandweer over te halen die taak op zich te nemen. In Wachtum gingen hiervoor de politieagent Blouw en Bertus Hilbrands op pad.

De opgeroepen mannen moesten gaten spitten van anderhalf tot twee meter lengte, waarin een soldaat kon liggen. Deze soldaten zouden dan bewapend kunnen worden met pantservuisten, een vuurwapen, waarmee tanks en pantserwagens onschadelijk gemaakt werden.

Niet allen, die opgeroepen waren, kwamen opdagen. De bevrijders waren immers al in de buurt! Wel waren o.a. aanwezig dominee Rensink en alweer de heer De Muinck Keizer. ’t Waren niet de beste spitters! Tot grote ergernis van de Duitse bewakers beweerde de dominee steeds maar weer dat hij geen Duits verstond en dus niets van de opdrachten begreep. Een deel van de mannen moest zoden steken, die van schop tot schop werden doorgegeven en daarna opgestapeld werden. Om niet te veel op te vallen vroeg Rensink, die eigenlijk niets deed, hem af en toe ook een zode te geven.

Omdat de bevrijders steeds dichterbij kwamen, weigerden steeds meer mannen te werken en verscholen zich in het bosje op de Rikkast, de huidige Huttenheugte. Toen Coevorden bevrijd was, ontstond er een chaotische toestand. Ook de Duitsers geloofden nu niet meer in het nut van de schuttersputjes en deden niets meer om de weglopers tegen te houden. De hele operatie verliep en ging als een nachtkaars uit. Het was de laatste stuiptrekking van het dwangsysteem van de bezetter.

Henk Veurink

Steevast eindigden zijn briefjes met: “Het komt wel goed!”.

Henk Veurink

Hendrik Albertus Veurink werd op 20 augustus 1920 in Dalerveen geboren. Zijn vader was directeur van de zuivelfabriek en kassier van de boerenleenbank. Henk bezocht na de lagere school de U.L.O. in Coevorden en kreeg daarna een betrekking op het gemeentehuis in Dalen. Op 7 januari 1941 werd hij ambtenaar ter secretarie in Oosterhesselen.

Na de inval van de Duitsers werd het gemeentehuis in Oosterhesselen steeds meer het centrum van verzetsactiviteiten. Henk was daar nauw bij betrokken. Neergeschoten piloten kregen een veilig heenkomen, distributiebonnen werden “versierd” en stamkaarten vervalst. Zo ontstond de verzetsgroep Oosterhesselen, die als spoedig ging samenwerken met de groep van Johannes Post in Nieuwlande. Waarschijnlijk ten gevolge van verraad van een der medewerkers werden de leden van de Oosterhesseler groep in Maart 1944 allemaal gearresteerd.

Henk Veurink was op 22 maart 1944 gewoon thuis in Dalerveen, toen er om acht uur ’s avonds aangebeld werd. Nietsvermoedend werd de deur geopend en een Duitse officier, vergezeld van enige Nederlandse handlangers, verschafte zich met een pistool in de hand toegang. De officier ging naar boven en arresteerde Henk in zijn kamer. Henk’s moeder had nog de tegenwoordigheid van geest enkele bezwarende papieren uit de jaszak van haar zoon te halen en in haar blouse te stoppen.

Henk werd overgebracht naar de gevangenis in Assen en kwam vervolgens in Groningen in het beruchte Scholtenshuis terecht. Zijn broer probeerde hem nog enkele malen in Assen te bezoeken, waar hij werd niet toegelaten. Voor Henk begon een ware martelgang. Via Groningen ging hij achtereenvolgens naar Kamp Amersfoort, de gevangenis in Scheveningen en kamp Vught. Tenslotte belandde hij in het Duitse concentratiekamp Neuengamme.

Tijdens zijn gevangenschap in Nederland wist hij zijn familieleden vrij regelmatig een levensteken te doen toekomen. Soms waren het briefjes op toiletpapier, die door goedwillende bewakers doorgegeven werden. Henk klaagde nooit; dat durfde hij waarschijnlijk niet. Eens schreef hij, dat hij zijn overjas aan een medegevangene gegeven had, omdat deze hem meer nodig had dan hij. Hij bleef optimistisch en zijn briefjes eindigden altijd met: “Het komt wel goed!”.

Pas in augustus 1945 ontving de familie Veurink via dominee Rensink bericht, dat Henk op 4 januari in Neuengamme was overleden. Als doodsoorzaak werd opgegeven, dat hij bezweken was aan een ziekte. Ook hier geldt echter maar één conclusie: Henk Veurink werd in Neuengamme vermoord! Enige tijd later werd in Dalerveen een pakket bezorgd met voorwerpen, die van Henk geweest zouden zijn. Er was echter niets bij, dat zijn eigendom geweest was.

Het drama van Jan Otterman

Jan, die eerst banketbakker geweest was, werd tijdens de oorlog distributieambtenaar in Dalen.

Jan Otterman werd op 23 augustus 1914 in Wachtum geboren. Zijn vader, hoofd van de openbare lagere school, was in de dertiger jaren een vurig propagandist van Landbouw en Maatschappij. Hij trok de provincie door en hield lezingen op bijeenkomsten van deze organisatie. Als vanzelfsprekend werd hij ook lid van de N.S.B.

Toen de Duitsers ons land binnen vielen, kwam meester Otterman tot de ontdekking, dat hij op de verkeerde weg was. Hij zegde zijn lidmaatschap van de N.S.B op en werd na verloop van tijd een verklaard tegenstander van het nationaalsocialisme. Uiteraard werd dit hem door zijn voormalige “vrienden” niet in dank afgenomen en van mei tot december 1942 verbleef hij als gijzelaar in het kamp Sint Michielsgestel.

Jan, die eerst banketbakker geweest was, werd tijdens de oorlog distributieambtenaar in Dalen. Het kantoor was gevestigd in een leegstaand lokaal van de openbare lagere school. Hij werd hier plaatsvervanger van mevrouw Lubbers-Scheltens, die de leiding had. Met medeweten van het personeel begon Jan distributiebonnen te bezorgen bij onderduikadressen. Om zich in geval van nood te kunnen verdedigen, schafte hij zich een revolver aan.

Waarschijnlijk omdat er in Dalen over de stiekeme verstrekking van bonnen aan onderduikers gepraat werd, stelden N.S.K.K.ers een onderzoek in. Caissière Lien Caspers, die toevallig uit de pomp op het schoolplein water haalde, zag mannen komen en rende naar binnen om Jan te waarschuwen. Deze kon nog juist op tijd zijn revolver in een ander leegstaand lokaal verstoppen, voordat de N.S.K.K.ers binnenkwamen. De nu volgende ondervraging leverde niets op en de landverraders verlieten onverrichterzake het kantoor.

Jan, die bang was er een tweede keer niet zo goed af te komen, besloot nu onder te duiken. Hij bleef echter via het distributiekantoor bonnen verspreiden en werd daardoor regelmatig gezien. Omdat hij nooit werd aangehouden en zijn tochten naar onderduikadressen altijd goed verliepen, werd hij overmoedig.

Op zijn verjaardag, 23 augustus 1944, besloot Jan een dagje naar zijn ouders in Wachtum te gaan. Welgemoed ging hij ’s morgens per fiets op weg en toen hij tegen een uur of twaalf in Dalen aankwam, werd hij aan het begin van de Noordwijk gewaarschuwd, dat er N.S.K.K.ers gezien waren. Jan trok zich daar niets van aan en fietste verder.

Even daarna werd hij inderdaad in Noordwijk staande gehouden door de N.S.K.K.ers Botter en Zuidema, die hem fouilleerden. Daarop werd hem bevolen mee te gaan voor nadere ondervraging. Jan voelde daar uiteraard niet voor en haalde uit de zak van zijn jasje, dat hij op de bagagedrager gebonden had, zijn revolver en schoot op een van zijn belagers. De kogel ging rakelings langs diens hoofd en doorboorde de uniformpet. De andere N.S.K.K.er vuurde onmiddellijk terug en trof Jan in de rug. Hij viel neer en kwam half in de sloot naast de weg terecht.

De woedende landverraders trokken Jan aan zijn haar op de begane grond. Omwonenden, die kwamen aanlopen, werden bars teruggestuurd. Een toevallig passerende verpleegster verleende zo goed en zo kwaad als het ging eerste hulp en moest toen weer doorrijden.  De beide N.S.K.K.ers liepen daarna naar de boerderij van Hanna Berkhof, die het hele drama vanachter het raam gevolgd had en vroegen haar om een deken en een kussen voor de gewonde. Vervolgens gingen ze naar Luuk IJdens,  die ook in de buurt woonde, om te telefoneren. Luuk weigerde echter zijn toestel beschikbaar te stellen en er ontspon zich een heftig twistgesprek. Burgemeester Ten Holte, inmiddels gewaarschuwd, kwam polshoogte nemen en praatte verder met de N.S.K.K.ers. Het slot van ’t liedje was, dat er toch getelefoneerd werd.

Er arriveerde een auto. Jan, wiens verwonding achteraf nogal meeviel, werd op de achterbank gezet en men vertrok naar het ziekenhuis in Emmen. Onderweg werd nog even gestopt bij smid Naber aan de Emmerweg, waar om water voor de gewonde gevraagd werd. Naber gaf Jan persoonlijk te drinken uit een blauwe halfliter kan. In het ziekenhuis beoordeelden zuster Molenaar en chirurg Van Heerde de toestand van de gewonde officieel als zeer ernstig. Ze wilden hem zo lang mogelijk houden om de verzetsgroep Emmen de kans te geven een bevrijdingsactie op touw te zetten. Hoewel er al heel snel een plan beraamd werd, kon dit niet uitgevoerd wordend. De Duitsers schatten Jan’s toestand juist in en al na een dag werd hij naar de gevangenis in Assen overgebracht. Vandaar ging hij naar het doorgangskamp in Vught in Noord-Brabant en vervolgens werd hij op transport gesteld naar het beruchte Duitse concentratiekamp Buchenwald. Hier is Jan Otterman op 25 februari 1945 overleden. Over de omstandigheden, waaronder dit gebeurde, is niets bekend, maar gezien de gruwelijke behandeling van gevangenen in Buchenwald kan zonder enige overdrijving gesteld worden, dat hij hier vermoord is.

Zijn vrienden Jan Eising, Jan Hidding, Jacob Nijmeijer en Geert Scholten namen kort na de bevrijding het initiatief een monument voor hem op te richten. De gemeente liet een oud brandgat in Wachtum dempen en stelde deze plaats voor een gulden beschikbaar. Nog in 1945 kwam het gedenkteken gereed en elk jaar, tijdens de dodenherdenking op 4 mei, worden hier bloemen neergelegd. De moeder van Jan deed dit, nog vele jaren aan de Noordwijk, op de plaats, waar het drama van haar zoon zich had afgespeeld.

Rico Brando, een mysterie

Hij gedroeg zich zeer anti-Duits.

Eind 1942 vestigde zich in Dalen het gezin van Rico Brando, bestaande uit vader, moeder en drie kinderen. Hoewel er in het dorp tientallen woningzoekenden waren, kreeg Brando onmiddellijk een leegstaand huis aan de Noordwijk toegewezen. De kinderen Jeanet, Yvonne en Eddy gingen in Dalen naar school en spraken evenals hun ouders uitstekend Nederlands. De vrouw van Rico Brando kwam zelden op straat en dus maakten maar weinig Dalers met haar kennis.

Dat gold beslist niet voor haar echtgenoot, die zich met iedereen en alles bemoeide. Hij was wat aan de kleine kant, had een donkere huidskleur en werd algemeen “De Italiaan” genoemd.  Rico was kleermaker geweest. Al snel ging hij aan ’t werk bij zijn overbuurman, die hetzelfde beroep uitoefende.

Hij gedroeg zich zeer anti-Duits en luisterde naar eigen zeggen elke dag stiekem naar de Engelse radio. Bij kapper Zwiers vertelde hij hierover regelmatig spannende verhalen. Heel veel Dalers geloofden hem. Toen hij op een morgen door de Groenen werd gearresteerd en lopend door het dorp naar “De Vondel” weer gebracht, zei menigeen: “Zie je wel! Hij is toch van de goede kant!”. Diezelfde middag om een uur of vier was hij echter weer vrij en dat zette verschillende kritische dorpsbewoners toch aan het denken. Was die Italiaan werkelijk wel zo goed?

Tijdens de hongerwinter haalde hij persoonlijk met paard en wagen, geleend bij een N.S.B.er, een aantal kinderen uit het Westen Geruime tijd daarvoor had hij al verschillende gezinnen bereid gevonden hen onderdak te verlenen. Dalers, die hem buiten het dorp hadden zien rijden, vertelden later, dat hij al ter hoogte van De Loo een Duits uniform had aangetrokken.

Daartegenover stond weer het verhaal, dat hij kort voor de bevrijding van Dalen vier Duitsers ontwapende en hen onder bescherming van een witte vlag naar Coevorden had gebracht. Toen na 10 April de B.S het zogenaamde Oranjehuis betrok, had hij ook hier weer het hoogste woord zonder zelf bij de organisatie te behoren. Tot enkele dagen na de bevrijding vier mannen van het Militair Gezag hem hier arresteerden. Geboeid werd hij weggevoerd en nooit meer heeft men in Dalen iets van hem vernomen. Ook niet van zijn gezin, dat kort na de gevangenneming vertrok.

