Hoofdstuk 4. Zigeuners trekken voorbij 

Berend Kegge, de knecht van Gerrit Jan Egberink in Anevelde, was een eenvoudig mens. Je zou ook kunnen zeggen een simpel mens, want hij timmerde niet hoog. Dat was voor Gerrit Jan geen enkel bezwaar. Het boerenwerk lag Berend uitstekend en al moest je hem soms iets drie keer uitleggen voor hij het begreep, als hij het eenmaal doorhad, kon je het hem ook volledig toevertrouwen. Bovendien was hij erg gewillige en ook dat was mooi meegenomen.

Kwaad was Berend bijna nooit. Dan moes je wel erg ver gaan en daar pasten de meesten wel voor op. Berend was beresterk en als hij driftig werd, kon niemand, hijzelf ook niet, voorspellen wat aangericht zou worden. Als je hem goed behandelde, was er in de verre omtrek geen betere boerenknecht te vinden. Dan was hij zijn loon dubbel en dwars waard.

Maarja, die driftbuien, daar moest je altijd voor oppassen. Ze waren wel te verklaren trouwens. Berend had het in zijn jeugd niet gemakkelijk gehad. Hij was het jongste kind uit een arbeidersgezin en hij was altijd overal even traag mee geweest. Hij kreeg later tanden dan anderen, leerde later lopen en was pas heel laat zindelijk. Op school leerde hij slecht en hij deed over elke klas twee jaar. Toen hij op dertienjarige leeftijd bij Gerrit Jan Egberink terecht kwam, had hij vier leerjaren doorlopen en bepaald niet met vrucht.

Aanvankelijk had hij op school veel te verduren gehad, maar dat was in het tweede leerjaar van de tweede klas voorgoed over. Toen had hij nadat zijn klasgenoten hem voor de zoveelste keer voor „domme koe” hadden uitgemaakt, voor het eerst zijn handen gebruikt. En hoe!Hij had in dolle woede een van zijn plaaggeesten bijna doodgeslagen en gelukkig had de meester hem nog juist op tijd tot bezinning kunnen brengen.

Het voorval had verstrekkende gevolgen gehad. De toegetakelde jong ging hinkend naar huis en Berends vader maakte een boetetocht naar diens verontwaardigde ouders. Vervolgens gaf hij zijn zoon een pak slaag, dat er niet om loog en dat Berend gelaten in ontvangst nam. Zijn plagerijen op school waren afgelopen. Voortaan lieten de jongens hem met rust, sterker nog, ze gingen hem zoveel mogelijk uit de weg. Berend vond het best, maar hij vereenzaamde hierdoor wel.

Ook thuis traden zijn broers en zusters hem met meer omzichtigheid tegemoet. De verhalen over zijn onmenselijke kracht deden hen voortdurend op hun hoede zijn. Maar die kracht had ook zijn prettige kanten, want de familie was voor Berend heilig. Zijn vader en moeder hadden het thuis volledig voor het zeggen en broers en zussen konden door dik en dun op zijn bescherming rekenen. Een feit, waar laatstgenoemden nogal eens te pa en te onpas gebruik van maakten.

Op school lagen de verhoudingen niet zo vast. De pesterijen van de kinderen waren dan wel afgelopen, maar met de meesters bleef het soms toch kwaad kersen eten. Als Berend van een van hen weer eens een minachtende opmerking toegevoegd kreeg, verkeerde de klas soms in een bijna vrolijke opwinding. Zou hij ook de meester durven aanpakken?Hij durfde niet, of beter gezegd, hij wilde niet!Berend had zijn vader beloofd zich te zullen inhouden en dat deed hij dus ook. Tot aan ’t eind van de vierde klas!Toen kwam de meester, getergd door zijn voortdurende verkeerd antwoorden, met een kaartenstok op hem af. Berend stond op en brak de stok voor de ogen van de van spanning sidderende klas in twee stukken. Vervolgens pakte hij de meester, even groot, maar veel smaller dan hijzelf bij de schouders, draaide hem om en gaf hem zo’n geweldige schop, „in de kont”, dat de verbouwereerde man met een klap tegen het schoolbord kwakte. Daarna wandelde Berend kalm de school uit, zonder de op de grond liggende meester nog een blik waardig te keuren. Hij had zich geweldig beheerst, vond hij trots.

Berend keerde nimmer naar school terug!Zijn vader sloeg hem voor de laatste keer bont en blauw, bood de meester zijn verontschuldigingen aan en wandelde ’s avonds naar boer Egberink. Daar kon Berend de volgende morgen al beginnen. Hij kreeg een slaapkamertje boven de koestal, werkte de hele week op de boerderij en ging alleen op zondag een poosje naar huis.

