Stadhuis

Het ziet er nog steeds voornaam uit, het witte huis aan de Kerkstraat. Met zijn smalle rechthoekige ramen, zijn monumentale voordeur, zijn dakkapel en de hoge schoorstenen met metalen kappen is het met recht een eerbiedwaardig monument. Geen wonder, liefst 228 jaar was het gebouw het stadhuis van de oudste stad van Drenthe.

Toch was zijn bestaan niet als stadhuis begonnen. Arend van Loo – timmerman, aannemer en koopman in onroerend goed – bouwde omstreeks 1635 dit herenhuis om er met zijn gezin te gaan wonen. Hij had op 13 september 1632 met zijn vrouw Gertrudt Surmens voor twee maal twaalf guldens het burgerrecht gekocht, waardoor hij onder meer het recht verwierf een bestuursambt te bekleden. En niet zonder resultaat, want in 1641 werd hij tot een van de burgemeesters verkozen en zo beantwoordde de woning volledig aan zijn nieuwe status.

Picardt schreef met betrekking to de bouw van de hervormde kerk in zijn “Chronyken der Stadt en heerlickheydt Covorden” (1660) het volgende: “de directeurs of Bewint-hebbers, die de directie over dit werck gehadt hebben, zijn geweest den H. Burgemeester Arnoldt van Loo, Werner ten Broecke, Jan Onias, Bernhard Bertelinck, Reymert Dirckson Brumpt en Herman Mesmaker”. Hoewel Onias, Ten Broecke en Brumpt ook burgemeesters waren, werd Arnoldt (Arend) toch het eerst genoemd, omdat hij als kerkvoogd extra gewicht in de schaal legde. Niet ondenkbaar is dat hij ervoor zorgde, dat het bouwplan van de Amsterdamse stadsbouwmeester Hendrik de Keyser hier gebruikt werd. Deze had als meester-steenhouwer ook het grafmonument van Willem van Oranje verwezenlijkt.

Arend van Loo overleed in 1666. Zijn dochter Hendryna verkocht het huis aan Roelof Camerlingh, Schulte van Coevorden en Schoonebeek, die het op zijn beurt op 20 december 1671 via een ruiling overdeed aan het stadsbestuur, de magistraat van Coevorden. Zo werd het een herenhuis stadhuis, waar de bestuurders regelmatig bijeenkwamen, eeuwenlang. een van de eerste hier zetelende burgemeesters (een van de vier) was Coevordens held van 1672, schoolmeester/koster Mijndert van der Thijnen, die in 1674 als zodanig werd “ingezworen”. Hij was twintig jaar in functie en kreeg toen een conflict met drost van Palland over de benoeming van een predikant. De drost zetten zijn zin door en Van der Thijnen nam hierop ontslag. in 1702 werd hij toch weer burgemeester en bleef dit tot zijn dood in 1707.

Twee gebeurtenissen, die met elkaar te maken hadden, speelden zich hier af. De eerste was het zogenaamde IJzerkoekenoproer, dat in december 1770 voor het stadhuis plaats vond. Op voorstel van de kerkenraad had de magistraat, gezien de eruit voortkomende openbare dronkenschap, “het uitdelen van de zogenoemde Nieuwjaars- of ijzerkoeken” op nieuwjaarsdag verboden. Daar werden namelijk nogal wat borrels bij verstrekt! Maar onder de ijzerkoekenbaksters, die door het verkopen van hun baksels aan de gezeten burgerij hun extra inkomsten verloren, ontstond een regelrechte rel. Voor het stadhuis verzamelde zich een woedende menigte, die zo tekeer ging, dat de magistraat het verbod ijlings introk. De woede was mede zo groot, omdat de burgerij al heel lang gebukt ging onder de heerschappij van enkele conservatieve regentenfamilies, die onderling de baantjes verdeelden. De leider van de ontevredenen was Harmen Slingenberg en diens zoon Berend zette als patriot naar aanleiding van de komst van de Fransen op 11 februari 1795 de Oranjegezinde regenten af en verving ze door democratisch gekozen “representanten”.

Slingenberg werd later Schulte en in 1810 onder het Franse Napoleonsbewind “Maire” (burgemeester).

Tijdens de “blokkade van Coevorden”, waarbij het Franse garnizoen een waar schrikbewind uitoefende, stond hij pal voor zijn benarde burgers en verloor voorgoed zijn Franse sympathieën. De stad was omsingeld door eenheden van het Nederlandse leger en landweerkorpsen van boerenvrijwilligers uit de omgeving, waarvan het Dalense zich het beste weerde. Toen de onderdrukkers op 7 mei 1814 eindelijk Coevorden verlieten, marcheerde het Daler landweerkorps als eerste binnen. Ten stadhuize ontving ex-patriot Slingenberg, nu Coevordens burgemeester, allerhartelijkst de Oranjegezinde regentenzoon Cassa, nu burgemeester van Dalen en commandant van het landweercorps. De heren zullen ongetwijfeld een goed glas wijn met elkaar gedronken hebben en voor de Daler vrijwilligers stonden twee anker (75 liter) jenever klaar. Tot 1843 zou burgemeester Slingenberg hier zijn ambt vervullen. Tweemaal zou het stadhuis koninklijk bezoek binnen zijn muren ontvangen. in 1842 bezocht koning Willem II Coevorden en in 1873 koning Willem III. Beiden beloofden het gemeentebestuur gouden bergen, maar bij beide kwam daar weinig van terecht. Het gemeentebestuur kocht in 1900 het voormalig gouverneurshuis “op het kasteel” en dat werd op 8 november van dat jaar feestelijk als nieuw representatief stadhuis in gebruik genomen.

Het oude stadhuis kwam in het bezit van de heren Kramer van het meubelbedrijf “Modelhuis Kramer” en werd ingericht als toonzaal. In 1973 werd het grondig gerestaureerd door Monumentenzorg Drenthe. Na de teloorgang van het gerenommeerde Modelhuis kwam het oude stadhuis in andere handen en momenteel is het in bezit van de woningcorporatie Domesta, die het dit jaar (2010) aan de buitenkant prachtig heeft gerenoveerd. Na eerst door de VVV gebruikt te zijn, is het nu het hoofdkantoor van TORECO (Toerisme en Recreatie Coevorden). Dit is de opvolger van de failliet gegane VVV, die dankzij veel vrijwilligers het informatieve werk in de gemeente Coevorden kan voortzetten.

Een prachtig onderkomen met een zinvolle bestemming! Sta er eens bij stil, bij dit eeuwenoude monument of vereer het met uw bezoek.

Mo(nu)mentjes in Streek en Stad 2010 – Huib D. Minderhoud