Zij waagden hun leven

Het was spertijd en niemand mocht zonder vergunning buiten komen.

In 1941 vertrok de zestienjarige Geert ter Stege naar Smilde om daar te gaan werken als bakkersknecht. Hij woonde er bij zijn baas in en had het goed naar zijn zin. In december 1943 kwam er een oproep voor de arbeidsdienst, waarin stond dat hij zich op 5 januari in Grave moest melden.

Geert voelde daar niets voor en dus ging hij op de aangegeven datum niet naar Grave, maar naar huis, naar zijn ouders in Coevorden. Hier was hij veilig, dacht hij. Hij stond immers ingeschreven in Smilde! Veertien dagen later bracht hij op een avond een meisje, dat bij dokter Christiaans diende, naar huis. Terugkerend werd hij op de Looweg aangehouden door Jan Overbeek, de Daler politieagent, die zijn persoonsbewijs inzag. Geert kreeg de wind van voren! Het was spertijd en niemand mocht zonder vergunning buiten komen, maar dat was niet het ergste. “Stomme vent!”, zei Jan Overbeek, “Je bent achttien jaar en in de gevaarlijke leeftijd. Als mijn collega erbij geweest was, had ik je mee moeten nemen. Zorg maar gauw dat je thuis komt! “Geert maakte zich dankbaar uit de voeten en begreep, dat hij niet langer thuis ondergedoken kon blijven.

Via de Coevorder illegale werker Eichner kwam hij op de boerderij van de familie Hartemink op de Hoge Haar terecht. Hier werd hij volledig in het gezin opgenomen. Er waren ook drie kinderen uit Rotterdam ondergebracht. Vader en moeder Hartemink hadden nog drie zoons, Bernhard, Gert en Johan en drie dochters, Dina, Sientje en Trui thuis. De oudste zoon, Albert, was getrouwd en woonde op een boerderij in Dalerpeel.

Vader Hartemink was het type van een echt gereformeerde bestuurder, die veel tijd besteedde aan kerkelijke en algemeen-christelijke verenigingen en organisaties. Het grootste deel van het boerenwerk kwam daardoor op de schouders van de beide volwassen zoons Bernhard en Gert terecht.

Het gezinsleven kenmerkte zich door een zeer godsdienstige en teven gezellige sfeer. Als het gezin van twaalf personen en soms ook nog enkele “etenhalers” ’s avonds aan tafel zat, werd er eerst uit de bijbel gelezen en gebeden. Na de maaltijd werd een psalm gezongen, die door de gezinsleden beurtelings werd opgegeven en dan volgde het dankgebed. Heel vaak zong men daarna bij het orgel geestelijke liederen en er werden allerlei gezelschapsspelletjes gedaan. Etenhalers gingen bij de Hartemink’s nooit met lege handen weg. Vooral Bernhard was gul. “Hoeveel wil je dan hebben?”, vroeg hij steevast, als hij weer met een stel westerlingen bij de roggebak stond. “Ik doe niet anders dan tien kilo tegelijk! “Tien kilo, dat was een geweldige hoeveelheid. “Maar mijnheer, wij hebben niet zoveel geld!” was dan vaak de verbaasde reactie en dan zei Bernhard: “U krijgt tien kilo en ik wil er elf cent per kilo voor hebben.

De regeringsprijs is 10 cent en ik wil een cent voor ’t wegen!”. En vervolgens vertrokken de bezoekers dol gelukkig met tien kilo voor een spotprijsje, want er waren nogal wat boeren, die veel en veel meer vroegen Sommige etenhalers kwamen zo regelmatig, dat ze bekenden werden en soms bleven slapen.

Dat Bernhard, samen met zijn broer Albert, lid van de verzetsgroep Coevorden, hield hij angstvallig voor zich. Zelfs zijn vader en moeder wisten daar niets van. Ook het feit, dat wapens van de groep onder een persbult achter de boerderij verborgen waren, was aan niemand bekend. Bernhard had ze onder een vracht aardappelen naar de Hoge Haar vervoerd en een gedeelte ervan bij Albert ondergebracht. Alles in het diepste geheim. Het enige, dat Geert wel eens opviel, das het regelmatige bezoek van Piet Tijsma, die later de commandant van de groep bleek te zijn. Bernhard en Piet trokken zich tijdens zo’n bezoek altijd terug in een geheimzinnig onderonsje.

Op woensdagmorgen 11 januari 1945 om vijf uur wordt er bij de Hartemink’s plotseling hard op de deur gebonsd. Het sneeuwt en ’t is bitter koud. “Licht aan en open maken!”, wordt er geschreeuwd. Dat duurt even, want er is nog geen elektrisch licht op de boerderij. Als tenslotte licht is en de deur wordt opengedaan staan er Duitsers, N.S.K.K.ers, Nederlandse S.S. ers en W.A mannen voor de deur. Ze stormen naar binnen.

Geert, die altijd bij Gert op de kamer slaapt, maar nu omdat de bevriende etenhalers Opa de Haan en Nel op de boerderij overnachten naar het hooi boven de koeien verbannen is, wordt ruw uit zijn slaap opgeschrikt. Een Nederlandse W.A.man, afkomstig uit Dalen, schijnt hem met een zaklantaarn in het gezicht en roept: “D’r uit! Opstaan!”.  Geert denkend dat het Gert is, antwoord slaperig: “Heb je ’t melken dan al daan?”, waarop de stem van zijn belager zegt: “Word maar es goed wakker!”.

Dat wordt Geert snel, want hij ziet nu een revolver op zich gericht. “Oh, is ’t zo laat!”, reageert hij, zich dwingend om kalm te blijven. Hij slaat de dekens opzij, trekt op zijn gemak zijn broek en zijn hemd aan en loopt naar de ladder. De W.A.man, geërgerd door Geerts getalm, gooit hem de ladder af, als hij twee sporten gedaald is. “Dat gaat vlugger!”, schreeuwt hij en Geert strompelt met een verzwikte voet de woonkamer in.

Daar staan de gezinsleden, de drie kinderen en de beide etenhalers in een grote boog bijeen, Bernhard met de handen omhoog. Gert ontbreekt. Er heerst een doodse stilte. Als Geert zich zijdelings bukt om op de klok te kijken hoe laat het is, krijgt hij een klap met een Duitse steelhandgranaat op zijn hoofd. ” ’t Is laat genoeg voor jou!”, dreigt de achter hem staande Nederlandse S.Se.er onheilspellend. Bernhard wordt meegenomen voor verhoor in de andere kamer. Als hij terugkomt, ziet hij er verschrikkelijk uit; het bloed sijpelt over zijn gezicht. Maar hij geeft geen kik. Hij moet met de handen omhoog blijven staan en als hij ze maar iets laat zakken, krijgt hij een stomp of een trap.

Een voor een moeten de volwassenen naar de verhoorkamer. Als Geert er binnen komt, ziet hij een Duitse officier met een tolk zitten. Achter hem posteert zich een S.S.er. “Heb je je maat gezien?  Wil je dat jou hetzelfde overkomt?”, wordt hem gevraagd. “Liever niet!”, antwoord Geert. “Er overkomt je niks, als je de waarheid zegt”, vervolgt de officier en hij vraagt in een adem door “Waar zijn de wapens?”. Gelukkig naar waarheid kan Geert antwoorden: “Ik weet het niet!“ Een klap op zijn hoofd met een handgranaat is het gevolg. Geert wordt woedend. “Dat is geen afspraak!”, schreeuwt hij. “Je spreekt de waarheid niet!”, bast de Duitser. “Ik spreek de waarheid wel!”, verklaart Geert, nu plotseling kalm. Stilte. “Waar is je Ausweis?”, wil de officier weten. “Dat heb ik boven”, is het snel gegeven antwoord. Vragen over Bernhard en weer over de wapens volgen. Geert weet van niets, maar hij begrijpt nu, dat het de Duitsers alleen hierom te doen is.

Er moet verraad in het spel zijn, dat is wel duidelijk. Hij wordt niet meer geslagen.

Teruggekeerd in de kamer staan daar nog steeds de anderen. Bernhard nog altijd met de handen omhoog. Gert is er nog steeds niet en in de boerderij wordt overal naar hem gezocht. De koeien beginnen te loeien en Trui en Geert krijgen toestemming om ze te gaan melken. Ook de kinderen mogen de kamer uit. De S.S.er, die in de stal op wacht staat, wordt naar binnen geroepen. Jan, een van de evacueetjes, loopt op de deel en plotseling is Gert er. Hij is vanuit zijn slaapkamer naar de roggezolder gevlucht en laat zich nu naar beneden glijden. Hij vraagt fluisterend: “Bent ze weg? “Jan fluistert: “Nee” en Geert zegt: “Haal mijn klompen uit de keuken! “Jan loopt weg en komt direct klossend op de veel te grote klompen terug. Geert trekt ze aan en daar gaat hij, door de staldeur naar buiten, de sneeuwjacht in. Niemand merkt hem op en de neerdwarrelende sneeuw wist snel zijn sporen uit. Gert is ontsnapt!

Even later komen enkele S.S.ers met een mitrailleur de deel op. Geert moet laten zien, waar hij geslapen heeft en de S.S.ers jagen enkele salvo’s dwars door het dak. “Als je er niet uitkomt, schieten we de hele boel in brand!”, brullen ze. Het lawaai van de schoten en de brekende dakpannen is angstaanjagend, maar er gebeurd natuurlijk niets. Alleen de koeien zijn haast niet meer in de hand te houden.

Gezienus Rougoor van de Vossebelt komt “toevallig” langs en speelt ontsteltenis en angst. De Duitsers verhoren hem en laten hem al snel weer gaan. Nog gauw deelt Gezienus mee, dat Albert in Dalerpeel gewaarschuwd is. Daarvoor is hij gekomen.

Mantel en Koning, twee al eerder gearresteerde leden van de verzetsgroep, worden binnengebracht. Ook zij zijn zwaar toegetakeld. Urenlang worden de drie mannen nu verhoord. Tenslotte, pas aan ’t eind van de middag, vertelt Bernhard waar zijn broer Albert woont. Hij is immers toch weg nu en ’t kan dus geen kwaad meer.

Maar Albert is niet weg! Als de overvallers, met Bernhard, Koning en Mantel in hun midden, bij de boerderij in Dalerpeel aankomen, blijkt hij nog thuis te zijn.  Onbegrijpelijk! Hij was gewaarschuwd! De vier gevangenen worden overgebracht naar de school van de Nederlandse S.S.ers in Hollandsche veld (zie hoofdstuk 20).

In de nu komende nacht worden de bewoners van de boerderij op de Hoge Haar opnieuw opgeschrikt. Even na elven staan de overvallers weer voor de deur. Ze dringen opnieuw binnen en Geert, die op Gerts kamer slaapt, wordt naar beneden gestuurd. Daar staat een andere Duitse officier, die hem bij de kin pakt. “waar liggen de wapens? “vraagt hij indringend. “Ik weet het niet!”, zegt Geert opnieuw. “Maar wij wel!”, klinkt het triomfantelijk. Geert moet onder begeleiding van enkele S.S.ers de buren gaan halen. Ze moeten graven.  De jongens Bosman en Geert Katerberg worden uit hun bed gehaald. Dat gaat allemaal niet zo snel in het donker en het duurt geruime tijd voor de onvrijwillige hulpkrachten bij de door de Duitsers aangegeven plaats op het erf aanwezig zijn. Ze zijn precies op de hoogte. Bernhard heeft de onmenselijke verhoren op den duur niet kunnen doorstaan!

Omdat er met schoppen niets te beginnen is in de keihard bevroren grond, moeten er houwelen gehaald worden. Bovendien ligt het werktempo niet erg hoog en zo duurt het uren voor de persbult afgegraven is. Maar dan komen ze toch tevoorschijn, kisten met geallieerde wapens en munitie. De buren mogen naar huis en de Duitsers en hun Nederlandse handlangers inspecteren de buit. Tegen de morgen gaan ze naar buiten en proberen de geweren en stenguns uit op alles, wat ze maar kunnen raken. “Ze schoten ermee, dat ’t zo rabbelde!”, herinnert Geert zich nu nog.

Later op de dag moet hij onder begeleiding van S.S.ers de wapens op een met een paard bespannen slee naar Klooster brengen. Albert’s aandeel is daar inmiddels ook bij; hij heeft eveneens het geheim van zijn bergplaats moeten prijsgeven. Geert brengt de hele voorraad naar de boerderij van Piet Tijsma, die gelukkig ontkomen is. Maar de landverraders houden hier nog steeds thuis, want ze vermoeden ook hier een geheime opslagplaats. Later zullen er inderdaad instructiewapens gevonden worden. Als Geert terugkomt bij de Hartemink’s, blijken er nog steeds N.S.K.K.ers aanwezig te zijn. Ze blijven nog enkele dagen hier. Een van hen speelt tot Geerts’ verwondering geestelijke liederen op het huisorgel. De verhoudingen worden, voor zover dat mogelijk is, wat menselijker. Als op een gegeven moment enkele landverraders op een paar stropakken zitten, waagt Geert hen te vragen, wat hen toch bezielt. Het antwoord is even verbluffend als onwerkelijk. “Je ziet toch wel”, wordt hem te verstaan gegeven, “dat Duitsland wint op alle fronten! “Terwijl de geallieerden Zuid-Nederland al bevrijd hebben en tot ver in Duitsland doorgedrongen zijn! Met deze lieden valt niet te praten, dat is wel duidelijk.