Hij had een best leven, vond hij zelf. Gerrit Jan en zijn vrouw Henderkien waren heel goed voor hem. Het eten was best en de verzorging ook. Hij verdiende f30,- per jaar en hij kreeg zijn kleren en klompen gratis. Wat was het een feest geweest, toen hij voor het eerst op oudejaarsdag zijn zuurverdiende geld thuisbracht. Henderkien had hem ook nog een lummel van een kretenwegge en een dikke metworst „metdaon”. De mooie doek, warin de goede gaven zorgvuldig dichtgeknoopt verborgen zaten, had zijn moeder mogen houden.

Ja, die dertig gulden waren zuur verdiend, maar Berend maalde daar niet om. Hoe zwaarder het werk, hoe meer plezier hij er in had. Als ’s zomers, tijdens de oogst, Gerrit Jan hem om vier uur wakker schreeuwde, was hij binnen de kortste keren welgemoed aan ’t werk. En als ze ’s avonds, na een dag koortsachtig maaien, op de bank naar de ondergaande zon keken, voelde hij zich gelukkig.

Niets was Berend teveel. Na enkele jaren beheerste hij het boerenhandwerk bijna volledig. Melken, de stal uitmesten, de beesten voeren, maaien, hooien en eggen, ’t waren allemaal bezigheden, die hij met graagte deed. Ploegen en zaaien ging hem niet zo gemakkelijk af. Dat was nauwkeurig werk en Gerrit Jan had er veel moeite mee gehad hem dat goed bij te brengen. Vooral het zaaien was een probleem. Beren miste de rustige stap en de brede, gelijkmatige armzwaai, waarmee een goede zaaier het zaad al strooiend over de akker verdeelde.

Met de beesten echter kon hij uitstekend overweg. Zelfs de machtige stier, eenzaam met zijn neusring aan de ketting in het weiland, had ontzag voor hem. Eenmaal, vertelde Gerrit Jan vol trots aan ieder, die ’t maar horen wilde, had Berend het dier met blote handen bij de horens op de grond gedrukt. Dat Berend daarbij ook de neusring krachtig vastgehouden had, zei hij er maar niet bij. Berend zelf liet het verhaal glimlachend over zich heen gaan, als hij in de buurt was. Hij was tenslotte ook maar een mens en best wel gevoelig voor de uitbundige lof van zijn baas.

Toen hij ouder werd, raakte hij verliefd op Janna, de inwonende meid. ’t Was een bijdehand wicht, goedlachs en niet op haar mondje gevallen. Maar Berend moest ze niet!Die was haar te lomp, te stuntelig en vooral te sterk. Je wist ’t maar nooit met zo’n oermens!Dus werden Berends toenaderingspogingen voortdurend geblokkeerd door Janna’s afstandelijk gedrag, stekelige of spottende opmerkingen en uitbundige lachbuien, als hij weer eens iets onhandigs deed. Berend begreep dat niet, maar hij bleef volhouden. Vaak ook zag hij Janna’s lachen voor warmere gevoelens aan en dat maakte de zaak alleen maar erger.

Toen Janna na verloop van tijd de nabijheid zocht van Hendrik Greveling, de knecht van de buren, vond Berend dat eerst alleen maar verbazingwekkend. Dat zo’n aardige meid wat zag in zo’n smal, slap „kereltien” was haast niet te geloven!Maar toen de twee elkaar steeds vaker ging ontmoeten, werd hij kwaad. Janna hoorde bij zijn omgeving, bij zijn boerderij, bij hem!En als Hendrik aan de deur kwam en naar Janna vroeg, draaide hij zich om en liep weg. Daar hadden beiden dan weer opvallend veel plezier om; dat kon hij zelfs op grote afstand nog horen.

Eens, toen hij onverwachts de schuur binnen kwam, had hij het tweetal betrapt. Het was er heel onschuldig toegegaan. Hendrik zat Janna achterna over de deel. Het meisje rende opgewonden gillend naar de baanderdeur en net voor ze er was, had Hendrik haar te pakken. Berend had zich niet meer kunnen beheersen. Wat deed die vreemde kerel daar met zijn Janna?Hij was naar het paar toegelopen en had Hendrik van Janna losgetrokken. Toen, in plotseling opkomende woede, had hij hem tegen de grond geslagen. Janna, lijkwit van schrik, was naar de liggende jongen toegegaan en had hem liefdevol tegen zich aangetrokken. Zonder een woord te zeggen, keek ze naar Berend op, haar ogen vol afkeer. ’t Had Berend sprakeloos gemaakt!In plaats van hem, haar beschermer, te omhelzen, ging ze naar die vreemdeling toe, die indringer, die slappeling, die na een klap al buiten westen was. Hij had zich omgedraaid en was weggegaan. Berend had zijn les geleerd. Vrouwenvolk was onbetrouwbaar; je kon er beter niet mee van doen hebben!Voortaan ging hij Janna uit de weg en over het voorgevallene werd niet meer gerept. Toen Hendrik, voor het eerst weer, wat schuchter, Janna kwam opzoeken, ging Berend het veld in. Hij wilde met geen van beiden ooit meer iets te maken hebben. Toen ze een jaar later trouwden, was hij, hoewel uitgenodigd, niet op de bruiloft. Berend zou, dat had hij zich vast voorgenomen, verder zijn eigen weg gaan. Geen mens zou hem ooit meer van zijn stuk brengen!