Bernhard Hartemink, Albert Hartemink en Willem Mantel werden op 8 maart 1945 bij de Woeste Hoeve, samen met honderdzeventien andere gevangenen doodgeschoten. Deze meedogenloze moord vond plaats als vergelding voor de aanslag van het verzet op de Duitse generaal Rauter.

Harm Koning kwam om het leven op 3 mei 1945 aan boord van een Duits schip met gevangenen, dat door Britse bommenwerpers bij Lubeck tot zinken werd gebracht. De piloten waren niet op de hoogte van de menselijke lading; het schip voer onder de Duitse oorlogsvlag.

In en om het Oranjehuis

De varkensschuur werd ingericht als gaarkeuken.

Aan de Oude Dalerveensestraat nummer 3 staat thans nog het landhuis, dat na de bevrijding door de B.S (Binnenlandse Strijdkrachten) gevorderd werd. Het gebied, dat nu de Weiert heet, behoorde ook bij dit huis. Het stond vol met appel- en perenbomen en er waren twee kippenhokken en een grote varkensschuur. De B.S nam het huis in beslag, omdat de eigenaar/bewoner zich als felle N.S.B.er had doen kennen. Toen men hem al in een vroeg stadium had willen arresteren, was hij niet thuis. Wel echter zijn hoog bejaarde vrouw, die gehandicapt was. Zij werd al spoedig naar familie overgebracht. Haar man bleek zich te hebben verborgen in de varkensschuur. Hij werd onmiddellijk na ontdekking gearresteerd. De woning werd nu in gebruik genomen als hoofdkwartier van de B.S en omgedoopt tot “Oranjehuis”.

Ongeveer twee dagen voor de bevrijding was vooral aan oud-militairen en jongemannen gevraagd om mee te helpen bij het handhaven van orde en vrede en om arrestaties te verrichten. Dit gebeurde op vrijwillige basis en al men toestemde, werd men ingelijfd bij de Binnenlandse Strijdkrachten met als standplaats Dalen.

Als commandant werd gevraagd de heer W. Bloem, die helaas tot op nu toe onverklaarbare wijze op de morgen van bevrijding dood aan een tafel in het gemeentehuis werd aangetroffen. Hij had een kogel in zijn hoofd.

Aanvankelijk werd gedacht, dat een N.S.B.er de dader was en in Coevorden werd zelfs een gevangen genomen nationaalsocialist van moord verdacht. De beschuldiging bleek echter onhoudbaar. Een tijdens de oorlog in Dalen neergestreken Italiaanse kleermaker, die zich Rico Brando noemde, werd enkele dagen na de bevrijding door het landelijk Militair Gezag gearresteerd. Men heeft daarna nooit meer iets van hem vernomen en al gauw werden vermoedens uitgesproken, dat hij de moordenaar geweest zou zijn. Misschien was hij een dubbelagent, die zowel voor de Duitsers als voor de Geallieerden gewerkt had! Dan zou dat de reden geweest kunnen zijn, dat de “zaak Wilco Bloem” nooit opgelost is. De veronderstelling, dat Bloem zelf een eind aan zijn leven gemaakt zou hebben, wordt door Dalers, die hem kenden, volstrekt van de hand gewezen.

In plaats van Bloem werd benoemd de plaatsvervangende commandant, de H. Kruimink. Aan hem werden toegevoegd de heren J. van Delden, hoofd van de openbare school in Dalen en J. Blaauw, agent van politie, die de rang kreeg van P.O.D. (hoofd politieke opsporingsdienst, alleen voor Dalen).Laatst genoemde moest zich gaan bezighouden met de verhoren van gevangenen. Samen werd, met nog enkele ingewijden, overleg gepleegd over de personen, die gearresteerd moesten worden.

Op de tweede dag na de bevrijding, op 11 april, begon men met de voorbereidingen. In de voorkamer van het Oranjehuis werd de staf van de B.S geïnstalleerd. De varkensschuur werd ingericht als gaarkeuken. Voor zover ze voorhanden waren, werden wapens uitgereikt. Dat waren oude jachtgeweren en ander wapentuig, dat tijdens de bezetting niet was ingeleverd, zoals revolver en pistolen. Vaak zonder bijbehorende munitie. De wapens werden afgegeven aan hen, die N.S.B.ers moesten arresteren en die op wacht stonden.

Iedere B.S.er kreeg een oranje armband uitgereikt met de letters B.S. De grote zaal van hotel “Cornelis” werd gevorderd en tevens een huis in De Bente en een in de Noordwijk. Deze huizen waren van N.S.B.ers en zouden gebruikt worden om arrestanten te huisvesten. De grote zaal diende eveneens als opvangplaats. Tijdens de nu volgende dagen begon men met het gevangen nemen van de van samenwerking Duitsers verdachte personen. In het dorp Dalen zelf ging dat meestal te voet, doch voor het ophalen van gevangenen uit de omringende plaatsen gebruikte men een gevorderde auto van een van de garagehouders.

Na arrestatie werden de verdachten eerst naar het Oranjehuis gebracht voor een korte ondervraging. Vervolgens werden ze “ingeleverd” bij een van de gevorderde huizen of bij Cornelis. Er kwamen nogal wat klachten binnen over de arrestaties. De mensen, die een geweer hadden gelopen of die een functie bij de N.S.B. of bij de landstand hadden bekleed, waren wel bekend. Dat gaf dus geen problemen. Maar er kwamen ook aangiftes van lieden, die niet al te best met de buren overweg konden of die de een of andere vete met iemand hadden. Dan werd er al gauw gezegd: “Ik geloof, dat die en die ook niet zuiver op de graad waren! “Prompt volgde dan een arrestatiebevel. Bleek er echt helemaal niets aan de hand te zijn, dan kreeg zo iemand toch nog vaak huisarrest voor onbepaalde tijd.

De leiding van de B.S., ook nog verbitterd door de plotselinge dood van Bloem, trad onverbiddelijk op. Mensen, tegen wie maar de geringste verdenking bestond, werden gearresteerd en al heel snel daarna verhoord. In de als keuken ingerichte varkensschuur werden levensmiddelen gebruikt uit de in beslaggenomen voorraden, die in de verlaten boerderijen van de gevangenen aangetroffen.  N.S.B.vrouwen werden belast met het schoonhouden van de gebouwen en tot groot vermaak van nieuwsgierige omstanders werden ze af en toe met veel machtsvertoon aan het werk gezet. Met eindeloos mattenkloppen bijvoorbeeld! ‘t Was niet bepaald een verheffend gezicht en achteraf een beschamende gang van zaken, die echter alles te maken had met vijf jaar vernedering en onderdrukking.

Tenslotte waren zoveel mensen gevangen genomen, dat de drie locaties, waar ze opgesloten zaten, overvol raakten. Na ongeveer een week werd er al door de brandweer op aangedrongen de gebouwen vanwege mogelijk brandgevaar zo snel mogelijk te ontlasten. Via het Militair Gezag kwam toen het bevel om de gearresteerden zo snel mogelijk over te brengen naar het jeugdkamp in Zweeloo, waarna ze naar hun uiteindelijke bestemming, kamp Westerbork, gebracht zouden worden.

Het gevolg was, dat alle N.S.B.ers, ook de lichtere gevallen en ook diegenen, die ten onrechte opgepakt waren, vertrokken. Dit had niet mogen gebeuren, want eenmaal in Westerbork werden allen officieel als politieke gevangenen beschouwd en onderworpen aan de procedure om voor het tribunaal te verschijnen.

Elke dag ging politieagent Blauw met nog twee andere B.S.ers naar Westerbork om verhoren af te nemen. Eerst werden zo veel mogelijk de lichtere gevallen ondervraagd en voorgeleid. Meestal werden ze dan direct vrijgelaten, maar men had dan al twee of drie maanden onschuldig vastgezeten.

Het tribunaal was gevestigd in het Parkhotel in Assen, waar jonkheer De Ranitz als opperrechter de scepter zwaaide. Natuurlijk hadden ook de lichter gevallen een advocaat nodig, die ze zelf moesten betalen. Zo werd in naam van het recht onrecht gedaan en het spreekt voor zich, dat verscheidene vals beschuldigden verbitterd weer thuiskwamen. Om dan vaak ook nog te ontdekken, dat sommige B.S.ers zich tijden hun afwezigheid buiten gegaan waren aan het meenemen van waardevolle voorwerpen uit hun huizen. Dubbel onrecht dus, bedreven door zogenaamde goede vaderlanders met een oranje band om de arm!

De zwaardere gevallen, de terecht beschuldigden, werden veroordeeld tot straffen variërend van drie tot drieënhalf jaar gevangenis. Vaak werd hun het aanbod gedaan te gaan werken in kolenmijnen in Limburg om zo een bijdrage te leveren aan de opbouw van de economie. De meesten gingen hier graag op in, want men kreeg daar goed te eten en er werden uitstekende lonen betaald. Maar ’t was natuurlijk wel dwangarbeid.

Na het vertrek van de gearresteerden werden de gevorderde huizen en de zaal van Cornelis weer vrijgegeven. Het Oranjehuis werd ongeveer een half jaar na de bevrijding, na de opheffing van de B.S., weer een normale woning. De taak van de Binnenlandse Strijdkrachten was ten einde. Er was recht gedaan, ongetwijfeld! Helaas echter vielen ook onschuldige mensen ten offer aan willekeur en roofzucht en de verontwaardiging hierover heeft helaas nog tientallen jaren sporen nagelaten in de Dalergemeenschap.

Ook terecht, ongetwijfeld.

Van alles wat

Plotseling komen drie zwaar bewapende Canadese jeeps vanaf de Hoofdstraat de Kruisstraat binnenrijden.

Er gebeurden in de oorlog ook wel eens leuke, opzienbarende of heel gewone dingen. Zo vertelde Jan Knol, de broer van Alidus (hoofdstuk 3) eens het volgende:

Onze buren slachtten wel eens stiekem een varken voor een schipper, die ’s avonds aanlegde en de volgende dag weer vertrok. Het gedode dier werd dan met behulp van kokend water geschrobd (van de haren ontdaan) in het stookhok. Als daar ’s avonds de schoorsteen rookte, wist iedereen in de buurt, wat er gebeurde. Op een zomeravond lag de schipper weer bij de sluis en juist toen werden wij door de buren van de andere kant gewaarschuwd, dat er controleurs van de Algemene Inspectiedienst onderweg waren. Ik keek direct naar het stookhok van de buren en zag, dat de schoorsteen rookte. Ze waren weer aan ’t slachten en moesten dus zo snel mogelijk gewaarschuwd worden.

Ik rende erheen en ja hoor, de buurman had het varken al bijna schoon. ‘t Moest onmiddellijk weg en samen laadden we het zware beest op een kruiwagen, waarna de buurman met de kostbare vracht pijlsnel in de op het land staande rogge verdween. Ik slenterde op mijn gemak weer naar huis en kort daarna was het gevaar geweken. Een hele tijd later kwam buurvrouw met een angstig gezicht bij ons of wij Jan ook gezien hadden. Hij was al drie uur weg! “Jawel!”, zei ik, “ga maar een eind de rogge in. Daar vind je hem wel. Met het zwien!”.

Tijdens de jaarwisseling zei men niet meer “Veel heil en zegen!” tegen elkaar, maar “Veel zegen en weinig heil!”.

Bij oes in’t darp haw een goeie kleermaker. Hij heette Willem en ’t was een vernienig kereltien en fel anti (-N.S.B.). Zien overbuurman Jan was een goeie boer, maar van ’t hantien! Hij verbouwde beste suukerbiet’n en doar kuj weer lekkere stroep van maak’n en met die stroep kuj van alles doen.  Stroepkoek, stroepwafels en nog veul meer.

Maar Willem had gien suukerbiet’n. Dan moar op hoge bien’n hen Jan en vroagen. “Dat kan wel!”, zeg Jan. “Hier hej een schepelskurf vol!”. “Wat kost mij die?”, vreug Willem, “want ik wil ze wel betaol’n”. Jan zeg: “Die kost jo niks. Alleen aj morg’n met ’t emmertien melk hail’n giet hen oze buur’n en ik bin boet’n, zeg mij dan weer net as vrogger goeiendag!”.

Jan, de postbode, was erg gezien en in de oorlog ook erg vaderlandslievend. Als hij met de post bij een familie kwam, waar feest gevierd werd, mocht hij altijd binnenkomen. Al gauw kreeg hij dan te horen: “Jan, kom d’r bij. Koffie heb je zeker al had, hé? Wij hebt nog een beettien jenever op de kop kunnen tikken. Wi’j een borrel?”. Dat hoefde je tegen Jan maar een keer te zeggen. Hij wachtte tot hij er twee gehad had en stond dan op, nam de pet af, klom op een stoel en zong samen met de aanwezigen het Wilhelmus. De vrouw des huizes zei daarna altijd: “Jan, nou krijg je nog een en dan is ’t gebeurd!”.

Het kwam wel eens voor, dat Jan twee of drie festiviteiten per dag meemaakte. Dan kwam hij wat laat thuis en de dienstfiets week voortdurend bedenkelijk naar links en naar rechts uit.

Hendrik Kikkert, een broer van Berend (zie hoofdstuk 13), nam als sergeant deel aan de strijd bij de Grebbeberg. Hij overleefde gelukkig de gevechten en toen hij zich na de capitulatie in zijn toenmalige woonplaats Emmen meldde, zei de gemeenteambtenaar achter de balie: “U hebt wel geluk gehad, mijnheer Reinierse!”.  Kikkert keek verbaasd, maar liet het zo. Hij kreeg onder deze nieuwe naam identiteitspapieren en die kwamen hem uitstekend van pas, toen hij contactpersoon bij het verzet werd. Met de naam Reinierse als deknaam wist hij alle gevaren te doorstaan en werd, uiteraard onder zijn eigen familienaam, na de oorlog een bekend kamerlid.

Zaterdagmorgen 7 april 1945.Voor de veranda van hotel De Boer in de Kruisstraat spelen enkele jongens. Ze zijn toch maar naar buiten gegaan. Je kunt toch niet altijd binnenblijven, ook al is Dalen dan “niemandsland” tussen Canadezen en Duitsers geworden. En bovendien in het dorp zelf is al geen enkele Duitser meer te vinden. De bevrijding zal nu niet lang meer op zich wachten.

Plotseling komen drie zwaar bewapende Canadese jeeps vanaf de Hoofdstraat de Kruisstraat binnenrijden. Ze stoppen en de soldaten bestuderen een stafkaart. De jongens drommen nieuwsgierig om de jeeps heen en kijken hun ogen uit naar die mannen in vreemde uniformen en die wonderlijk auto’s. “Dat zijn nu Canadezen!”, denken ze niet wetend, dat het in werkelijkheid Franssprekende Belgen zijn. Een paar soldaten roepen wat tegen hen in een vreemde taal. Ze worden wat vrijmoediger en gaan op de treeplanken staan. De Belgen lachen en geven hen een paar stukken bittere legerchocola. Dan worden ze weggestuurd en de jeeps gaan verder. Na zo’n honderd meter stoppen ze opnieuw. Een man, een burger stapt in de voorste jeep en… weg zijn ze.  De jongens proeven genietend van hun chocola. Wat een buitenkansje! Een onbekende lekkernij is het; ze hebben er misschien wel eens van gehoord, maar gegeten, nee! Ze spelen door, ook als er in de verte schoten weerklinken. Te ver weg om bang voor te zijn, concluderen ze.

Kort daarna komen de jeeps terug. Ze rijden deze keer door en de zwijgend toekijkende jongens zien op de motorkap van de eerste jeep een dode Duitser liggen. De tweede jeep vervoert, ook op de motorkap, een Duitse soldaat met zijn hoofd in verband. In de derde zit ogenschijnlijk een ongedeerde Duitser. De jeeps gaan rechtsaf, de Hoofdstraat in, terug naar Coevorden. De jongens staan even besluiteloos bij elkaar en spelen dan verder, zuigend op hun chocola. Het leven gaat door!

Kap Ensing, Tiens Gerrits, Willem Plas en Hans Brink, goede buren in de Westerwijk, besloten na enkele dagen niemandsland begin april 1945 eens een kijkje te gaan nemen in bevrijd Coevorden. Duitsers waren in geen velden of wegen meer te zien en ze hadden verder toch niets te doen.

Op hun klompen wandelen ze over de es en via het Huizingerstuk naar het bosje bij de watertoren. Ze waren er al vlakbij, toen er plotseling enkele Engelse jachtvliegtuigen laag over scheerden. Met een wijde bocht kwamen ze terug en ineens begonnen ze te schieten. Op hen! De Dalenaars zette het op een lopen, wilden over een sloot springen, maar zagen in hun haast de afrasteringdraad niet. Het gevolg was, dat ze er alle vier hals over kop intuimelden. Doodstil bleven ze liggen, tot ineens Hans Brink als een wilde met zijn handen in de wal van de sloot begon te krabben. “Hans wat doej toch?”, schreeuwde een van de mannen.” Ik wil hen hoes!”, riep Hans terug, “moar ik gao under de grond door! “Gelukkig kon hij gekalmeerd worden en na verloop van tijd wandelden de heren behoedzaam terug. Ze kwamen die dag niet in Coevorden.

Hendrik IJdens woonde met zijn ouders op de boerderij in de Kamp en werkte op de zuivelfabriek. Toen hij op zekere dag van zijn werk thuiskwam, vertelde zijn moeder, dat zijn vader en zijn broer Berend stiekem een varken aan ’t slachten waren bij buurman Jan. Hendrik besloot daarop de illegale slachters eens de schrik op het lijf te jagen.

Hij trok een lange overjas aan, zette een hoed en een bril op, nam een aktetas onder de arm en stak de weg over naar de buurman. Op de duistere deel liep buurvrouw Jantien wat zenuwachtig heen en weer. Ze moest waarschuwen, als er onraad was. Hendrik overrompelde haar totaal en ze kreeg geen kans om alarm te slaan. Stotterend en handenwrijvend gaf ze antwoord, toen de “controleur” vroeg, waar haar man was en wat hij uitvoerde.

Ineens hoorden de mannen in het stookhok naast de deel, dat er bezoek was. Buurman Jan raakte in paniek en fluisterde zijn helpers toe: “Pak het deksel van de stookpot, dan gooit wij ’t zwien doar in! “Met vereende krachten werd het varken in het kokende water gewerkt en op dat moment kreeg Jantien in de gaten, dat de man in de lange jas Hendrik was en dat er dus geen gevaar dreigde.

Volkomen overstuur barstte ze in snikken uit. De slachters, die nu ook ontdekten, dat ze beetgenomen waren, konden nog net op tijd ’t varken uit de stookpot halen.

De zo gevreesde Groenen bleken ook wel over menselijke eigenschappen te beschikken. Op hun tochten door de gemeente kwamen ze ook in De Kamp, waar ze regelmatig twee “vaste” adressen, de familie Uneken en IJdens, bezochten. Bij ’t eerst genoemde gezin was een onderduiker in huis, die echter nooit door hen werd ontdekt. Dat was ook geen wonder, want ze kwamen op “visite” en stelden dus geen onderzoek in. Omdat ze na de familie Uneken steevast de IJdens bezochten, ging dochter Willempje voor alle zekerheid toch maar even waarschuwen, dat ze er weer waren. Dan kon er indien nodig, altijd nog iets geregeld worden. Toen de Duitsers dit waarschijnlijk doorkregen en Willempje verboden tijdens hun aanwezigheid het huis uit te gaan, werd als waarschuwingsteken een jutezak aan de schuur gehangen.

Bij de familie IJdens dronken de Groenen in de keuken op hun gemak surrogaatkoffie mee en ook pijp “eigenteelt” tabak werd met graagte aangenomen. Soms probeerden ze een boek te lezen, dat toevallig op de tafel lag. De familie deed haar best het hen naar de zin te maken. Wat moest je anders; alles was beter dan huiszoeking.

De Groenen hadden altijd een van hun herdershonden bij zich, die ook meegenomen werd de keuken in. De IJdens’ hadden ook een hond, Tommie geheten, die niet zo groot maar wel dapper was. Toen een van de Groenen eens met de herdershond aan de lijn het varkenshok aan een nadere inspectie wilde onderwerpen, greep Tommie hem onverwachts van achteren aan. De Duitser gaf een schreeuw en dat was het teken voor de herder om Tommie te lijf te gaan. Er ontstond een wirwar van vechtende hondenlijven en Bertus IJdens zag met schrik, dat Tommie aan ’t kortste eind zou trekken. “Hij maokt ‘m dood!”, dacht hij en hij begon om hulp te roepen. Zijn broer Hendrik stormde naar buiten en riep tegen de Duitser, die probeerde zijn hond weg te trekken: “Hol vast!”, waarna hij de “agressor” uit alle macht tussen de achterpoten schopte. Dat hiel verbluffend goed! De herdershond kromp in elkaar en Tommie maakte zich jankend uit de voeten.

De Groenen namen voortaan bij hun bezoeken aan de familie IJdens een andere hond mee. Ze wilden de huiselijkheid in de keuken kennelijk niet missen. En, je moest er toch ook wat voor over hebben om “de vrede te bewaren!”.

Jacob Eising uit Wachtum was als militair tijdens de mobilisatie ondergebracht in een veilinghal in ’s Gravenzande. Hij had het er, gezien de omstandigheden, goed naar zijn zin en kwam in contact met de familie Metzon, een bakkersechtpaar. De verhouding werd zo hartelijk, dat de Metzon’s verschillende keren een bezoek aan Wachtum brachten.

Kort na de Duitse inval werd Jacob’s onderdeel ingezet in Rotterdam, waar het beruchte bombardement meemaakte. Na de capitulatie gingen de soldaten, in afwachting van groot verlof, weer terug naar ’s Gravenzande.

De familie Eising in Wachtum verkeerde intussen in angstige spanning, want er kwam van Jacob maar geen bericht. Terwijl er zoveel anderen al wel op de hoogte gesteld waren! Toen de ongewisheid maar voortduurde, besloten Jacob’s verloofde Hennie, zijn zuster Annie en haar verloofde Kars dan zelf maar op onderzoek uit te gaan. Omdat de IJsselbrug bij Zwolle vernield was, waren de treinverbindingen met Drenthe uitgevallen en dus besloot het drietal het eerste deel van de tocht naar het westen per fiets te maken.

Ze kwamen behouden in Zwolle aan en gingen met een pont de IJssel over. In Hattemerbroek stapten ze op de trein naar Den Haag; de fietsen gingen uiteraard mee. De reis verliep zonder noemenswaardige voorvallen en nu werd de toch per rijwiel voortgezet naar ’s Gravenzande. De familie Metzon wist ook nog van niets en samen gingen ze naar de veilinghallen, waar Jacob’s onderdeel nog steeds gelegerd was. Hier hoorden ze, dat hij door een granaatscherf aan het been getroffen was en opgenomen in ziekenhuis in Rotterdam. Dus werd koers gezet naar de Maasstad. Hier bleek hij echter, in verband met de vele bombardement slachtoffers al uit het ziekenhuis ontslagen te zijn en tijdelijk ondergebracht bij een slagersgezin. Daar, boven in een logeerkamer, vond dan eindelijk de hereniging plaats. De verloren zoon was teruggevonden.

Op een vroege morgen in ’t voorjaar van 1945 waren Jo Kannegieter en zijn zwager Geert Keen bij hun boerderij aan de Eldijk bezig water te putten voor de opstal staande koeien. Plotseling zagen ze een Duitse munitiewagen vanuit richting Dalen komen, die toen hij vlakbij was, belaagd werd door een Engels jachtvliegtuig. Om te voorkomen, dat de wagen door een treffer ( met alle gevolgen van dien!) zou ontploffen, gooiden de zwagers in allerijl de baanderdeuren van de grote schuur open.  De Duitse chauffeur begreep de wenk en reed snel de beschuttende ruimte binnen.

De Engelse piloot gaf nu de boerderij de volle laag. De familie, gelukkig op tijd uit bed, vluchtte met de enkele weken oude baby in de aardappelkelder. Dat redde hen het leven, want het woongedeelte werd doorzeefd met kogels. Van het ledikantje van de driejarige Harm werd een poot volledig afgeschoten. Gelukkig lag het kind er niet in. Harm was in allerijl bij Opoe, die niet meer zo vroeg opstond, in de bedstee gelegd en dat bleek ook een veilige plaats.

Toen de Engelse jager tenslotte afdraaide, kwam de familie lijkbleek weer te voorschijn. De onbeschadigde Duitse munitiewagen zette zijn reis voort en de zwagers konden op het land “de hulzen bij elkaar vegen!”. Nu nog zijn sporen van beschieting aan de boerderij zichtbaar.

Bij beschikking van de Commissaris-Generaal voor de Openbare Veiligheid van 22 juni 1942 moesten alle Joodse landgenoten hun fietsen inleveren. Twee dagen later brachten Izak Bierman, David Bierman en Hartog Zilverberg twee damesrijwielen, drie “Heerenrijwielen en twee heerenrijwielen (transport)” naar het gemeentehuis. In de beschikking stond o.a. de volgende bepaling: “Mochten rijwielen worden aangeboden, welke reparatie behoeven, dan dienen deze reparaties onverwijld op kosten van den Joodschen eigenaar te worden uitgevoerd!”.

Tot P.B.H., plaatselijke bureauhouder, was in Dalen aangesteld de heer W. Caspers, die kantoor hield aan de Emmerweg. Vier personen, waaronder eerder genoemde Hans Brakel, waren hier werkzaam. De P.B.H. hield toezicht op de levende have van elke boer; aan- en verkopen en slachtingen moesten hier gemeld worden.

Het kantoor van de P.B.H. vormde, met de eraan verbonden controleurs, eigenlijk een kleine verzetshaard. Alleen als men er niet onderuit kon, werd er vee of vlees in beslag genomen. Praktisch alle slachtingen werden in goed overleg tussen boer, controleur en P.B.H. “geregeld” en nooit werden bijzonderheden naar buiten gebracht. Dat kon lang niet van alle P.B.H.’s in Drenthe gezegd worden!