De jaren zijn voorbijgegaan. Berend Kegge is de veertig al gepasseerd en hij is nog steeds knecht bij Gerrit Jan Egberink. Nog steeds heeft hij plezier in zijn werk en nog steeds voelt hij zich thuis op de boerderij. Hij is eigenlijk geen knecht meer, maar een goedige oom, die de kinderen van Henderkien en Gerrit Jan van nabij heeft zien opgroeien. Hij heeft met ze gespeeld, ze de gek aangestoken, en als ’t zo te pas kwam, een standje gegeven. De oudste, een dochter, is al ’t huis uit; getrouwd met een boer in Gramsbergen. Met de oudste zoon van achttien kan hij het ook heel goed vinden. Die werkt al helemaal mee en er zijn dingen, die hij al beter doet dan Berend. Maar ’t gekst is Berend op de jongste van het vijftal, een nakommertje van tien. Toen dat kind geboren werd, heeft Gerrit Jan gezegd:„Berend, Henderkien en ik hebt es overlegd en wij vindt, dat jij maor peetoom zijn mot veur oeze Johannes. Wat dunkt je?”Met een brok in zijn keel en zijn zakdoek voor een plotseling tranend oog heeft Berend toen, na een eeuwigheid zwijgen gezegd:„Dat dunkt mij goed baos!”En daarbij is ’t gebleven. Berend heeft ’t kind de kerk ingedragen en ’t kon hem niks schelen, dat ’t volk commentaar had. „Fluust’rend!”, wel te verstaan. ’t Kon hem ook niks schelen, dat Janna en Hendrik d’r waren en wat meewarig zaten te lachen. Die hadden nogal veel te lachen met hun acht kinderen!Dit was Johannes, zijn petekind, en zo zou het blijven.

Van dichtbij heeft hij het opgroeien van zijn Johannes gadegeslagen. Hij was erbij, toen de eerste woordjes gezegd werden en de eerste stappen gedaan. Hij liet het kind paardjerijden op zijn knie en later op zijn rug. Hij zag Johannes voor het eerst naar school gaan en al vroeg nam hij hem mee, op zondag, het veld in. Hij wees hem op de buitelende kieviten, op de schril roepende grutto’s en de snel voortwiekende snippen. Prachtige ogenblikken waren het, als ze samen ontdekking deden: een groepje grazende reeën, een koppel jonge patrijzen of een vissende ijsvogel. Onuitwisbare herinneringen ook, als ze ergens zaten en Johannes zijn handje op Berends knie legde:„Oom Berend, wa’s dat veur’n veugel?Wa’s dat veur’n plantien?En die bluiende struuk’n, wa bent dat?” Als ze dan thuiskwamen en Johannes vertelde opgewonden zijn verhalen, dan keek moeder Henderkien hem stilletjes alchend aan:„Berend, wat hest ’t jong weer een onzin op de mouwe’speld!”Dan lachte hij blij terug, delend in de vreugde om dat kleine jongetje, dat zo vrolijk, zo onbevangen leefde.

Veertien dagen geleden had hij hem meegenomen naar Coevorden. Daar kwam hij anders nooit, maar dit was een heel bijzondere gelegenheid. In de krant had een deftig, breed omrande advertentie gestaan. „Op Donderdag Aanstaande, 8 Mei 1873, hoopt Zijne Majesteit Onze Geëerbiedigde Koning Willem III de stad Coevorden te bezoeken”. En daarna een oproep aan alle belangstellenden om te komen en Zijne Majesteit op gepaste wijze hulde te brengen.