Begin 1944 werd door de Duitsers een grootscheepse paardenvordering voor de Wehrmacht gehouden. Iedere boer moest met zijn dieren bij Hotel De Boer verschijnen, waar een Duitse majoor met enige ondergeschikten de bruikbare exemplaren uitgezocht en ook de prijs bepaalde. Dat een aantal dieren, die in eerste instantie waren goedgekeurd, uiteindelijk toch werden vrijgesteld, is met grote waarschijnlijkheid te danken aan de pleidooien va de P.B.H Willem Caspers. Hij offerde de majoor meerdere cognacjes (ongetwijfeld met hulp van Mans de Boer!), waardoor deze in een toegeeflijke stemming raakte en ook niet meer precies wist, hoeveel paarden hij nu eigenlijk moest hebben.

Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) vluchtten ongeveer veertigduizend N.S.B.ers gepakt en gezakt in paniek naar Duitsland, waar een groot deel van hen werd ondergebracht in evacuatiekampen in Luneburg. De behandeling door de Duitse vrienden liet echter zeer veel te wensen over en na verloop van tijd kwamen veel vluchtelingen weer de grens over. Hier werden ze opgevangen door de plaatselijke N.S.B. afdelingen.

Ook in Dalen ontfermden de N.S.B.ers zich over de zogenaamde “Lüneburgers”. Ze kwartierden hen in bij de burgers, die noodgedwongen ruimte beschikbaar moesten stellen.

De Lüneburgers hadden het ook hier niet best. Eigenlijk werden ze door iedereen veracht; ook door de N.S.B.ers zelf.

Na de bevrijding werden de Lüneburgers door de B.S. opgesloten in de Openbare school in Dalen. Harm Brands, die hier regelmatig op wacht stond, kreeg eens te maken met een ontsnappingspoging. Er kwam ineens een vrouw naar buiten, die zo maar door wilde lopen. Harm richtte zijn geweer op haar. “Je schiet me toch niet dood, he?”, vroeg de vrouw onzeker. Harm schudde zijn hoofd en zei: “Nee, daar ben je te slecht voor! “Hij haalde de patronen uit zijn geweer en toen de vluchtelinge hierdoor weer moed kreeg, porde hij haar niet zachtzinnige met de loop de school weer in.

Soms gingen de haatgevoelens wel erg ver. Toen een jonge moeder haar kind buiten in een kinderwagen in de zon wilde zetten, werd ze teruggestuurd met de boodschap de kleine maar stro te laten eten. Dat kon Harm Brands toch niet aanzien. Hij liet de vrouw naar buiten komen en zei: “Je zoekt de beste plaats maar op. En dan naar binnen! Ik sta er borg voor, dat het kind niets overkomt!”. En zo gebeurde het.

Hennie Mepschen, geboren op 4 juli 1935, groeide als nummer elf op in een boerengezin met dertien kinderen in De Veenhuizen. Achteraf heeft ze grote bewondering voor haar moeder, die in de oorlog niet alleen zorgde voor het gezin, maar ook nog voor etenhalers en onderduikers. De afgelegen buurtschap van maar enkele boerderijen was een ideaal toevluchtsoord voor mensen in nood. Als Hennie ’s avonds thuiskwam van school, moest er door alle kinderen een melkemmer van vijftien liter “volgeschild” worden met aardappels. De tijd werd gekort met het zingen van schoolliedjes, want de Mepschen’s waren een levenslustig volkje. Toch was er vaak angst. Een van de zoons, Tieme, was ondergedoken in Nieuwlande, maar kwam nogal eens naar huis.

En dan waren er ook nog wel andere schimmige figuren, die er ineens waren en ook weer plotseling verdwenen.

De boerderij werd af en toe ook “aangedaan” door de Groenen, die eens vader Mepschen wilden meenemen. Moeder, die niet bang was, verklaarde haar man niet te kunnen missen in het grote gezin. De Duitsers, toch onder indruk van haar vastberadenheid, namen genoegen met een stuk spek en vertrokken. Een andere keer werd de boerderij overvallen door landwachters, die op zoek waren naar Tieme. Ze vonden hem niet en verhoorden vervolgens alle kinderen een voor een, maar zelfs het jongste wicht hield de tanden op elkaar. De meeste angst heeft Hennie ondervonden, toen ze gedurende een aantal dagen alleen naar school moest. Er was een afdeling Duitse soldaten in het gebouw ondergebracht en de lessen werden tijdelijk gegeven in het catechiseergebouw bij de pastorie. Elke klas moest een dag per week naar school en dus liep Hennie helemaal alleen naar Dalen. Voortdurend op haar hoede; om half acht van huis en om half zes weer terug! Als er vliegtuigen overkwamen, was ze zo bang dat ze in de sloot langs de weg kroop en daar bleef tot ze verdwenen waren. “Ik kan ’t me nog als de dag van gisteren herinneren!”, zegt ze nu nog.

Gedurende de laatste jaren van de oorlog wierpen geallieerde bommenwerpers op hun thuisvluchten vaak brandstoftanks af. De toestellen werden dan lichter en konden hun snelheid opvoeren. Behalve op 24 maart in Wachtum veroorzaakten de neervallende tanks geen ongelukken. Voor de vinders betekenden ze vaak een buitenkansje. De nog aanwezige kerosine werd gebruikt als oplosmiddel voor reepjes spekzool van pantoffels en sloffen. Hierdoor ontstond een kleverige stof, die gebruikt kon worden als solutie om fietsbanden te plakken. Niet alle gebruikers waren even enthousiast, want de afdekkende laagjes lieten nogal eens los. Voor hen, die geen luchtbanden meer bezaten, waren de rubber strips op de tanks een uitkomst. Je kon er heel goed massieve fietsbanden van maken en die raakten nooit lek. Ook sommige kwajongens vermaakten zich uitstekend met de twee meter lange, ovaalvormige voorwerpen, ze hadden ontdekt, dat een in de lengte doorgezaagde tank heel goed als bootje gebruikt kon worden. Als het flink geregend had, stond de Keuterbrink nogal eens onder water en daar was het dan goed varen. Ook op andere plaatsen natuurlijk!

In de Daler kerkbode van 8 mei 1945 schreef dominee Rensink o.a.:

“Het is acht Mei, vrienden, de dag, waarop officieel het einde van den oorlog in Europa zal worden afgekondigd. Het is niet te geloven, dat het nu op eenmaal voorbij is, en dat het leven na verloop van tijd weer zijn normalen gang zal kunnen gaan.

Wat ging het tenslotte nog vlug in zijn werk! Het is nog maar zes weken geleden, dat de overtocht over den Rijn, het begin van het einde, plaats vond. Het was Zondag 8 April, dat wij niemandsland waren, gevechtsterrein dus, en dat slechts 64 personen het waagden, den kerkdienst, bij te wonen.

De week daarop hielden wij voor een volle kerk onze bevrijdingspreek; Zondag 6 Mei de Dankstond, omdat nu heel Nederland van den geesel van den oorlog is verlost.

Een schaduw ligt op onze vreugde, en dat is, dat vele families lijden onder noodzakelijke maatregelen der regering tegen hen, die in bezettingstijd met den vijand hebben samengewerkt. Zij boeten voor de fouten van het verleden. Waar was voor den oorlog onze vaderlandsliefde?”

Waar je het goed hebt, daar is je vaderland” zei het valsche spreekwoord. En verleid door het zoete gefluit van den vogelaar, verblind door de beloofde bergen van een gouden toekomst, hebben ze van verre of van dichtbij “de nieuwe tijd” aanvaard, en velen beseften het niet, dat zij daarmee hun vaderland verrieden. En dat zij door hun meewerkende houding ook al de afschuwelijke terreurdaden van den overweldiger, al de moorden, de vervolgingen, de diefstallen, mee voor hun verantwoording namen.

Groot is de lijst der doden, die in de afgelopen weken van ons zijn heengegaan. Slachtoffer van hun bereidheid tot helpen bij den brand werden Hendrikus Hilbrands Gzn., die ouders en bruid en Gerrit Grootoonk, die het gehele gezin in verslagenheid achterliet. En evenals door dit sterven, werden wij ook alleen geschokt door de tragische dood van commies Wilke Bloem, commandant der P.B.S., die na een paar vermoeide dagen op den morgen der officieel bevrijding, door een ongeluk met zijn schietwapen om het leven kwam. Hij was een goed mensch en een vroom Christen; en dat laatste is de groote troost voor zijn gezin, dat hij achter moest laten: zij zijn niet zonder hoop!”.

Een dagboek

Zij was toen getrouwd met rietdekker Keen en moeder van twee dochters en een zoon.

Het hiernavolgende is overgenomen uit het dagboek van Mevrouw Keen-Masselink. Zij heeft kans gezien dit voor en gedurende de Tweede Wereldoorlog bij te houden. Indrukwekkend is, dat het haar hierbij vooral ging om de grotere verbanden. Zijn de andere verhalen veel meer toegespitst op wat men zelf meemaakte, Mevrouw Keen maakt melding van de landelijke gebeurtenissen en volgt de hoogtepunten daarvan. Zij was toen getrouwd met rietdekker Keen en moeder van twee dochters en een zoon.

(vervolg)… In mei kwam geheel onverwachts, om nooit te vergeten, de oorlog. Het was in de nacht van 9 op 10 mei dat de Duitsers hier invielen. ‘s Nachts bromden de vliegmachines boven ons tegen de morgen werden wij gewaar dat ons land in oorlog was met Duitsland. ‘s Morgens gingen alle bruggen kapot en tegen een uur of acht gingen de eerste soldaten hier langs. De strijd bij de Oosterhesselerbrug begon. Geweldig was het kanongebulder, maar ze konden ze niet houden, een van de Hollandse jongens is hier gesneuveld, de anderen gingen als krijgsgevangenen naar Duitsland. Toen trokken ze verder naar Hoogeveen. In Sleen was een vesting gemaakt, maar ze kwamen van de andere kant in het dorp. Het was juist Pinksteren, maar daar werd niet eens aan gedacht.

Op de Grebbelinie en de Afsluitdijk is hevig gevochten. Velen hebben daar hun leven gelaten zowel van Hollandse als van Duitse zijde. Gezamenlijk zijn de meesten op het Grebbekerkhof begraven. Na een strijd van 5 dagen gaf de opperbevelhebber Winkelman bevel tot overgeven. Rotterdam en nog meer steden waren toen heftig gebombardeerd. Alles was in de war. Door de radio werd men het voornaamste gewaar.

De post kwam, doordat de grote verbindingen stuk waren, hier niet meer naar toe. De telefoon was overal stuk. Vijf a zes dagen duurde het voor de eerste berichten van onze soldaten kwamen. Een ieder vreesde het ergste. Twee jongens uit deze gemeente zijn gesneuveld, de anderen waren meest als krijgsgevangenen naar Duitsland weggevoerd en mochten niet schrijven. Een week na Pinksteren hadden wij hier een heel leger in het dorp om hier de nacht door te brengen. Wij hadden acht paarden en vier soldaten, maar bij de anderen waren veel meer.

Veertien dagen later kwamen de soldaten, die hier in Holland gebleven waren, terug en hadden heel wat te vertellen. Een maand later kwamen de soldaten, die naar Duitsland gebracht waren terug; de meesten uitgehongerd wegens het slechte eten. Ons Koninklijk Huis was met de regering naar Engeland gevlucht. De koningin en prins Bernhard bleven in Engeland. Juliana ging met de beide prinsesjes op verzoek van de koningin naar Canada.

Van hier trokken de Duitsers naar België. Daar hebben ze langer gevochten. De koning van België bleef in het land en werd op een landgoed gezet. Vandaar ging het naar Frankrijk. Dit hebben ze niet helemaal gekregen, ze kwamen eerder tot een wapenstilstand.

Toen ons land bezet was kwamen er nieuwe wetten, maar vooral niet beter. Ook werd de doodstraf weer ingesteld. Men mocht niet naar de Engelse zender luisteren. Ook kwam alles op de bon. Zo langzamerhand is er niets meer te krijgen. Het vet in het brood is voor velen het ergste. Overal moet men zuinig mee zijn en sommige zaken zijn helemaal niet meer te krijgen. Zoals fietsbanden en kleren zijn helemaal niet te krijgen. Wollen garens vind je nergens meer.

Ook zijn hier in Holland vooraanstaande personen, waaronder de heer Winkelman, naar Duitsland overgebracht, waarheen wist niemand. Dit omdat in Nederlands Indië Duitsers zijn vastgezet. Geregeld de Duitsers met vliegmachine naar Engeland en Engelsen naar Duitsland om te bombarderen, maar tot resultaten komt het niet. In de zomer van 1941 is Rudolf Hess met een vliegmachine naar Engeland gevlogen. In Duitsland hielden ze hem voor de gek, maar hij is lang niet gek. Hij was de opvolger van Hitler.

In de loop van het jaar trokken de Duitsers naar de Balkan. In de zomer op 22 juni begon de oorlog met Rusland. Terwijl men meende dat Rusland met Duitsland was, moesten zij nu tegen elkaar strijden. Duitsland won eerst van Rusland, maar het ging niet zo hard als ze verwacht hadden. Want Hitler meende dat hij in november in Moskou zou wezen. Maar tot nu toe, januari 1942, is hij er nog ver af, daar ze op het ogenblik hard terug gaan. Ze zijn niet tegen de koude in Rusland bestand.