Toen Berend het las, had hij direct aan Johannes gedacht. Dat zou wat zijn voor ’t jonkien. Om De koning te zien!Hij had er met Gerrit Jan over gesproken en die had gezegd:„Goed Berend, ie kunt met Johannes hen gaon, maor dan neem ie de beide wichter ok met!” En zo was ’t gebeurd! ’t Was prachtig geweest in Coevorden. De hele stad was versierd met slingers, vlaggen en erebogen en toen de koning voorbijreed, wuivend met zijn hoge hoed, was ’t gejuich niet van de lucht geweest. Johannes had uit volle borst meegeschreeuwd, maar toen ’t voorbij was, had hij duidelijk teleurgesteld gevraagd:„Warom had de keuning zien krone niet op’t heufd?” En eigenwijs:„’t Liekt toch niks, een keuning in een deftig pak en met ’n hoed!” Berend had er wat om gelachen en toen ze met de linnenwagen terugreden langs de oude laan over Holthone had hij gezegd: „Een keuning, mien jong, is ok maor een mense!Zo’n kreune is ja veul te zwaor, zo’n helen dag!” Johannes had wat afwezig geknikt. Hij had zijn gedachten er al lang niet meer bij en zoog tevreden aan de pijp drop, die Berend voor hem en zijn zusjes gekocht had.

Thuisgekomen bracht Berend hem naar bed en hij had nog wat met hem gepraat, tot hij in slaap viel. Beneden in de kamer wachtten Gerrit Jan en Henderkien, ook nieuwsgierig naar zijn belevenissen. In trage zinnen had hij hen alles verteld, bij ’t licht van de petroleumlamp. ’t Was een goede, rustige avond geworden en Berend had er zich op betrapt, dat hij meer vertelde, dan dat hij eigenlijk kwijt wilde. Maar hij Henderkien en Gerrit Jan kon dat, hen kon hij vertrouwen. Zij waren de enigen, bij wie hij zich echt op zijn gemak voelde.

Zij waren de enigen en na zijn mislukte avontuur met Janna was er niemand meer geweest, voor wie hij andere dan gewone gevoelens koesterde. Rijen meiden waren elkaar in de loop van de tijd op de boerderij opgevolgd en voor elk van hen had hij zich hardnekkig afgesloten. Een kort woord of een gemompelde aanwijzing waren voldoende; alleen het hoognodige bracht hij uit. Nooit zou Berend zich meer in laten palmen door verleidelijke lachjes of zinloze plagerijen. Hij had met het vrouwvolk, behalve dan met Henderkien natuurlijk, voorgoed afgerekend!

Het gezin op de boerderij, dat is voor Berend het enige, dat nog telt. Zijn vader en moeder zijn inmiddels overleden en zijn broers en zuster zijn vreemden voor hem geworden. Hij is als een eenzaam schip met een veilige thuishaven en die haven verlaat hij zelden. Althans niet voor verre reizen. ’s Avonds, als het een beetje „schier” weer is, gaat hij wel steevast een flink eind wandelen. Altijd alleen, altijd met zijn onafscheidelijke stok in de hand en als het een mooie avond is, kan hij soms uren wegblijven. Dan struint hij langs de waterlopen, langs de akkers en weilanden en over de stukken woeste grond, die hier en daar nog liggen. Een van zijn geliefkoosde plekjes in het Engelanderbosje, een oud stukje oerbos. Aan de oostzijde ligt een halfronde kuil, waarvan de hoge rand met eiken begroeid is. Daar zit Berend graag, kijkend over de landerijen naar De Vecht. Soms vaart er een scheepje over de rivier en dan lijkt het wel of de zeilen over het land voortglijden. Als hij dat ziet, blijft hij roerloos zitten, helemaal in de ban van dat wonderlijke schouwspel.

Dat de kuil het Heidens Gat genoemd wordt, deert hem niet in het minst. Dat er, naar men zegt, vroeger geheimzinnige bijeenkomsten gehouden werden en dat er af en toe spookachtige verschijningen rondwaren, nog minder. Berend is niet bijgelovig en dat anderen dat wel zijn, komt hem goed van pas. Daardoor wordt het alleen maar stiller in het Engelanderbosje en rond het Heidens Gat.

Op een mooie zomeravond in augustus wordt de stille droomwereld wreed verstoord. Al van ver ruikt hij een vreemde lucht, een geur van brandend hout en naderbij komend ziet hij inderdaad rook kringelen boven de bomen. Behoedzaam loopt hij het bosje in. Aan de binnenzijde van de hoge rand van het Gat klinken stemmen in een vreemde zangerige taal. Langzaam kruipt hij omhoog en uiterst voorzichtig kijkt hij vanachter een paar struiken naar beneden, recht de kuil in.

Daar staan drie woonwagens, huisjes op twee wielen, geschraagd door opstaande balken. Midden tussen de wagens brandt een opflakkerend houtvuur en daaromheen heeft zich een bont gezelschap geschaard. Mannen met zwarte hoeden met brede randen, vrouwen in lange, bonte rokken, morsige kinderen. „Zigeuners!” flitst het door hem heen.

Hij heeft ze wel vaker gezien, langs de Anerweg. Zwervend volk, niet te vertrouwen, stelend als raven. Ze bieden zich bij de boeren aan om pannen te lappen, messen en scharen te slijpen of stoelen te matten. Gerrit Jan heeft ze wel eens wat laten doen en hij was niet ontevreden. ’t Zijn wel vaklui, maar hij was toch blij, toen ze weer vertrokken. Er doen zoveel verhalen de ronde over gestolen eieren, kippen en ganzen, dat je ze maar beter in ’t oog kunt houden. En dus is hij tijdens werkzaamheden op het erf maar steeds bij hen blijven staan.

En nu staan ze hier en Berend kan ze op zijn gemak bekijken, zonder zelf gezien te worden. Een van de mannen zet een vreemd staketsel boven het vuur, met een ijzeren staaf, die hij direct weer inhaalt. Een vrouw komt aanlopen met een drietal kippen en het groepje zet zich aan het plukken. Ze worden opengesneden en schoongemaakt, aan de staaf geregen en boven het vuur gehangen. Een van de vrouwen draait de staaf langzaam rond. Zo bakken zigeuners kippen, begrijpt Berend. Zouden ze deze ook gestolen hebben?Vast wel!Er is een man, die niet met de anderen meedoet. Hij zit apart. Zou dat de aanvoerder zijn?Hij heeft een muziekinstrument op zijn knieën en plotseling begint hij te spelen en te zingen. De anderen doen mee. ’t Is een vreemde melodie, wild en toch ook weer heel kalm, met hoge uithalen en dan weer zacht verglijdend. Berend kijkt geboeid toe; ’t is toch weer een droomwereld!

Plotseling hoort hij achter zich een geluid, het kraken van en tak. Hij draait zich om en daar. . . onder de glooiing staat een vrouw, een zigeunervrouw. Ze lacht hem toe met schitterend witte tanden in een lichtbruin gezicht. Haar donkere ogen stralen hem tegemoet. Berend komt behoedzaam omhoog en als door een magneet aangetrokken, loopt hij naar beneden.

’t Is een prachtige vrouw!Ze draagt een diep uitgesneden geel jak en een lange, wijde rok met bonte bloemfiguren. Daaronder ziet hij blote, sierlijke voeten. Onder haar arm draagt ze een bundel gesprokkeld hout. Ze steekt hem haar hand toe en zegt, op zichzelf wijzend;„Ich Arabella!” Ze vraagt:„Wie heiszt du?” en hij stamelt:„Berend”. Ze houdt zijn hand vast en fluistert:„Stark bist du Berend!Kommst du mit?” En voor hij het weet, trekt ze hem mee over het pad onder langs de helling naar de kuil. Als een kind laat hij zich meevoeren naar het„vrömde” volk, naar de zigeuners. Als die hen zien verschijnen, gaat er een gejuich op en zo maar ineens, als vanzelfsprekend, zit hij bij het vuur, midden tussen de vreemdelingen. Zoiets heeft hij nog nooit meegemaakt! De zigeuners doen net, alsof hij bij hen hoort.

Het snarenspel wordt hervat en iedereen zingt weer. Dicht naast hem zit Arabella. Ze geeft hem een stuk kip en kijkt lachend toe, hoe hij zijn mond bijna verbrandt. Er gaat een mandflesje wijn rond en ook Berend moet drinken. Hij verslikt zich bijna in de zurige, geurende vloeistof en de zigeuners lachen. Niet spottend, maar hartelijk, alsof hij iets grappigs doet.

Berend is betoverd!Als hij tenslotte opstaat en met een onhandige buiging afscheid neemt (er moet morgen weer hard gewerkt worden!), doet Arabella hem uitgeleide. Naast haar, in het schemerdonker, loopt hij over het bospad. Van opzij kijkt hij naar haar. Naar haar zwarte haar en haar halfblote schouders. Naar haar stevige borsten, vrij bewegend onder de dunne stof van haar gele jakje. Wat een vrouw!Heel anders dan de degelijk ingepakte Janna of Henderkien of hoe ze allemaal ook mogen heten. Puur natuur is ze, zonder schaamte of aanstellerij.

Plotseling blijft Arabella staan. Alsof ze zijn gedachten geraden heeft. Ze kijkt hem in de ogen, ze drukt zich tegen hem aan en ze fluistert:„Du kommst zurück, morgen, ja!” zegt ze nog eens en dan loopt ze weg, haastig, terug naar het kamp.