In december 1941 verklaarde Amerika de oorlog aan Duitsland en Japan en Italië. Het is thans een grote wereldoorlog, maar als wij maar even naar de Engelse zender luisteren zijn we weer vol goede moed. De koningin of de prinses komen hier geregeld voor om tot het Nederlandse volk te spreken.

15 maart 1942

Nederlands-Indië is op heden ook in oorlog met Duitsland en Japan en Italië. Dit ging eerst nog niet zo hard totdat in het laatst van februari 1942 de Japanners met parachutes in Indië landden en na een hevig gevecht van negen dagen moesten ze de wapens tegen het grote leger van Japan neerleggen, nadat eerst die grote stad Singapore, van Engels Indië, was gevallen.

In Rusland hadden de Duitsers het nog altijd zwaar na hevige koude, waarop ze niet hadden gerekend. Want overal worden inzamelingsacties gehouden van wollen goederen om naar het front te zenden. Vanuit Nederland zijn ook vrijwilligers naar het front, die door de N.S.B. zin heengezonden. Overal zitten N.S.B.ers, maar ze hebben het soms erg te verduren, daar ze van alle kanten vijanden hebben. Soms van naaste familie of buren. Veel van de jongeren moeten op het ogenblik naar inrichtingen en worden daar opgeleid voor het front. Hier en daar worden jeugdstorm-afdelingen opgericht.

Wat thans het volk betreft. Op het platteland gaat het nog wel, maar in de stad is het erg zuinig. Daar is alles op de bon, tot aardappelen en melk en alles aan toe. Vet krijgen ze ook niet, alleen een enkele keer op de boterbon. Hier wordt veel geslacht, daar voor ieder persoon boven de vier jaar 1,5 pond in de week gerekend wordt en der dus wel wat komt. Met februari moet het slachten afgelopen zijn en zijn er nadien niet veel varkens meer over. De winter vertelt ons heel wat. De eerste maandag na Nieuwjaar is het begonnen te winteren en thans 15 maart, is het pas beginnen te dooien. Hele bergen sneeuw liggen er hier en daar nog. In het eerst van de week zijn hier met man en macht na een hevige kou en sneeuwstorm de wegen en de tram weer voor de zoveelste keer vrijgemaakt. De scheepvaart ligt al tien weken stil. En er is geen aanvoer van kunstmest, want auto’s rijden er niet. Veel mensen zitten zonder brandstof; de scholen zijn bijna de hele winter gesloten wegens gebrek aan brandstof.

In de stad is het soms nog veel erger. Naast het brandstofgebrek is daar de honger. Vele mensen gaan ’s avonds vroeg van kou en honger naar bed. Alles wordt bij elkaar gezocht om de kachel aan te houden om een beetje eten klaar te krijgen. In het veen staat turf genoeg, maar daar wordt geregeld door de Duitse overheid beslag op gelegd en die wordt dan weggestuurd naar Duitsland.

De arbeiders, die hier geen werk hebben, moeten ook naar Duitsland. Dat gaat nog wel als ze ’s nachts maar thuis kunnen komen. Maar meestal worden ze ver weggestuurd. En dan moeten ze soms de bombardementen van de Engelsen doorstaan, wat lang niet meevalt.

Zo zijn we thans in juni en zijn met de oorlog weinig opgeschoten. Wel wordt het hoe langer hoe erger, daar de duivelse macht overal in zit. In mei is hier het hoofd van de school op gehaald, met nog meer vooraanstaande heren en naar een kamp gebracht. Al de officieren van het oude Hollandse leger werden opgeroepen naar de kazernes en dezelfde dag werden ze als krijgsgevangenen naar Duitsland gezonden, omdat zij hun woord niet hadden gehouden. Maar wij denken daar anders over! Er worden op het ogenblik vele grote steden in Duitsland gebombardeerd. In grote golven gaan ze ’s nachts over ons heen, wat ons vaak de slaap kost. Maar verder hebben wij er niets geen last van. Een enkele keer komt er hier of daar een neer. Maar daar mogen wij niet in de nabijheid komen of we worden heel streng gestraft. Meest met de doodstraf. Met de levensmiddelen gaat het op het ogenblik op het platteland nogal, maar we moeten altijd zorgen om wat achteruit te hebben, anders komen wij er niet. In de stad heerst er op het ogenblik honger. Vele fabrieken worden gesloten en de arbeiders moeten naar Duitsland om daar te werken. De kranten moeten deze week ook allemaal verdwijnen wegens papierschaarste. Alleen een krant mag blijven die helemaal onder Duits beheer staat en dan is er papier genoeg!

11 oktober 1942

Nog steeds is het oorlog. En er is bijna geen land meer, dat er niet bij betrokken is. De Duitsers zitten nog in Rusland, waar ze al lang met een stad in gevecht zijn, maar tot nog toe hebben ze hem niet. Er vallen aan weerskanten duizenden slachtoffers, maar opschieten doen ze niet.

Hier te lande zijn pas alle joden, mannen en vrouwen en kinderen, in de nacht opgehaald. Tot in ziekenhuizen zijn ze nog weggehaald. En waar ze blijven weet geeneen. Ook worden er telkens weer nieuwe gijzelaars opgehaald en in kampen gezet. Vele arbeiders en timmerlieden moeten naar Duitsland om te werken. Wat niet alles is, daar het eten daar slecht is en er ’s nachts wordt gebombardeerd.

Hier gaat het met het eten nogal, maar wij moeten ook stiekum rogge dorsen om meel te krijgen. Onder elkaar wordt er nog wel eens wat gedaan, maar het moet alles in geheim gedaan worden. In de stad is het erger. Daar moeten ze soms uren in de rij staan voor een onsje vlees of een bosje groente. Vele uit de stad komen het platteland op. Er wordt overal in de zwarte handel gedaan, maar als ze er een betrappen, zit er een hoge geldboete en gevangenisstraf op. De rogge moet bij de kleine boer in een keer afgedorst worden. Bij de anderen in twee keer. Hele grote boeren mogen een keer vaker. Er zitten ook heel wat aardappels in de grond, waar met man en macht aan gewerkt wordt. Er wordt ook f 150,- tot f 175,- voor een bunder betaald en er wordt dus wel wat aan verdiend. Heel wat land moet met raap of koolzaad ingezaaid worden en moet er weer nieuw grasland gescheurd worden, wat veel werk met zich meebrengt. Heel wat vee moet geleverd worden, tot schapen aan toe. Op de markten komt bijna niets meer, op een enkele wagen met biggen na en wat jongvee. Maar dat is alles. De paarden zijn geweldig duur. Voor een gewoon veulen wordt f500,- tot f600,- betaald, terwijl een met papieren meer dan f1000,- opbrengt. Hier is nog een paard verkocht voor f6000,-!

24 januari 1943

Weer hebben we een jaar achter de rug en een nieuw ingezet. De oorlog wordt nog steeds met felle slagen voortgezet. De Duitsers zitten al reeds maanden in de stad Stalingrad. Ze dachten er in een paar dagen door te slaan, maar sinds lange tijd zit er een Duits leger ingesloten, dat zich wel een keer zal moeten overgeven. Aan het oostfront wordt ook hevig gevochten.

In Italië trekken de Engelsen en Amerikanen steeds op en verjagen Rommel. Op het ogenblik gaat het ook hard, maar de Duitser wil nog steeds niet toegeven dat hij verliest. Engelse vliegtuigen gaan bij dag en nacht naar de vijand om te bombarderen. Ook hier in Holland komen ze wel om grote fabrieken en spoorlijnen stuk te maken. Aan de kusten moet alles ontruimd worden en wordt de bevolking naar andere plaatsen gebracht. De huizen worden afgebroken en alles, ook de meubelen, gaat over de grens. Ook hier in de gemeente Dalen komen er heel wat.

In Coevorden zijn ze al, maar de mensen gaan liever niet weg en blijven zo lang het mogelijk is. Van de winter merken we tot nog toe niet zo veel. Sneeuw is er nog niet geweest en koude hebben wij ook nog weinig gehad. Wat ook best uitkomt, daar de brandstof erg zuinig is. Vele jongens moeten thans gekeurd worden voor arbeidsdienst of gaan werken in de Oostpolder. Deze week is ons Koninklijk wederom verblijd met de geboorte van een prinses. Prinses Juliana is nog steeds in Canada met de andere prinsesjes. Wij weten alles door de radio, maar moeten er geen ruchtbaarheid aan geven. Hier vernemen wij er niets van, zelfs niet in de courant. Even voor de Kerstdagen is meester Otterman, die vanaf mei als gijzelaar was opgehaald, onverwacht weergekomen met groot verlof, wat een grote blijdschap gaf!

24 februari 1943

In deze maand is er heel wat gestreden aan het front. De Duitsers hebben de grote stad Stalingrad weer prijs moeten geven, wat aan weerzijden veel mensenlevens heeft gekost. Ook zijn ze ook al weer andere steden kwijt, daar de Russen op heden hard oprukken en de Duitsers willen lopen. Hier in het land worden de laatste tijd moorden begaan op de overheid. Eerst hebben ze in Haarlem een Duitse officier doodgeschoten.

Toen in Den Haag een generaal en echtgenote van een hoge heer, waar ze op hemzelf ook een aanslag gepleegd hebben. Toen een W.A.man, weer in Haarlem, maar de dader wordt nooit gevonden. Wel worden er velen voor opgepakt. Ook de studenten in de steden worden opgehaald en gaan weg.

2 mei 1943

Thans is overal onrust. Op 29 april werd bekendgemaakt, dat het oude Nederlandse leger zich moet aanmelden om in krijgsgevangenkampen te worden ondergebracht. Heel het volk is in opstand op dit bevel. Vrijdagavond werd hier een betoging gehouden om allen te staken. Geen mens is hier meer aan het werk. En die hier nog werkt is N.S.B., maar wordt van het land gejaagd. De melk wordt niet verwerkt en geen bakker bakt brood.

Zaterdag zijn ze met heel wat mannen de dorpen door geweest om allen te staken. In Zweeloo was al een wagen met Duitse soldaten. Ze hebben op het volk geschoten, waardoor er drie gewond werden. Heden tegen de middag ging het rond, dat ze alle mannen van 18 tot 45 zouden ophalen. Allen gingen op de vlucht het land in, waar ze beschutting zochten. Maar het liep nog goed af en ze kwamen heel gauw terug.

23 mei 1943

In Afrika is thans de strijd beslist, nadat de grote stad Tunis is gevallen. De Duitsers en Italianen hebben de vlucht genomen of moesten zich overgeven. In Holland is alles weer tot rust gekomen. Er zijn nogal heel wat jongens en mannen weg, die moesten worden opgehaald. In het dorp zijn ook twee weg en in Dalen meer.  Ook zijn er in het land nog heel wat dood geschoten om dezelfde reden.

Nu moeten alle jongens en mannen van 28 tot 35 jaar zich melden voor de arbeidsinzet. Maar waarvoor het is weten wij niet. Alle radio’s moeten ingeleverd worden, behalve de centrales. En de N.S.B. hoeft ze ook niet in te leveren.

De Engelsen hebben van de week het grote stuwdammeer in het Roergebied gebombardeerd. Grote overstromingen zijn er en hele dorpen staan onder water.  De fabrieken die er stroom van kregen, moesten allen worden stilgelegd.

4 juli 1943

Thans zijn alle radio’s ingeleverd en horen wij niets meer. Het is alle dagen maar wachten. De jongens van 19 jaar zijn allen naar Duitsland om te werken. Er zijn nogal heel wat weggebleven. Ook de soldaten moeten zich melden, maar die een Ausweis heeft is vrij. En die er geen een heeft, duikt onder, zodat er nog niet veel in krijgsgevangenschap komen. Thans moeten de jongens van 20 jaar zich weer melden en laten keuren en dan moesten zij ook haast dadelijk weg. Van de week zijn haast alle dokters opgehaald. Verscheidene zijn ook op de vlucht gegaan, maar meest komen ze bij nacht om ze op te halen.

8 augustus 1943

De dokters zijn na een week allen weer terug gekomen. Het is de laatste tijd hard opgeschoten. De Engelsen en Amerikanen zijn naar Sicilië gegaan en thans is het bijna in hun handen. In Italië is Mussolini afgetreden en een nieuwe regering is gevormd. Hier in Holland is het de laatste tijd weer onrustig. De Duitsers deden bij velen huiszoeking en namen velen mee. Maar soms kwamen ze na een paar dagen al weer terug. Ook zijn er de laatste tijd velen doodgeschoten. Soms door Duitsers, maar ook door anderen.

19 september 1943

Sicilië is aan de Engelsen en Amerikanen overgegeven. Een veertien dagen later trokken ze naar Italië. Daar is eerst weinig gevochten en werd al heel gauw overgegeven. Maar dat was niet naar de zin van Duitsland. Mussolini is gevangen genomen en op een eiland gezet, maar is door Duitse valschermjagers opgezocht en verlost en is weer door de Duitsers aan het hoofd gesteld. Hoe het altijd gaat weten wij ook niet, daar er niet meer gehoord wordt. In Rusland wordt nog altijd hevig gevochten en gaan de Duitsers nog steeds achteruit.