Haast werktuigelijk loopt Berend terug naar de boerderij, zijn hoofd vol gedachten. Ze heeft hem gekust, ze vindt hem aardig, ze houdt misschien wel van hem. Morgen gaat hij weer naar haar toe. Deze vrouw wil hij terugzien, koste wat kost. Al zijn vooroordelen zijn verdwenen. Berend heeft een vrouw zonder weerga ontmoet. Wat daarvoor geweest is, telt niet meer. Niets telt meer!

In de boerderij is iedereen in een diepe rust. Als een dief in de nacht sluipt Berend naar zijn kamertje boven de koestal. Hij kruipt onder de dekens en probeert te slapen. Telkens opnieuw wordt hij wakker, telkens opnieuw moet hij terugdenken aan wat hem is overkomen. ’t Is een wonder!

De volgende morgen heeft hij er voor het eerst in lange tijd zijn hoofd niet bij. Zwijgend doet hij zijn werk. Zelfs voor zijn petekind heeft hij weinig aandacht. Gerrit Jan moppert en dat komt zelden voor. Henderkien sust:„Och, Berend hef slecht ‘slaopn, denk ik. Dat komp in de beste families veur!”En daarmee is ’t laatste woord over Berends humeur gezegd.

Als ’t avondeten gedaan is, gaat Berend naar zijn kamer. Hij trekt een schoon hemd aan, haalt een kam door zijn haren en gaat nog even de woonkamer in. Gerrit Jan en Henderkien zitten op de bank voor ’t huis. Snel besloten haalt Berend een grote gerookte ham uit de schouw, stopt hem onder zijn jas en gaat naar buiten. In ’t voorbijgaan groet hij:„Een goeien aovend saomen!” en dan is hij weg. Op weg naar ’t Engelanderbosje.

’t Wordt laat die avond. Nog later dan de vorige keer. Hij wordt weer hartelijk ontvangen en de ham wordt onder gejuich en handgeklap aanvaard. Een van de vrouwen snijdt hem in dikke plakken en iedereen krijgt zijn deel. Arabella is heel blij hem terug te zien. De hele avond heeft ze naast hem bij het vuur gezeten, dicht naast hem. En hij heeft geprobeerd mee te zingen, zo goed en zo kwaad als het ging. En ze hebben weer om hem gelachen, toen hij zich verslikte in de wijn.

Opnieuw is Arabella met hem meegelopen door het bos. Weer heeft ze hem gekust en deze keer heeft ze hem niet afgeweerd, toen hij haar in zijn armen nam. Hij heeft haar teruggekust, heel lang en hij heeft haar gestreeld. Haar hele lijf, zo zacht, zo warm, zo gewillig. Maar toen hij haar met zich mee naar de grond wilde trekken, heeft ze hem weer tegengehouden. „Jetzt nicht!Morgen!”, heeft ze gefluisterd en weer is ze weggelopen, haastig, over het bospad.

Berend slaapt die nacht veel beter. Veel gelukkiger, want hij weet nu zeker, dat deze vrouw heel bijzonder is. Zij houdt hem niet voor de gek, zij meent wat ze zegt en wat ze doet. Ooit zal ze zijn vrouw worden, dat staat voor hem vast. En al zal hij daarvoor zijn vertrouwde omgeving moeten verlaten, dan zal ze die prijs waar zijn. Al zal hij ook ter wille van Arabella met stoelen matten en scharen slijpen de kost moeten verdienen, hij zal geen ogenblik weifelen. Hij houdt van haar!

Berend is goed gemutst de volgende morgen. Gerrit Jan verbaast zich!De ene dag is er geen goed garen met hem te spinnen, de andere dag is hij ’t zonnetje in huis. Berend gekt met Johannes, plaagt de wichter en is al eerste bij ’t werk. De rogge staat al aan hokken en er moet op het leeggekomen land spurrie gezaaid worden.

’t Is warm weer en als Berend even stilstaat om zich het zweet van het voorhoofd te vegen, ziet hij in de verte drie wagen rijden. Het lijken wel woonwagens!Als versteend staat hij te kijken. Zouden de zigeuners, zou Arabella vertrekken?Nee, dat kan niet. „Jetzt nicht!Morgen!”, heeft ze gezegd. Ze zal er zijn vanavond, ze heeft het beloofd. Maar gerust is hij er niet op. Met een vreemd voorgevoel gaat hij weer aan ’t werk.

’s Middags worden zijn bange vermoedens bewaarheid. Als ze gegeten hebben, komt Jannes, de boer, die vlakbij ’t Engelanderbosje woont, even langs. „Heb je ’t al heurd?”, vraagt hij. „D’r bent zigeuners west in ’t bos. Mens, wat hebt wij in angst zeten!Ze liepen weer de boeren langes en ’t is een groot wonder, dat wij niks mist. De vrouwluu liept er half nakend achter, ’t was een schande. Regelrechte hoer’n bent ‘t. Stuk of wat jong keerls uut Gramsbarg’n bent ’t gistermiddag hen west. Die hebt’r veur’n kwartje terecht kunt!Gisternaovend hebt wij de veldwachter inlicht en die hef ze vanmorgen vortjaogd. Bent ze hier ook nog west?” Gerrit jan antwoordt ontekkennend, maar Berend luistert al lang niet meer. Dus toch!Ze zijn weg!Arabella is weg!Hij moet er heen. Zo gauw mogelijk. Vanavond direct!

Als Jannes weg is, gaan ze weer naar ’t land terug en weer verbaast Gerrit Jan zich. Berend is weer veranderd. Hij hult zich in stilzwijgen, doet z’n werk, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Onmiddellijk na ’t avondeten verdwijnt hij, de stok in de hand, dwars over ’t land. Gerrit Jan en Henderkien kijken hem na tot hij achter een groepje bomen verdwenen is. Ze schudden zorgelijk het hoofd. Wat heeft hij toch?

Bij ’t bosje aangekomen, ziet Berend het direct, dat Jannes gelijk gehad heeft. Geen spoor van rook is meer te zien en verse wagensporen verraden het vertrek van de zigeuners. Het Heidens Gat ligt er even verlaten bij als altijd. Alleen de grote schroeivlek van het kampvuur op de grond herinnert aan de gelukkige avonden, die hij hier doorbracht.

Hij gaat weer op zijn oude plekje zitten en staart voor zich uit. „’t Bent hoer’n”, heeft Jannes gezegd. Dat is niet waar, dat kan niet waar zijn. Heeft Arabella hem niet tegengehouden, toen hij meer wilde?En de andere vrouwen?Ze zaten vrolijk bij het kampvuur, bij hun mannen en er was geen spoor van ontucht te zien. ’t Zijn kletspraatjes van oude wijven, anders niks. Arabella is van hem, ze zal terugkomen en hij zal op haar wachten, avond aan avond.

Pas als het begint te donkeren, staat hij op. Als hij ingeving grijpt hij zijn mes en in de grote berk, waaronder hij altijd zit, kerft hij moeizaam twee letters. Een A en een B- Arabella en berend- als een teken, een bewijs. Als ze terugkomt, zal hij Arabella de letters laten zien. Dan zal ze weten, dat hij steeds aan haar gedacht heeft, naar haar verlangd heeft.

De volgende morgen ontdekt Henderkien, dat er een grote ham uit de schouw is. Onmiddelijk brengt ze de zigeuners ter sprake, maar Gerrit Jan wimpelt die beschuldiging direct af. „Ach welnee, mens, die bent hier nog niet op ’t erf west, laat staon in hoes!Je zult je wel verteld hebb’n!” Henderkien zwijgt, maar blijft zich intussen wel afvragen, waar ’t kostelijke stuk vlees gebleven is. Ze informeert bij de kinderen, maar die weten ook van niets. Berend vraagt ze niet!Als er een ’t niet gedaan heeft, dan is hij het wel, dat weet ze zeker.

Berend hervat zijn eenzame wandelingen weer. Elke avond is hij korte of langere tijd bij het Heidens Gat. Zelfs op zondag, als Johannes met hem meegaat, loopt hij er even langs. Er gaat geen dag voorbij of hij denkt aan Arabella en in zijn dromen wordt ze steeds mooier, steeds begeerlijker. Soms als hij nuchter overweegt, weet hij dat zijn hoop onzinnig is. Vaak probeert hij haar uit zijn herinnering weg te bannen, maar ’t is vergeefse moeite. Hij kan haar niet vergeten!

Maanden gaan voorbij. Dan, op een zondagmiddag in november, nadert hij weer het Engelanderbosje. Johannes is er niet bij; die voelde zich niet lekker en Henderkien heeft lachend beslist, dat hij maar thuis moest blijven. „Hij kan nog jaoren met!”, heeft ze gezegd,„langer dan jij loop’n kunt Berend!”

Berend is onrustig, er lopen weer verse karrensporen over het bospad. Behoedzaam loopt hij tussen de bomen voort en dan hoort hij ineens een vrouw lachen. Een bekende lach!Arabella? ’t Komt vanachter een groepje struiken. Langzaam dringt hij het bosje binnen, voorzichtig drukt hij de twijgen opzij. Daar, op de grond ligt een paartje. Een vrouw op haar rug, een man bokkend boven haar. Ineens verslappen de wilde bewegingen, hijgend blijft de man liggen. De vrouw duwt hem van zich af, Berend kijkt recht in haar gezicht. ’t Is Arabella!En. . . dat ziet hij in dezelfde oogopslag…daar is Hendrik, de man van Janna. Hendrik lacht en drukt Arabella een geldstuk in de hand.