27 februari 1944

Nog steeds is er oorlog en wordt het hoe langer hoe erger. Vaak trekken hier overdag en bij nacht zwermen vliegmachines langs en gaan naar Duitsland om te bombarderen. Van de week hebben ze de fabrieken in Coevorden gebombardeerd. Daarbij vielen enige doden en verschillende huizen zijn getroffen. Daar zijn vele doden en gewonden en heel wat gezinnen dakloos. Aan de kust wordt alles ontruimd en de huizen afgebroken en wordt alles onder water gezet. Vooral in Zeeland, Zuid- en Noord-Holland. De bewoners moeten met have en goed elders een onderkomen zoeken. De jongens, die naar Duitsland moesten om te werken komen soms met verlof. Maar als het even kan gaan ze niet meer terug. Ook zijn er verscheidene nog niet weer geweest. En thans zijn alle verloven ingetrokken; niemand mag meer Duitsland uit.

Het eten is in de steden slecht. Voor veel geld kunnen ze soms uit de zwarte handel wat krijgen, maar de meeste mensen kunnen dat niet doen en moeten honger lijden. De kleding wordt ook slecht, daar men niets kan kopen; alles is op. Vergunningen worden bijna niet afgegeven. Voor vele was het een geluk, dat het deze winter niet koud is geweest. Sneeuw hebben we bijna niet gezien en vorst is er haast ook niet geweest. Soms kan men bij huis nog eens wat krijgen, maar dan is het altijd ruilen, wat ook niet altijd kan.

11 juni 1944

Na een tijd van spanning is de strijd hevig losgebroken. De Duitsers zijn voor een poos uit De Krim in Rusland teruggetrokken en de gevechten worden tot op heden nog hevig voortgezet. Ook in Italië woedt de strijd hevig met de landingstroepen. Na lang vechten waren ze tot de stad Rome gekomen. Deze werd tot open stad verklaard en door de Duitsers verlaten. Nu wordt er weer verder in Italië gestreden. Op 6 juni is de lang verwachte invasie gekomen. Dinsdagnacht en woensdagmorgen en verder alle dagen worden grote troepen met schepen en vliegmachines aan wal gebracht en is thans ook een front geschapen. De laatste tijd werd er in Frankrijk op steden hevig gebombardeerd, zodat de bevolking ernstig heeft geleden.

1 augustus 1944

Thans na een poos is er weer hevig gevochten. De Engelsen en de Amerikanen zijn tot de stad Caen gekomen. In Italië zijn ze ook erg opgeschoten; daar zijn ze tot de stad Florence gekomen. De Russen schieten nog beter op. Die zijn thans in Polen en zijn de Duitsers Rusland weer zo goed als uit.

Op 20 juli is er een aanslag op Hitler gepleegd, die met andere heren bij elkaar was. Drie ervan werden gedood, maar Hitler bleef zo goed als ongedeerd. Zo komt het tenminste in de krant en voor de radio. Thans staat het er erg gevaarlijk voor Duitsland voor met Turkije, daar dit land de betrekkingen met Duitsland wil verbreken. Ook hier in het land wordt het weer strenger. Wij moeten ’s avonds voor 10 uur binnen zijn tot ’s morgen 4 uur.

3 september 1944

De oorlog begint thans hard op te schieten. De Engelsen en Amerikanen zijn thans tot België doorgedrongen. Een heel stuk van Frankrijk hebben ze afgesneden en schieten hard op.

De Fransen vechten ook al even hard, waar ze maar kunnen, als de anderen. Voor veertien dagen is Roemenië tot Rusland toegetreden en thans weer Finland, dat de betrekkingen met Duitsland heeft verbroken. Ook hier is het soms onrustig en houdt de landwacht overal huiszoekingen of de Groene Polizei. Hier is pas nog een onderduiker bij nacht weggehaald. Ook een zoon van Otterman hebben ze zo erg geschoten, dat hij aan de gevolgen is overleden, nadat ze er niets meer van gehoord hebben. Ze weten zelfs niet waar zijn lijk geborgen is.

16 september 1944

De Engelsen zijn thans tot de Nederlandse grens gekomen. In de drie zuidelijke provincies zijn de N.S.B.ers naar hier geëvacueerd. De mannen zijn allen weer teruggekeerd om als landwacht dienst te doen. In het gehele land is ook het standrecht afgekondigd en moeten wij om 8 uur binnen zijn. Deze week heeft ook Bulgarije de oorlog aan Duitsland verklaard. ‘s Nachts trekken weer hele legers over de straten. Het verkeer ligt ook zo goed als stil.

15 oktober 1944

De laatste tijd staat ook ons land wederom aan oorlog bloot. Op zondag 17 september werden in ons land bij Arnhem en Nijmegen grote valschermtroepen neergelaten. Met zweefvliegtuigen werd alles door de lucht aangevoerd. Ze hadden bij Nijmegen meer succes dan bij Arnhem. Want daar moesten ze vooreerst weer terugtrekken. Maar thans zijn ze vanuit Eindhoven weer zover gekomen, dat ze weer bij Arnhem strijden. Ook de provincies Limburg, Noord Brabant en Zeeland zijn op dit ogenblik gevechtsterrein. Ze zijn in Limburg de Duitse grens overgegaan en er werden al verschillende stadjes genomen. Om de grote stad Aken wordt thans verbitterd gestreden. In het land en vooral in de grote steden wordt thans honger geleden. Er is niets geen toevoer meer, daar het verkeer stil ligt. Hier gaat nog een tram langs daags. De jonge mannen van 17 tot 55 jaar zijn allen opgeroepen om de vesting te maken voor Assen.

Maart 1945

Thans is ons land in tweeën gesplitst. De drie zuidelijke provincies zijn door de Engelsen bezet sinds november 1944.Aan het gehele front in het westen staan ze thans na een gevechtspauze aan de Rijn. Ook aan het Oostfront zijn ze vanuit Rusland tot aan Frankfurt aan de Oder doorgedrongen. Vele kleine staten en landen en ook Finland hebben de oorlog aan Duitsland verklaard. Bijna alle dagen gaan er zwermen vliegmachines naar Duitsland. Ook komen er vaak jagers om op het verkeer te schieten. Schepen, trams en treinen moeten het altijd ontgelden, zodat er geen tram of trein meer rijdt. Vele mensen uit het zuiden van Holland komen hier de laatste tijd om eten te halen met handkarren of fietsen zonder banden. Ook komen velen lopend om nog het een en ander te halen. In de stad is de nood tot het uiterste gestegen; veel mensen komen van de honger om. Veel kinderen en ouderen moeten het met de dood bekopen. Maar nu hebben ze een grote brug beschoten en mogen er geen mensen meer over. Heel veel vluchtelingen en evacuees zijn hier al aangekomen en het nog dagelijks door.

22 april 1945

Nu kunnen we weer schrijven wat we willen; we zijn bevrijd! Na een heel onrustige tijd en spanning. Eerst op 24 maart de woning van Vleems door een benzinetank getroffen en opgebrand, waarbij G. Grootoonk en H. Hilbrands het leven lieten en nog vele anderen ernstige brandwonden opliepen, doordat de benzine onverwachts ontplofte. Daarna zaten we daags veel in de schuilkelder, omdat de vliegmachines overal op schoten. De laatste tijd waren hier vaak Duitse auto’s en die waren dan het mikpunt. Maar op 5 april was het dan zover dat de Engelsen in Coevorden begonnen te schieten, wat hier al heel veel lawaai gaf. ‘s Avonds werd de stad overgegeven en was Coevorden bevrijd. Nu was het wachten op tot ze hier zouden komen. Maar op zaterdagavond 9 april kwamen hier bij het tolhek de eerste gevechtswagens aan en namen een Duitser gevangen en werd een doodgeschoten. Ze gingen weer terug door het dorp om te verkennen. Tot ze op maandagmiddag met een heel leger hier in het dorp kwamen om de brug te nemen. Onder het schieten zijn zeven boerderijen aan de straatweg verbrand, maar tegen de avond trokken zij zich terug en waren wij ook vrij. Dinsdagmiddag kwam de vlag aan de toren en dadelijk wapperde overal de driekleur. De kinderen hadden dadelijk optocht met veel oranje. Dezelfde week werd nog heel Drenthe vrij en stonden ze al in Groningen en Friesland, wat thans ook bijna schoon is. In Holland ziet het er nog treurig uit; dat is nog bezet door de Duitsers. En daar is de nood tot het hoogst gestegen en heerst grote hongersnood. En alles wat ze onder water hebben kunnen zetten; daar is het land bedorven.

In Duitsland zelf zijn ze op veel fronten aan het strijden en zijn bijna tot aan Berlijn gekomen. De Russen hebben thans de buitenwijken van Berlijn genaderd. De N.S.B.ers en landwachten zijn allen opgehaald en gevangen genomen en zitten nu onder bewaking van de oranjewacht. Hun bezittingen zijn allemaal onder de staat gevallen en wat is er verder met hen gebeurt weten we nog niet, voordat heel Nederland vrij is.

6 mei 1945

Thans is heel Nederland vrij. Op zaterdagavond hoorden we het bericht door de radio van de capitulatie van de Duitse bezetter van West-Nederland, Noordwest Duitsland en Denemarken. Al een dag of acht was door de lucht en later met auto en schapen voedsel aan de bevolking gebracht. Toen hier het bericht kwam, was alles dadelijk in de weer. Nog dezelfde avond ging de muziek door het dorp, wat gisteravond opnieuw werd herhaald. Vandaag zijn in alle kerken, voor zover dat mogelijk was, dankdiensten gehouden. Deze week is ook Groot-Berlijn door de Russen veroverd. Hitler is met veel andere partijleiders deze week gesneuveld of op een andere manier aan het einde gekomen. Italië is heel vrij en Mussolini is opgehangen met andere heren. Van de N.S.B. zijn ook de vrouwen en meisjes meest naar Westerbork naar een kamp gebracht, waar eerst joden en andere politieke gevangenen zaten. En worden nu door joden en anderen bewaakt. De koningin en prinses zijn deze week met een vliegtuig in Nederland aangekomen. Prins Bernhard was hier in Holland als opperbevelhebber. De koningin sprak gisteravond voor de radio.

20 augustus 1945

Thans is het een andere wereld. Over het eten hebben wij niets meer te klagen. Zo langzamerhand komt alles weer, behalve kleren komen nog niet, wat voor velen een hele toer is. Ook hebben we veel gebrek aan fietsbanden. Het verkeer komt ook weer een beetje los; door het hele land lopen nu bijna weer treinen. Het prinselijk gezin is ook weer bij elkaar, nadat het paleis op Soestdijk weer zo goed mogelijk bewoonbaar is gemaakt. Uit Duitsland zijn ook velen weer teruggekeerd. Oom Gerrit is 20 mei teruggekeerd, nadat hij twee jaar als politiek gevangene had gezeten. Velen zijn in Duitsland om het leven gebracht, waaronder ook uit het dorp en uit de gemeente. Uit het dorp was Jan Otterman, waarvoor het standbeeld hier is opgericht. Ook de joden, die door de Duitsers weggevoerd waren, zijn meest om het leven gebracht.

Deze week, 15 augustus, heeft ook Japan zich overgegeven en is het nu op de hele wereld vrede. Japan houdt zich het recht voor om de keizer te houden, maar staat onder toezicht van andere landen. De drie grote mogendheden zijn pas bij Potsdam bijeen geweest. En daar was besloten, dat ook Rusland in oorlog ging met Japan, wat enige dagen geleden ook gebeurde. Ook werd er besloten om met een nieuwe bom te werken, wat eenmaal gebeurd is, want toen was het afgelopen.

Gevecht bij de brug

Een Duitse eenheid had zich verschanst bij de Oosterhesselerbrug

Op donderdagmiddag 5 april 1945 bereikte het Lake Superior Regiment van de Vierde Pantserdivisie vanuit Duitsland Coevorden. De Bentheimerbrug was door de Duitsers vernield en dus beperkten de bevrijders zich tot zuiveringsacties in de Eendrachtwijk. De volgende morgen trokken ze via een snel gelegde baileybrug de stad binnen. Coevorden was bevrijd! Nog diezelfde dag rukten de Canadezen verder op naar Noord-Duitsland en droegen de verdediging van de stad over aan eenheden van het Belgische S.A.S (Special Air Service) Regiment.

Dit regiment, oorspronkelijk opgezet als parachutisteneenheid, kreeg na de invasie de taak op te treden al commando- en verkenningsstrijdmacht. Met hun met zware mitrailleurs en mortieren en uitgeruste jeeps verplaatsten de Belgen zich razendsnel en doken overal op waar Duitse stellingen vermoed werden. Ze onderscheidden zich door verassende aanvallen in het voorterrein en wisten vaak kleinere vijandelijke weerstandsnesten te overmeesteren. Bij ontmoetingen met zwaarder uitgeruste Duitse eenheden trokken ze zich bliksemsnel terug en rapporteerden positie en vuurkracht van de tegenstander aan de hoofdmacht. Dank zij deze informatie volgden dan beslissende aanvallen met tanks en artillerie.

Doordat het Lake Superior Regiment in de richting Noord-Duitsland doorstootte, ontstond er ten noorden van Coevorden tijdelijk een soort niemandsland. Een Duitse eenheid had zich verschanst bij de Oosterhesselerbrug en in Dalen, Wachtum en Dalerveen verkeerde men in grote onzekerheid. De dorpen waren nog niet bevrijd, maar toch…?