Dan wordt het Berend zwart voor de ogen!Hij springt te voorschijn, razend van woede en ontzetting. Arabella, toch een hoer!Hendrik, de hoerenjager!Met een vuistslag slaat hij Hendrik neer. Dan is hij bij Arabella. Hij grijpt haar vast. „Hoer, smerige hoer!”, brult hij. Zijn klauwende handen omspannen haar keel. Een hoge gil snerpt door het bos, voor zijn handen die keel dichtknijpen. Hendrik, versuft, schuifelt weg tussen de struiken. Berend drukt door, ramt het hoofd van de vrouw tegen de harde grond, telkens weer. Tot het lichaam veslapt en bewegingsloos blijft liggen! Dan staat hij op, waggelend als een dronkaard, niet beseffend wat er gebeurd is. Dan staan er ook, plotseling, mannen om hem heen. Handen grijpen zijn armen in een ijzeren greep. Een mes flitst!Berend zakt ineen. Rochelend fluistert hij:„Arabella!”

’s Avonds wordt het lichaam van Berend gevonden. De veldwachter vermeldt in zijn rapport de doodsoorzaak:Messteek, dwars door het hart. De getuige, Hendrik Greveling, boerenarbeider, vertelt dat hij, wandelend door het bos, gezien heeft, hoe het slachtoffer het aanlegde met een zigeunerin. Plosteling kregen ze woorden!Waarschijnlijk over de betaling en toen heeft Berend de vrouw de keel dichtgedrukt. Hij heeft nog geprobeerd tussenbeide te komen, maar Berend heeft hem toen zo’n geweldige vuistslag gegeven, dat hij achterover in de struiken terechtkwam. Hij heeft er nog een blauwe plek op zijn wang aan over gehouden en die is nog duidelijk te zien. Van tussen de struiken zag hij, det er een tiental zigeuners aangestormd kwam en een van hen moet de moord gepleegd hebben. Hij, Hendik, werd gelukkig niet opgemerkt. Hij heeft de moord ook niet kunnen verhinderen. Wat moest hij beginnen tegen zo’n overmacht?Hij was zo verstuur, dat hij pas aan het begin van de avond het verhaal aan zijn vrouw kon vertellen. Die heeft toen onmiddellijk de veldwachter gewaarschuwd. De veldwachter schrijft alles nauwkeurig op. Morgen zal hij maatregelen nemen. Eerst moet het lijk weggebracht worden. Nog even loopt hij speurend rond. Van de zigeuners geen spoor!Het vers gedolven graf onder enkele lage struiken ontsnapt aan zijn aandacht. Geen wonder, het is bedekt onder een dikke laag dorre bladeren. Er liggen zoveel bladeren in het bos in november.

Bij de begrafenis staan Gerrit Jan en Henderkien verslagen bij de baar. De kleine Johannes zoekt snikkend steun bij zijn moeder. Ook Janna en Hendrik zijn aanwezig. Na afloop komen de tongen los. Hendrik en Janna verzekeren, dat ze ’t altijd wel gedacht hebben. Berend deed altijd al zo eigenaardig. En met vrouwen was hij niet te vertrouwen. Janna heeft ’t zelf een keer meegemaakt, toen ze nog bij Gerrit jan diende. Nee, ze vertelt het liever niet. Dat geeft geen pas op een begrafenis.

Gerrit Jan en Henderkien staan voor een raadsel. Berend was de laatste tijd wat stiller dan anders, maar dit!Henderkien heeft nog een probleem. Die ham!Midden in de nacht maakt ze haar man wakker. Ze zegt:„Of zul Berend die schinke dan toch met neum’n hebb’n?As betaling veur ’n zigeunerin in ’t bossien?” Gerrit jan moet er bijna om vloeken. Die verdomde „vrouwluu” ook altijd met hun eeuwige gevraag!Hij snauwt kortaf:„’k Wil d’r geen woord meer over heur’n. Je hebt het verteld ja, en nou is ’t verder basta!” En daarmee is het laatste woord over de verdwenen hem gesproken.

De moordenaar van Berend is nooit gevonden. Toen de veldwachter de volgende morgen rapport uitbracht, waren de zigeuners al lang en breed de grens over!Ze zijn nooit meer teruggekeerd. Bij Anevelde ligt nog steeds het Engelanderbosje. Oord van sagen en legenden!