Voor de onverschrokken Belgen met hun jeeps vormde deze situatie een welkome uitdaging. Als op zaterdag 7 april raasden hun patrouilles het onbekende gebied in. Enkele groepen gingen richting Hardenberg en een sectie met drie jeeps verkende Dalen. Via de Hoofdstraat en de Kruisstraat (met spelende kinderen zie hoofdstuk 32!) reden de commando’s door de Westerwijk naar de Valsteeg. Daar werden ze plotseling beschoten door de Duitse mitrailleurpost bij het tolhuis aan de Rieweg. Met behulp van enkele mortiergranaten werd de vijandelijke stelling snel het zwijgen opgelegd. Het Belgische rapport vermeldt: “Twee krijgsgevangen gemaakt, allebei gewond! “Dit is dus de officiële lezing, terwijl de spelende kinderen een gesneuvelde, een gewonde en een “onbeschadigde” Duitser gezien hebben en de Wachtumers in hoofdstuk 12 een gesneuvelde en een gewonde Duitser herinneren. Na vijftig jaar is het moeilijk, zeker waar het de vijand betreft, juiste aantallen weer te geven. ‘s Avonds sturen de Duitsers, verontrust door het vernietigen van hun voorpost, een patrouille naar Dalen en hun zware laarzen stampen als vanouds door de Hoofdstraat. De Dalers blijven angstvallig binnen en er gebeurt niets. Na verloop van tijd trekt de vijand zich weer terug.

De volgende morgen stuiven de S.A.S jeeps weer door het dorp, op weg naar de Oosterhesselerbrug. Bij de boerderij van Rudolf Boeting worden ze beschoten door de Duitsers bij de brug. De Belgen draaien het erf op en beantwoorden het vuur en even lijkt het hier een regelrecht slachtveld te worden. Dan breken de bevrijders het gevecht af; de jeeps keren en rijden terug. De tegenstand is te sterk. Niemand van de Belgen is geraakt, maar de schotenwisseling heeft wel ernstige gevolgen. De boerderijen van Abbing en Harm Boeting zijn getroffen en branden af.

Teruggekeerd brengen de commando’s rapport uit. ‘s Middags arriveert de commandant van het voorhoede- regiment van de Poolse Eerste Pantserdivisie, die in opmars is en de opdracht heeft via Coevorden het noorden van Nederland te bevrijden. Het regiment zal morgen de stad bereiken. Er wordt krijgsraad gehouden. De volgende morgen zullen de Belgen met een versterkte eenheid proberen de brug onbeschadigd in handen te krijgen. Dan kan het regiment, dat o.a. uitgerust is met Churchill en Shermantanks, zonder oponthoud oprukken. Maar, wordt er gevraagd, is de brug wel sterk genoeg om de dertig ton zware Shermans te dragen?

De commandant van de Coevorder B.S., is inmiddels weer tevoorschijn gekomen, Piet Tijsma (zie hoofdstuk 30), wordt om raad gevraagd. Hij brengt een ingenieur van Rijkswaterstaat mee, die de suggestie doet de brug na verovering met tramrails te versterken. Een tram uit het depot van de E.D.S. zal ze kunnen aanvoeren. Zo wordt een locomotief onder stroom gebracht en een goederenwagon met rails beladen. De Duitsers wachten echter de loop der gebeurtenissen niet af en proberen ’s avonds de brug op te blazen. Dit lukt maar gedeeltelijk. De klep vliegt weliswaar omhoog, maar komt direct daarop met een daverende klap weer op zijn plaats terecht. Hij is behoorlijk beschadigd, maar de overgang blijft mogelijk. De boerderijen en woningen in de onmiddellijke omgeving van de brug zijn inmiddels door de bewoners verlaten. Na het vuurgevecht van zondag nemen ze het zekere voor het onzekere en zoeken bij familieleden en kennissen in de omtrekt een veilig heenkomen. Alleen Hendrik Blaauw en zijn zoons Hilbrand en Gerrit en Rudolf Boeting zijn achter gebleven.

Maandagmorgen 9 april valt de S.A.S aan! Twee secties jeeps rijden over de Oosterhesselerweg richting de brug. Om half tien openen de Duitsers het vuur, maar nu rukken de Belgen verder op.  Gedekt door geconcentreerd mitrailleurvuur van de weg te bereiken. Hier echter zitten de commando’s muurvast. De Duitse tegenstand is zo hevig en de jeeps zijn hierdoor zo kwetsbaar, dat ze de gang van zaken aan het hoofdkwartier in Coevorden, waar de eerste Poolse eenheden juist arriveren. Er wordt assistentie gevraagd en zes Poolse brencarriers, gevolgd door enkele lichte tanks, zetten zich in beweging. Om ongeveer half elf arriveren de carriers op het gevechtsterrein.

De commandant neemt geen halve maatregelen. Vuur uit alle wapens, beveelt hij. De Polen gebruiken lichtspoormunitie en de gevolgen zijn rampzalig. Vijf boerderijen en huizen, die Van Dalen, Meijering/Keen, Anninga, Knuppe en Lomulderd vliegen in brand! Later zal de Poolse bevelhebber verklaren: “Beter vijf huizen in brand, dan een man dood! “Maar…de Duitsers verlaten nu hals over kop hun stellingen en de brug wordt genomen. Weliswaar beschadigd, maar nog wel te gebruiken.

Onmiddellijk vormen de bevrijders een bruggenhoofd. De jeeps van de S.A.S proberen over de beschadigde brug te rijden en dat lukt ze. Aan de overkant kammen de commando’s het terrein om de brandende boerderijen uit op zoek naar mogelijk achtergebleven Duitsers. Daarna nemen ze stelling in langs de weg naar Oosterhesselen. Poolse tanks betrekken posities aan de Daler kant van de brug.

Later op de middag lopen teruggekeerde bewoners als verdwaasd tussen de smeulende puinhopen van hun boerderijen. Ze hebben de vrijheid terug, maar vraag niet tegen welke prijs! In de woonkamer- keuken van de familie Blaauw richt de Poolse regimentscommandant zijn hoofdkwartier in.

De familie Blaauw doet haar uiterste best het hem en zijn officieren naar de zin te maken. Dat is niet altijd even gemakkelijk. Zo moet vader Hendrik Blaauw wel even slikken als een Poolse militair zo maar een van zijn beste kippen doodschiet. Maar ja, ’t is een bevrijder en…hij blijft vriendelijk.

De tram met de lading rails arriveert en de brug wordt zo goed en zo kwaad als het gaat hersteld. De brencarriers rijden erover en posteren zich aan de overkant. De Belgen in hun jeeps, nu ontheven van hun verdedigende taak, rijden weg. Naar Oosterhesselen, nieuwe strijd tegemoet!

Genietroepen leggen een baileybrug. Morgen, tien april, zal de opmars van de Poolse Eerste Pantserdivisie beginnen. Het geweld van al die voertuigen zal de provisorisch herstelde Oosterhesselerbrug nooit kunnen doorstaan. Er wordt dus hard doorgewerkt.

De komende dagen passeren in een ononderbroken stroom tanks, carriers, legerwagens en jeeps Dalen. Overal staan wuivende mensen. Ook bij de Oosterhesselerbrug, al wordt de vreugde daar aanzienlijk getemperd door de aangerichte verwoestingen. Maar…Dalen is bevrijd!

De wederopbouw kan beginnen.

Ter afsluiting

Er werd recht gedaan en straf opgelegd.

Na bijna vijf jaar bezetting met zijn gedwongen beperkingen wegvoering, slavenarbeid, intimidatie en terreur kon de wederopbouw beginnen. Vooral de oorlogshandelingen van begin april 1945 hadden veel schade aangericht. Zo was op 7 april, voorafgaande aan de aanval op het mitrailleurnest bij het tolhuis, de boerderij van Hendrik Berkhof aan de Noordwijk nog in vlammen opgegaan.

Een Duitse patrouille opende bij Bertus Hepping aan de Eldijk het vuur op de S.A.S.eenheid, die toen juist door de Valsteeg reed. De Duitsers troffen echt niet de Belgen, maar de boerderij. De meeste schade werd natuurlijk geleden door de omwonende van de Oosterhesselerbrug. In totaal zeven boerderijen en woningen waren afgebrand en nieuwbouw was vooreerst niet mogelijk. Jarenlang huisden verschillende families in noodwoningen en houten barakken. Andere gezinnen trokken weg en vestigden zich elders. Pas in 1948 konden de achterblijvers weer nieuwe huizen en schuren bouwen.

De beschadigde brug was al spoedig niet meer te gebruiken. Omdat de door de Poolse bevrijders gelegde baileybrug erg hoog was, gaven verschillende passanten de voorkeur aan de veerdienst van Annie van Dalen en Hans Kunstman. De zakelijk ingestelde jongelui hadden een vlot gebouwd en langs de kanaaloevers op en afritten gemaakt. De passagiers mochten overigens zelfs het tarief bepalen!

Direct na de bevrijding begon de B.S. met het arresteren en wegvoeren van N.S.B.ers en Duitsgezinde personen. Vooral de als zodanig aangemerkte inwoners is onrecht aangedaan. Vaak, het is reeds vermeld, werden Dalers aangehouden, die totaal niets op hun geweten hadden. Als ze na korte tijd weer terugkeerden, kregen ze bijna in alle gevallen huisarrest opgelegd. Van de honderdtien inwoners, die dit overkwam, werden ruim honderd er alleen van beschuldigd pro-N.S.B. of pro-Duits te zijn geweest. Aldus officiële lijsten, die ten gemeentehuize bewaard worden.

Nog erger was, dat zij die kortere of langere tijd vastgehouden waren, door velen met de nek aangekeken werden. Ze werden uit bestuursfuncties gezet en uit het verenigingsleven geweerd. Hierdoor geraakten ze in een isolement, dat hen vaak voor hun verdere leven tekende. Dat gold niet alleen hen, die hun verdiende straf ondergaan hadden, maar ook de ten onrechte beschuldigden.

In de persoonlijke verhoudingen mocht dan wel eens min of meer stilzwijgend schoon schip gemaakt worden, de bevolking als geheel bleef in veel opzichten onverzoenlijk. Hierdoor ontstond een vertrouwensbreuk, die tot dan toe in de Daler samenleving ongekend was en die tientallen jaren bleef bestaan. Soms zelf, bij de oudere generatie, tot op de dag van vandaag. Maar… en dat is natuurlijk zonneklaar, deze onverzoenlijke houding was niet zomaar ontstaan.

Vooral zij die offers hadden moeten brengen, hun geliefden hadden moeten verliezen door het bruut geweld van de bezetters en hun Nederlandse handlangers wilden gerechtigheid. Straf voor hen, die zich misdroegen en ook voor hen, die door hun landverraderlijke houding het misdadige geweld hadden gesteund. Had niet Koningin Wilhelmina al voor de bevrijding gezegd: “Er zal voor hen geen plaats meer zijn!”?

Er werd recht gedaan en straf opgelegd. Soms keerden geïnterneerden pas na vele jaren terug, om te ervaren, dat hun wandaden dan wel bestraft, maar niet vergeten waren. Ze bleven buitengesloten en vaak bleef de haat, ook in de tweede generatie, bestaan. Gelukkig keerden velen na de bevrijding terug. De onderduikers doken weer op uit hun schuilhoeken. De in Duitsland te werk gestelde dwangarbeiders bereikten soms na lange omzwervingen weer hun gezinnen en familieleden. Van de kleine Joodse gemeenschap kwamen slechts David en Jet Bierman en, voor kort bezoek, Suze Zilverberg terug in Dalen.

De slachtoffers bleven voorgoed weg. Zij hadden hun leven verloren. Het is goed om aan het eind van dit boek speciaal bij hen stil te staan. Hen te gedenken!

Het zijn:

Onschuldig weggevoerd en uit rassenhaat welbewust vermoord:

– Eva Bierman-Nijveen en haar zoons David Jonas en Simon.

– Izak Jonas Bierman, Frouwke Bierman-Bollegraaf en hun kinderen Jonas, Henderina en Eva.

– Izak Bierman.

– Hartog Zilverberg en Suzanna Zilverberg-Ten Brink en hun kinderen Betje en Jacob

Gesneuveld bij de verdediging van ons land:

– Albert Lahuis en Gerrit Ridderman.

Zij, die de moed hadden zich te verzetten en hiervoor met hun levens betaalden:

– Wilke Bloem, Albert en Bernhard Hartemink, Jan Otterman en Henk Veurink.

Omgekomen ten gevolge van gedwongen arbeid in Duitsland:

– Geert Volkers en Geert Wilting

Omgekomen op 24 maart 1945 tijdens de brand in Cafe Vleems:

– Gerrit Grootoonk en Rieks Hilbrands.

Geraadpleegde literatuur:

Dr. J Heringa e.a: Geschiedenis van Drenthe – Boom Meppel 1985

Dr. L.de Jong: Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog Ministerie van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen Den Haag 1969

Minderhoud H.D: Stap voor Stap door Dalen en Schoonebeek Seinen’s Grafische bedrijven De Krim 1989

Minderhoud H.D: Rond de Oosterhesselerbrug – Commissie Herdenking Oosterhesselerbrug Dalen 1990

Drs. A.H Paape e.a: Bericht van de Tweede Wereldoorlog De geïllustreerde Pers N.V. Amsterdam 1970

S.A.S Veterans News:Maart 1994 – Uitgave A. Slosse Hellevelt Brussel.